Koenigswald, Gustav Heinrich Ralph von (1902-1982)

 
English | Nederlands

KOENIGSWALD, Gustav Heinrich Ralph von (1902-1982)

Koenigswald, Gustav Heinrich Ralph von, geoloog en paleontoloog (Deutsch-Wilmersdorf, thans Berlijn (Duitsland) 13-11-1902 - Bad Homburg (Duitsland) 10-7-1982). Zoon van Gustav Adalbert von Koenigswald, etnoloog, en Martha Jacobi. Gehuwd op 24-6-1935 met Linita Selma Luitgarde Beyer. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Hij werd genaturaliseerd bij Wet 8-4-1937 Stbl. nr. 1205. afbeelding van Koenigswald, Gustav Heinrich Ralph von

Von Koenigswald begon na de middelbare school met zijn studie geologie en paleontologie aan de universiteiten van resp. Berlijn, Tübingen, Keulen en München. In 1930 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij op het paleontologisch laboratorium van het Bureau van den Dienst van den Mijnbouw in Bandung (Java) aangesteld werd. Aanvankelijk hield Von Koenigswald zich daar met molluksen bezig, die in de jaren dertig als gidsfossielen een belangrijk middel waren voor de datering van sedimenten (afzettingsgesteenten) uit het Tertiair en Kwartair, de latere perioden van de geologische aardgeschiedenis. Von Koenigswald meende dat ook andere fossielen van belang konden zijn, namelijk de overblijfselen van gewervelde dieren, die op verschillende plaatsen in Java gevonden worden. Wanneer men deze vertebratenfossielen zou kunnen rangschikken naar ouderdom, dan moest er een zg. vertebratenstratigrafie kunnen worden opgesteld. Het is Von Koenigswald grote verdienste geweest dat hij dit m.b.t. Java heeft gedaan, waarvan vooral het onderzoek naar de oermens in Zuidoost-Azië heeft geprofiteerd.

Die oermens was in de vorm van de bekende Pithecanthropus erectus of rechtopgaande aapmens aan het einde van de vorige eeuw door de Nederlandse arts Eugène Dubois bij het dorpje Trinil op Java ontdekt. In feite was er niet meer gevonden dan een slecht geconserveerd schedeldak, een paar kiezen, en een morfologisch modern aandoend dijbeen, maar dit was genoeg om in de academische wereld beroering te wekken. Het ging vooral om de vraag of de fossiele mens van Java werkelijk zo oud was als Dubois beweerde. Toen Von Koenigswald op Java aankwam, in 1931, was men met de beantwoording van die vraag nog niet verder gekomen, omdat gedetailleerde gegevens over de geologie en paleontologie van Java nauwelijks verzameld waren.

Wat die geologische kennis betreft kwam er al een wending ten goede in 1931, toen L.J.C, van Es, een geoloog werkzaam bij de Geologisch-technische Onderzoekingen te Bandung, promoveerde op een analyse van tertiaire en kwartaire sedimenten op Java. De gegevens van Van Es boden Von Koenigswald veel steun bij de taak die hij zich gesteld had. Verder waren er discussies en 'veldtochten' die hij ondernam met twee mijningenieurs van de Dienst: J. Duyfjes en C. ter Haar. Wanneer men de eerste rapporten en artikelen van Von Koenigswald over de Javaanse situatie doorneemt, merkt men van hoeveel belang die informele contacten op het Bureau van den Dienst geweest zijn; met als keerzijde dat de basis werd gelegd voor moeilijk onwarbare cirkelredeneringen in de wetenschappelijke arbeid. Wanneer Duyfjes bijv. stelt dat een bepaald sediment Oud-Kwartair is, omdat Von Koenigswald zegt dat de erin gevonden fossielen Oud-Kwartair zijn, dan kan men elders lezen dat Von Koenigswald stelt dat bepaalde fossielen Oud-Kwartair zijn, omdat volgens Duyfjes het sediment Oud-Kwartair is. Maar Von Koenigswald beriep zich niet alleen op de autoriteit van anderen, hij voerde ook eigen argumenten aan. De eerste ideeën over de vertebratenstratigrafie vindt men in enkele ongepubliceerde rapporten uit 1933 en 1934 en kristalliseerden geleidelijk uit tot een soort synthese in 1939.

