Kol, Hendrikus Hubertus van (1852-1925)

 
English | Nederlands

KOL, Hendrikus Hubertus van (1852-1925)

Kol, Hendrikus Hubertus van (pseud. Rienzi), ingenieur en politicus (Eindhoven 23-5-1852 - Aywaille (België) 22-8-1925). Zoon van Christianus Adrianus Hubertus van Kol, leerlooier; hotelhouder en wijnhandelaar, en Maria Anna Schutjes. Gehuwd op 27-7-1883 met Jacoba Maria Petronella Porreij, schrijfster. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Kol, Hendrikus Hubertus van

De familie Van Kol stond te Eindhoven bekend als een goed praktizerende katholieke familie. Desalniettemin kwam de jonge Van Kol via de École moyenne de l'État in Turnhout in 1867 terecht in de derde klas van de openbare HBS te Roermond. Daar legde hij een grote belangstelling aan de dag voor de politieke discussie binnen het Duitse Rijk. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot Ferdinand Lassalle; niet alleen diens ideeën, maar ook de romantisch-ridderlijke leefwijze spraken hem aan. Blijkbaar schuwde hij in deze jaren het publieke debat al niet, want zijn medeleerlingen noemden hem Rienzi, naar de bekende middeleeuwse Romeinse volkstribuun Cola di Rienzi. Dit zou later zijn 'nom de plume' worden.

Na zijn eindexamen ging Van Kol in 1870 naar de Polytechnische School in Delft. Het ingenieursvak was slechts enkele decennia daarvóór een civiel beroep geworden en zou pas aan het eind van de 19e eeuw, dank zij spoorwegaanleg en belangrijke waterwerken, een groot prestige krijgen . De toeloop van studenten was in deze periode echter al aanzienlijk. Van Kol begon zijn studie in normaal tempo, tot in 1871 een onderbreking dreigde toen hij naar Parijs vertrok om daar mee te vechten aan de zijde van de Communards. Aan de Franse grens hoorde hij echter dat de opstand bloedig onderdrukt was en Van Kol werd weer 'Delvenaar'. Maar ook als student bleef hij actief socialist. In hetzelfde jaar werd hij lid van de Haagse sectie van de Internationale. Toen na een bedekte waarschuwing van de minister van Justitie J.A. Jolles andere studenten van de Polytechnische School zich genoopt zagen voor hun lidmaatschap te bedanken, was dit voor Van Kol geen reden hun voorbeeld te volgen. In 1872 woonde hij het Haagse congres van de Internationale bij, waar hij persoonlijk kennis maakte met Karl Marx en voor de duur van het congres als gids en tolk van de familie Marx fungeerde. De Delftse en Haagse politie begonnen ondertussen zijn activiteiten nauwlettend te volgen, wat nadelig voor zijn studie was: een zg. Indische studietoelage ontging hem. In 1874, hetzelfde jaar waarin de bekende 'rode' professor B.H. Pekelharing erevoorzitter werd van de Studenten Debating-Club, werd Van Kol voorzitter van het dispuut.

Wellicht wegens beperkte carrièremogelijkheden in verband met zijn politieke keuze en teleurgesteld in de kansen voor het socialisme in Europa koos Van Kol voor een loopbaan bij de Indische Waterstaat. In 1876 vertrok hij naar Indië. Hij bleek een goed ingenieur te zijn met, zoals men dat noemde, een 'goede terreinblik'. Aanvankelijk was hij werkzaam bij de Sampean-werken op Oost-Java en later, na een Europees verlof, tussen 1886 en 1892, bij de Pemali-werken op Noord-Midden-Java.

Maar naast dit ingenieurswerk verloor Van Kol nooit zijn warme belangstelling voor het socialisme in Europa. Hij onderhield een intensieve correspondentie met Nederlandse en Belgische socialisten, onder wie F. Domela Nieuwenhuis, die hij via S.E.W. Roorda van Eysinga had leren kennen; zijn leermeester in Delft, Pekelharing, zond hem alle literatuur over het socialisme. Van zijn kant stuurde Van Kol talrijke artikelen die in de Belgische socialistische pers gepubliceerd werden. In 1884 werd hij medewerker van Domela's weekblad Recht voor Allen. Hier komt hij naar voren als een fel humanitair strijder, waarbij leerstelligheid niet zijn sterkste punt was. J.E. Stokvis zou hem later typeren als de 'eenzame uitloper van de utopische school'.

