Koijck, Leendert Marinus (1918-1962)

 
English | Nederlands

KOIJCK, Leendert Marinus (1918-1962)

Koijck, Leendert Marinus (bekend onder de naam Koyck), economist (Mijnsheerenland 2-9-1918 - Mijnsheerenland 14-12-1962). Zoon van Dirk Koijck, landbouwer, en Pietertje van Driel. Gehuwd op 28-5-1947 met Jaapje Cornelia Doolaard. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren.

Koyck was afkomstig uit een sinds eeuwen in de Hoeksewaard gevestigde familie van boeren en plaatselijke notabelen, die soms ook bij de gemeentepolitiek betrokken waren. In Oud-Beijerland bezocht hij de lagere school en de rijks-HBS, waar hij in 1936 het einddiploma-B verwierf. Hij ging studeren aan de Nederlandsche Economische Hoogeschool (NEH) te Rotterdam en behaalde in 1939 het kandidaatsexamen. In 1946 volgde het doctoraal examen in de staatkundig-economische richting. In 1954 promoveerde hij cum laude bij J. Tinbergen op het proefschrift: An econometrie study on the time-shape of economie reactions (Amsterdam, 1954). Deze fraaie studie behandelt, naast een aantal toepassingen op investeringen, een theoretisch schema van exponentieel verdeelde vertragingen en een eenvoudige wiskundige methode om deze in beginsel niet-eindige gestaffelde vertragingen te transformeren tot een vergelijking waarvan de coëfficiënten te schatten zijn. Deze transformatie staat in de literatuur bekend als de Koyckse transformatie en heeft een vaste plaats verworven in de econometrische leerboeken en het kwantitatief economisch onderzoek. In de loop der jaren heeft dit proefschrift in vakkringen internationale erkenning verworven.

Onmiddellijk na zijn promotie werd hij tot buitengewoon hoogleraar in de staathuishoudkunde benoemd. Koyck was overigens reeds sinds zijn afstuderen verbonden aan de Hoogeschool, waar hij in 1948 tot lector was benoemd, naast zijn functie als onderzoeksmedewerker bij het Nederlandsch Economisch Instituut (NEI). In 1954, gelijk met zijn benoeming tot hoogleraar aan de NEH, werd hij opgenomen in de directie van dit researchinstituut.

In zijn onderzoek zocht hij niet alleen naar theoretische concepties maar achtte hij het noodzakelijk deze te confronteren met de economische werkelijkheid door statistische verificatie en schatting. Voorbeelden hiervan vormen twee korte studies, gepubliceerd in Metroeconomica. Rivista internationale di economica 5 (1953) 63-67 en (samen met H. Goris) in The review of economies and statistics 35 (1953) 59-66, over respectievelijk de meting van de lange-termijnelasticiteiten in de internationale handel en de prijs van investeringsgoederen. In beide studies staat het reactiepatroon in de tijd als gevolg van veranderingen in de economische omstandigheden centraal. Deze dynamiek, toegepast op het investeringsgedrag van ondernemers, werd ten volle uitgewerkt in zijn dissertatie.

Naast de macro-economie genoot ook de micro-economie Koycks belangstelling. Zijn oratie, uitgesproken op 20 januari 1955, was gewijd aan 'De empirische betekenis van de theorie van het consumentengedrag' (De Economist 103 (1955) 1-21). Zijn belangstelling voor de micro-economie bleek uit zijn bijdrage 'Consumentengedrag; theorie en empirisch onderzoek' in de bundel Verbruik en sparen in theorie en praktijk (Haarlem, [1957]) 1 - 147, uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van de Rijkspostspaarbank. Voor een andere poot van de gelddiensten der PTT, de Postcheque- en girodienst, had Koyck in de tweede helft van de jaren 1950 een werkzaam aandeel in de statistische analyse van het gedrag van rekeninghouders in het kader van de door de toenmalige hoofddirecteur Financiële en Economische Zaken der PTT ingestelde studiegroep-Koyck. Het zou tot ver na Koycks dood duren voor dit pleidooi voor hervatting van de beoefening van de monetaire econometrie in Nederland wortel zou schieten.

In het kader van zijn directeurschap van het NEI raakte Koyck aan het eind van de jaren 1950 betrokken bij de problematiek van de economische groei en de ontwikkelingslanden. Verschillende publikaties, samen met H.C. Bos, leggen van deze verschuivende aandacht getuigenis af evenals zijn rapport voor een in december 1959 door de UNESCO in Athene belegde conferentie over de economische en sociale problemen van de Middellandse-Zeelanden.