Uitgangspunt was voor Von Koenigswald de massale collectie vertebratenfossielen die bekend was als gevolg van de jarenlange opgravingen van Dubois en latere onderzoekers bij Trinil. Diverse diersoorten uit deze collectie werden door Von Koenigswald als typisch beschouwd en als gidsfossielen aangemerkt. De collectie uit Trinil kreeg de naam Trinilfauna, en Von Koenigswald gaf er een Middenpleistocene ouderdom aan (het Midden-Pleistoceen is een onderverdeling van het Kwartair en omvat de periode tussen ca. 700.000 jaren en ca. 125.000 jaren geleden). In de omgeving van Trinil waren echter ook fossielen gevonden die duidelijk jonger moesten zijn dan Midden-Pleistoceen, omdat ze uit afzettingen kwamen bovenop die Trinil-lagen gelegen. De naam ervoor ontlenend aan een dorpje in de buurt, rekende Von Koenigswald die jonge fossielen tot de Bovenpleistocene Ngandongfauna (het Boven-Pleistoceen is de periode tussen ca. 125.000 jaren en 10.000 jaren geleden). Kan een verschil in ouderdom tussen de Trinil- en de Ngandongfauna dus geologisch duidelijk worden bevestigd, in veel mindere mate is dat het geval met de Trinilfauna en de daaraan voorafgaande Onderpleistocene Jetisfauna die Von Koenigswald op Java meende aan te kunnen tonen (het Onder- of Basale Pleistoceen gaat van ca. 2 miljoen jaren tot ca. 700.000 jaren geleden). De verschillen tussen de Trinil- en Jetisfauna waren puur paleontologisch: bepaalde Trinilsoorten werden bij Jetis (een dorpje in oostelijk Java) in meer primitieve vorm gevonden.

Het is de inherente zwakheid van Von Koenigswalds unilineaire vertebratenstratigrafie, hinkend op zowel geologische als paleontologische bewijsvoeringen, waarbij ook de al aangeduide cirkelredeneringen een rol spelen, die ertoe heeft geleid dat er kritiek is gekomen. Bekend zijn bijv. de aanvallen daarop van D.A. Hooijer; terwijl enkele Indonesische en Nederlandse onderzoekers een geheel nieuwe biostratigrafie van vertebraten hebben voorgesteld, die Von Koenigswalds systeem in feite omverwerpt. Von Koenigswalds opzet om met de mollusken ook de vertebraten voor datering van aardlagen te gebruiken heeft aan betekenis ingeboet, nu tot hoge perfectie opgevoerde radiometrische laboratoriumtechnieken meer zekerheid geven.

Tussen al die vertebraten waren het de schaarse resten van de oermens die Von Koenigswalds speciale belangstelling hadden. Toen hij op Java aankwam was er nog steeds niet meer bekend dan de Pithecanthropus-Testen uit Trinil. Maar tijdens zijn onderzoek had Von Koenigswald het geluk geconfronteerd te worden met hominide overblijfselen van andere plaatsen op Java, waarover hij vele publikaties het licht deed zien. Bijvoorbeeld over Jetis in Oost-Java, en over Sangiran in Midden-Java.

Sangiran was een vindplaats waar Von Koenigswald telkens terugkeerde, de plek intrigeerde hem. Vanuit geologisch oogpunt is Sangiran ook bijzonder: grind-, zand- en kleilagen, daterend uit de belangrijke Pleistoceenperiode, liggen er overal. In die afzettingen, neergelegd door vroegere rivieren, worden fossielen gevonden. Vooral in de regentijd komen die fossielen los en kan men ze verzamelen. Von Koenigswald vroeg de plaatselijke bevolking de fossielen voor hem op te rapen, en hij deed niets liever dan de rijke oogst, die in mandjes werd aangedragen, te doorzoeken op resten van de oermens. Uit Sangiran komt de tweede Pithecanthropus-schedel die van Java bekend is, en Von Koenigswalds naam is er onverbrekelijk mee verbonden, net zoals die van Dubois met de eerste schedel uit Trinil. Vanaf 1936 volgden vondsten van brokstukken van Pithecanthropus -schedels en -kaken elkaar in snel tempo op. De plaats bleek een paleontologisch dorado, en dat is Sangiran tot op de dag van vandaag gebleven.