Om geld te verdienen voor de goede zaak leende hij een bedrag van 25.000,- van Domela en kocht hij op de hellingen van het Idjen-gebergte op Oost-Java een koffietuin. Deze werd geleid door T. Ottolander, die een belangrijke invloed had uitgeoefend op de ontwikkeling van A. Kuypers' opvattingen over de koloniale verhoudingen in de jaren '70 van de 19e eeuw. Van Kol verdedigde de 'uitbuiting' van de Javaan in de strijd tegen de 'uitgebuite' Europese arbeider door te verwijzen naar de goede behandeling die de Javanen bij zijn bedrijf kregen, waardoor zij het veel beter hadden dan zij het anders ooit zouden krijgen.

Verlof in Europa (1884-1886) bracht voor Van Kols socialisme nieuwe teleurstellingen: hij vond dat de socialistische politiek, vooral in Nederland, beheerst werd door persoonlijke conflicten en dat de inhoudelijke discussie werd vermeden. Zijn verhouding tot de toenmalige Belgische en Nederlandse socialisten verslechterde. Na een lastercampagne in Recht voor Allen kwam het zelfs tot een breuk met Domela Nieuwenhuis, die tot dan toe zozeer een lichtend voorbeeld was geweest, dat zelfs een zoon van de Van Kols naar Domela vernoemd was. De gedwongen definitieve terugkeer naar Europa in 1892 - om gezondheidsredenen - was dan ook voor de Van Kols geen gemakkelijke: Nellie van Kol had inmiddels in Indië een reputatie opgebouwd als schrijfster van kinderboeken en Van Kol trof in Nederland een intern verdeeld en ruziënd socialisme aan. Aanvankelijk voelden zij er zelfs weinig voor zich in Nederland te vestigen, maar er werd al dadelijk zoveel beroep gedaan op zijn hulp en steun dat zij ten slotte toch in het land bleven. Als propagandist was Van Kol spoedig zeer actief bij spreekbeurten in het noorden, oosten en zuiden van het land, en niet tevergeefs werd hem vaak financiële hulp gevraagd voor socialistische instellingen of persoonlijke problemen van medepartijgangers.

Het was niet verwonderlijk dat Van Kol ook betrokken raakte bij de oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1894. Tegen zijn zin moest hij zich in 1897 kandidaat stellen voor de Tweede Kamer en werd hij bij herstemming voor het district Enschede gekozen, waar hij samen met Troelstra aanvankelijk een tweemansfractie vormde. Van Kol ging zich in de Tweede Kamer vooral bezighouden met koloniale kwesties. In 1896 had hij, onder zijn pseudoniem Rienzi, het boekje Land en volk van Java gepubliceerd, waarin hij stelde dat Java door het koloniale bewind veel schade was berokkend, maar herstel niettemin mogelijk was: 'De Javaan draagt zijn wrok in stilte en gunt ons den tijd om door een rechtvaardig bestuur zijne liefde te winnen.' Men kan Van Kol, met de journalist en letterkundige P. Brooshooft en C.Th. van Deventer, publicist over Ned.-Indië, rekenen tot de belangrijkste theoretici van de 'ethische politiek', een politiek die ten slotte in de troonrede van 1901 werd aangekondigd als een nieuw regeringsbeleid.

