Kok, Jan (1899-1982)

 
English | Nederlands

KOK, Jan (1899-1982)

Kok, Jan, farmaceut (Amsterdam 13-6-1899 - Egmond 7-9-1982). Zoon van Frans Kok, apotheker, en Hendrika Jetten. Gehuwd op 13-7-1926 met Fetje Pietje de Boer. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.

Kok studeerde, na het Stedelijk Gymnasium (later Barlaeus Gymnasium) in Amsterdam te hebben doorlopen, vanaf 1919 farmacie aan de Universiteit van Amsterdam. Gedurende zijn studiejaren was hij assistent voor fysiologie bij G.A. van Rijnberk. Het doctoraal examen farmacie met bijvak biochemie werd afgelegd in 1924. Het jaar daarop verwierf Kok het apothekersdiploma. Na van 1925 tot 1927 als apotheker in Amsterdam werkzaam te zijn geweest, werd hij apotheker en daarna directeur van de farmaceutische afdeling van de NV Amsterdamsche Chininefabriek. Door zijn toedoen kreeg deze afdeling haar belangrijke plaats in de farmaceutische handel en industrie in ons land. Kok deed onder andere onderzoek op het gebied van de kina-alkaloïden en de moderne therapeutica. Op 17 april 1940 promoveerde hij in Amsterdam op een proefschrift Onderzoek naar de werkzame bestanddeelen van erodium cicutarium. Promotor was P. van der Wielen. Koks kennis van farmaceutica zou hem nog onverwachts te stade komen toen hij tijdens de bezetting talrijke jonge mannen voor de Arbeitseinsatz kon behoeden door hun voor de keuring een zalf je te verstrekken dat een buitengewoon kwalijk uitziend exceem scheen te veroorzaken, maar bij zorgvuldige reiniging met water onmiddellijk alle symptomen wegnam. Ook voor hem ging deze oorlogsperiode niet ongemerkt voorbij: hij werd tot tweemaal toe door de Duitsers gearresteerd.

In 1945 werd Kok benoemd tot buitengewoon hoogleraar in galenische farmacie en receptuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Op 28 januari 1946 hield hij zijn inaugurele oratie: De arte formulas praescribendi et praeparandi. In 1950 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar, waarbij zijn leeropdracht werd uitgebreid met biochemie en toxicologie. Hij legde toen zijn directeurschap van de Chininefabriek neer. Gedurende vele jaren heeft Kok zijn stempel gedrukt op de universitaire opleiding van apothekers in Amsterdam. Hij legde bij zijn studenten vooral de nadruk op de noodzakelijkheid van een nauwe samenwerking met de medicus. Als leermeester was Kok rechtvaardig, uitstekend in staat tot luisteren, en wilde hij in de eerste plaats de mens leren kennen en zijn leerlingen voorbereiden op een plaats in de maatschappij. Zijn wetenschappelijke belangstelling ging vooral uit naar de biochemische aspecten van het geneesmiddel. De resultaten van zijn wetenschappelijke onderzoekingen publiceerde Kok in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Geneeskundige Gids, Keesings Medisch Archief en het Pharmaceutisch Weekblad. Hij verzorgde herdrukken van algemeen bekende standaardwerken: Leer- en handboek der receptuurkunde (in 1947 met P. van der Wielen en vanaf de 3e dr. in 1950 alleen) en sedert 1951 het uit 1911 stammende Pharmacotherapeutisch vademecum van H. Pinkhof en P. van der Wielen. Met U.G. Bijlsma en J.B. Stolte verzorgde hij in 1952 een nieuwe uitgave van de monografie Laxantia, een publikatie van het Rijksinstituut voor pharmaco-therapeutisch onderzoek.

Kok bezat een groot organisatietalent en een scherp juridisch inzicht. Van het laatste profiteerde hij als buitengewoon lid van de Octrooiraad en als voorzitter van de raad van tucht van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij der Pharmacie. Als rector magnificus (1960- 1964) lukte het hem de omvorming van de Amsterdamse gemeentelijke naar een rijksinstelling af te ronden. Nauw was hij betrokken bij de omstreden beslissing het academisch ziekenhuis niet op nieuw terrein te doen bouwen, maar daartoe het bestaande Wilhelminagasthuis in de stad te moderniseren en uit te breiden. Ook werd hij in deze jaren geconfronteerd met het begin van de maatschappij-kritische studentenbeweging, die in 1969 zou leiden tot het bezetten van het Maagdenhuis, het administratieve centrum van de Universiteit van Amsterdam. Voor zijn inspanningen om op het toentertijd prille vakgebied van de klinische chemie tot een erkende specialisatie te komen, werd hij in 1968 tot erelid van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie gekozen. In zijn afscheidscollege als hoogleraar op 5 juli 1969 gaf hij een overzicht van de verschillende aspecten van het biochemisch onderzoek dat in de loop der jaren onder zijn leiding verricht was (Pharmaceutisch Weekblad 104 (1969) 929-934).

Kok was een actief lid van de Orde der Vrijmetselaren. Vanaf 1947 was hij gewoon lid en van 1955 tot 1957 voorzittend meester van de Amsterdamse loge 'Excelsior' en van 1957 tot 1963 lid van het College van Regenten van de 'Louisa Stichting'. Zijn benoeming in 1962 tot grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden was een kredietbenoeming, want in ruimere kring dan de Amsterdamse was hij bij de Orde weinig bekend. Tot zijn teleurstelling werd hij al meteen betrokken bij allerlei maçonnieke controverses die hij in een dergelijk milieu niet had voorzien. Met voortvarendheid, maar vooral met tact en milde humor heeft hij gewerkt aan verbetering van de organisatie en het rituaal. Met de Rooms-Katholieke Kerk wist hij tot een beter begrip te komen. In 1974 nam hij afscheid als grootmeester, maar als erelid van het hoofdbestuur bleef zijn band met de Orde bewaard.

P: Bibliografie en lijst van onder leiding van Kok bewerkte dissertaties in Pharmaceutisch Weekblad 104 (1969) 761-762 en 759-760.

L: Herdenkingsartikelen t.g.v. emeritaat van Kok door J.H.M. Winters en C.G. van Arkel, in Pharmaceutisch Weekblad 104 (1969) 755-758; interview van Johan S. Wijne met Kok, in AMT Algemeen Maçonniek Tijdschrift 28 (1974) 399-403; red., in AMT 36 (1982) 213-214; Frits de Jong Edz., Macht en inspraak (Baarn, 1982) passim; P. Mars en J.S. Meulenhoff, in Pharmaceutisch Weekblad 117 (1982) 1062-1063.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013