De naam Pithecanthropus erectus is nu verouderd. De oermens van Java wordt ingedeeld bij de soort Homo erectus, die een wijde verbreiding had in Afrika, Europa en Azië. De oorspronkelijke resten uit Trinil horen tot de ondersoort Homo erectus erectus; andere vormen uit Java zijn bijvoorbeeld Homo erectus ngandongensis en Homo erectus modjokertensis. Een merkwaardige oermensvorm, waar Von Koenigswald zich erg voor interesseerde, was de zg. Meganthropus, waarvan een paar kaakresten in Sangiran gevonden zijn. De kaken blijken massiever en groter dan van enige andere oermensvorm van Java; maar tegenwoordig neemt men aan dat het om een curieuze ondersoort van Homo erectus gaat. Von Koenigswald verdiepte zich ook in de werktuigen van de Javamens, primitieve stenen instrumenten die op verschillende plaatsen gevonden worden. Al in 1934 vond Von Koenigswald de eerste stenen werktuigen in Sangiran, en een jaar later vond hij zg. vuistbijlen aan de zuidkust van Java. Vuistbijlen zijn bekende werktuigen uit de Oude Steentijd, en de vondst op Java was in die jaren beslist een verrassing voor de prehistorie.

Von Koenigswald had in de jaren dertig ook veel contacten met het buitenland. Hij maakte bijv. in 1937 een reis naar China, waar hij Teilhard de Chardin leerde kennen; en op Java reisde hij de vindplaatsen af met Helmut de Terra en Hallam Movius, die in Burma naar de oermens hadden gezocht. Maar inmiddels waren de omstandigheden waaronder Von Koenigswald moest werken er niet beter op geworden, want als gevolg van bezuinigingen bij de Dienst was hij in 1936 ontslagen. Gelukkig wist hij zijn veldonderzoek te continueren met een subsidie van het Amerikaanse Carnegie Instituut, maar toch werd het moeilijker voor hem om te werken. Aan alle activiteiten kwam een einde na de inval van de Japanners in 1942, en Von Koenigswald, die in 1937 het Nederlandse staatsburgerschap had verkregen, verdween in een interneringskamp.

Het decennium van 1931-1941 vormde voor de fundamentele ontdekkingen Von Koenigswalds vruchtbaarste jaren. Na de oorlog brak een min of meer 'beschouwelijke' periode aan, waarin hij zijn ideeën verder uitwerkte. Na de capitulatie van Japan vertrok hij voor enige tijd naar de Verenigde Staten; daarna, in 1948, werd hij hoogleraar in de paleontologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Van veldwerk op Java kwam niets meer: de slechte verhouding tussen Nederland en Indonesië maakte dat voorlopig onmogelijk. Wel kon Von Koenigswald studiereizen maken naar de Filippijnen en Pakistan, waar hij zich ook met Pleistoceenonderzoek bezighield. Verder was hij natuurlijk een graag geziene gast op buitenlandse congressen. Met een veelheid van onderwerpen hield hij zich bezig, o.a. met antropologische curiositeiten, maar ook met bijv. tektieten uit Midden-Java, meteoorstenen uit het Pleistoceen. Intussen verdedigde hij met verve zijn vertebratenstratigrafie, en bleef hij schrijven over de oermens.

In 1968 vertrok Von Koenigswald uit Utrecht om een baan te aanvaarden op het Senckenberginstitut in Frankfurt am Main. Hij was terug in Duitsland. Von Koenigswald wist er zijn afdeling te verbreden tot een centrum van paleoantropologisch onderzoek, en hij resideerde er te midden van zijn geliefde fossielen uit Java. Vakgenoten uit alle delen van de wereld kwamen hem daar opzoeken en lieten zich boeien door Von Koenigswald, de 'raconteur'. Nog steeds reisde hij veel, en een hoogtepunt was voor hem een terugkeer naar Java, in 1976, waar hij een eredoctoraat kreeg aan de Universiteit van Yogyakarta, en hij tevens de gelegenheid kreeg 'zijn' Sangiran terug te zien.

Von Koenigswald stierf op 10 juli 1982 in Bad Homburg (Duitsl.), reeds tijdens zijn leven een legende geworden.

P: Bibliografie in onder L genoemd artikel van J.L. Franzen.

L: 'A volume in memory of prof. dr. G.H.R. von Koenigswald', in Modern quaternary research in Southeast Asia. Ed. by Gert-Jan Bartstra [and] W.A. Casparie (1982) 7 (,); H.F. Linskens, in Vakblad voor biologen 62 (1982) 276-277; J.L. Franzen, 'In memoriam Gustav Heinrich Ralph von Koenigswald 1902- 1982', in Senckenbergiana lethaea 64 (1983) 5-6 (13 november) 381 - 402; Auf den Spuren des Pithecanthropus. Leben und Werk von Prof. Dr. Gustav Heinrich Ralph von Koenigswald (1902-1982) (Frankfurt am Main, 1984).

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1983 (Amsterdam 1983) 156.

G.J. Bartstra


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013