Koyck gold als een begaafd en veelzijdig onderzoeker, wiens onderwijsactiviteit zich in de loop der jaren over een breed terrein uitstrekte. Naast zijn colleges doceerde hij ook jarenlang statistiek buiten de Hoogeschool, o.a. voor de accountantsopleiding, en was hij examinator bij de MO-akten staathuishoudkunde. Hij verleende tevens zijn medewerking aan het voor generaties economiestudenten bekende boek Wiskundige propaedeuse voor economisten (Utrecht, 1957) door J.H.C. Lisman. Gedurende het studiejaar 1960/1961 vervulde Koyck, op uitnodiging van de John Hay Whitney Foundation in New York, een dubbel gasthoogleraarschap aan het Alleghany College te Meadville en de University of Oregon, Eugene, in de Verenigde Staten.

Koyck was geen eenzijdige kamergeleerde zonder maatschappelijke belangstelling. Met zijn lidmaatschap voor de Christelijk-Historische Unie (CHU) van de gemeenteraad in zijn geboorteplaats Mijnsheerenland zette hij een oude familietraditie voort. Naast een omvangrijke taak als lid van de directie van het NEI vervulde hij verschillende advi-seursfuncties, zoals bij Rijkswaterstaat, het Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding te Wageningen en in 1959 voor het Centraal Planbureau (CPB) bij de constructie van het macro-economisch jaarmodel. Daarnaast was hij van 1952 tot 1956 plaatsvervangend kroonlid van de Sociaal-Economische Raad en maakte hij gedurende de jaren 1955-1958 deel uit van het bestuur van de Consumentenbond.

Een polsing voor het ministerschap van Landbouw in een van de kabinetten uit de jaren '50 waarin de CHU deelnam, vermocht hem er echter niet toe te verleiden de wetenschap voor de grote politiek te verwisselen. Deze voorkeur voor de wetenschap hield hem echter nooit af van het vervullen van wat hij zag als zijn maatschappelijke plichten. Het prille begin van zulk besef zou men symbolisch kunnen zien bij de eerste-steenlegging die Koyck verrichtte op 2 november 1920 voor de bouw van de Ned. Herv. pastorie in Mijnsheerenland, het dorp waar Koyck vrijwel zijn gehele leven bleef wonen. Op 14 december overleed hij hier plotseling; de hartafwijking die was vastgesteld toen hij kort na de oorlog in dienst werd geroepen en toentertijd door weinigen serieus werd genomen, bleek in 1962 bittere ernst.

A: Archief Erasmus Universiteit Rotterdam, dossier Koyck in Senaatsarchief.

P: Behalve de reeds genoemde: 'Over arbeidsduur en welvaartspeil', in De Economist 97 (1949) 305 - 324; 'Consumptie en conjunctuur' in Economisch-Statistische Berichten (1956) 1014-1016; 'Die Produktionsfunktionsberechnung bei fehlerhafter und fehlender Sachkapitalbestandsstatistik', in Ifo-Studien. Zeitschrift des Ifo-lnstituts für Wirtschaftsforschung 2 (1956) 157-172 (met K.C. Kuhlo); 'Vergelijking van enige hoofdtypen van groeimodellen', in Maandschrift Economie 22 (1957-1958) 361-384 (met H.C. Bos); 'Machtsvorming en mededinging', in De verantwoordelijke maatschappij [Feestbundel uitg. door het VPCW] (Franeker, [1958]) 161-206; 'An econometrie model of the Netherlands Postal Cheque and Clearing Service', in Het PTT-Bedrijf 9 (1959) 134-144; samen met H.C. Bos 'The appraisal of road construction projects: a practical example', in The review of economies and statistics 43 (1961) 13-20; samen met M.J. 't Hooft-Welvaars, 'Economie growth, marginal productivity of capital and the rate of interest', in The theory of interest rates. Proceedings of an conference held by the International Economie Association [at Royaumont from 28 March to 7 April 1962]. Ed. by F.H. Hahn and F.P.R. Brechling (Londen [etc.], 1965) 242-266.

L: L.H. Klaassen, in Economisch-Statistische Berichten 47 (1962) 1211-1212; J. Tinbergen, in NRC, 15-12-1962.

M.M.G. Fase


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013