Als socialistisch 'ethicus' was Van Kol aanvankelijk een fel criticus van de oorlog in Atjeh, maar geen stelselmatig bestrijder van de pacificatiepolitiek in Indië als zodanig. Na een studiereis in 1902 door de gehele Archipel schreef hij in zijn uitvoerige verslag Uit onze koloniën dat de pacificatie, ook van Atjeh, in het belang van de inheemse bevolking zo gauw mogelijk voltooid moest worden. In de Kamer zelf kon hij aanvankelijk weinig gehoor vinden voor zijn kritiek en voorstellen, mede omdat de socialistische fractie parlementair nog niet geaccepteerd was en Van Kol zich meer als prediker dan als politicus gedroeg. Met een welsprekendheid die vermoeiend was richtte hij zich met luide stem tot de geachte afgevaardigden. Traag en verlaat vonden zijn plannen erkenning: voorstellen tot verbetering van de arbeidstoestanden op de plantages in Deli, tot uitbreiding en modernisering van de irrigatie, tot afschaffing van het batig slot - dat weliswaar reëel niet meer bereikt werd maar nog wel in principe gehandhaafd was - werden, na aanvankelijk weggehoond te zijn, later doorgevoerd. Zijn pleidooi voor staatsexploitatie van de mijnen en verkoop van een groot deel van het koloniaal bezit (buiten Java) vonden ook op langere termijn weinig weerklank. Van Kol was geen principieel tegenstander van het kolonialisme, dat hij als langdurige overgangsfase voor de overzeese volken onvermijdelijk vond, maar hij wilde de vele excessen door toezicht en socialisatie wegnemen.

Ook in zijn eigen partij nam Van Kol een eenzame positie in, omdat hier nu eenmaal weinig belangstelling bestond voor koloniale vraagstukken. In de internationale socialistische organisatie was deze weliswaar groter - op het congres van de Tweede Internationale in Stuttgart in 1907 was Van Kol een van de belangrijkste woordvoerders namens de behoudende vleugel - maar juist deze organisatie sprak zich op het congres van 1907 in meerderheid uit tegen elke vorm van koloniaal beheer en was daarmee radicaler dan Van Kol ooit kon zijn. Onder deze omstandigheden was het begrijpelijk dat hij in 1909 niet meer voor de Kamer herkozen werd. Als expert in koloniale kring begon hij nu echter erkenning te krijgen. Op verzoek van de Franse regering maakte hij in 1911 een studie van enkele Franse koloniale stelsels, en in 1915 reisde hij in opdracht van de Nederlandse regering naar Japan om na te gaan of er uit de Japanse industriële ontwikkeling lessen voor Indië getrokken konden worden. De SDAP maakte van haar kant ook nog enig gebruik van Van Kols bekwaamheden: in 1913 kwam hij door de stemmen uit de Friese Provinciale Staten in de Eerste Kamer. Het leek er nu zelfs even op dat hij bij de kabinetsformatie minister van Koloniën zou kunnen worden, maar uiteindelijk zag de SDAP van regeringsverantwoordelijkheid af.

Zo had Van Kol jarenlang zitting in de Eerste Kamer, totdat hij zich in 1924 vrijwillig terugtrok. Binnen de partij behoorde hij steeds duidelijker tot de gematigd-reformistische vleugel - bij de revolutiepoging in november 1918 was hij een van de felste opposanten van Troelstra. Intussen taande zijn invloed in de koloniale politiek, zoals bij alle ouder wordende 'ethici' het geval was, vooral door de veranderende omstandigheden in Indië.

Al in een eerdere fase van zijn leven had Van Kol getoond belangstelling te hebben voor andere problemen dan die van politiek of waterstaat. Met de bekende Indonesische schrijfster Kartini had hij vroeger reeds spiritistische séances gehouden. In 1920 was hij een van de oprichters geweest van de Vereeniging 'De Wichelroede', die dit instrument voor het vinden van waterbronnen en aardstralen wilde propageren. Hij begon zich ook aangetrokken te voelen tot de theosofie.

Tot het laatst toe actief, maakte Van Kol bij een reis in Frankrijk in 1925 een lelijke val en enkele dagen later overleed hij in zijn buitenhuis te Aywaille in de Ardennen.

A: Collectie-Van Kol in Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Bibliografie in onder L genoemd artikel van J.E. Stokvis.

L: A.W. IJzerman, in De Indische Gids 47 (1925) 865-881; R.A. van Sandick, in De Ingenieur 41 (1926) 1025-1028; E.J. Stokvis, in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1931-1932, 193-241; P. van 't Veer, 'Het einde van een eeuw. Ir. Henri Hubertus van Kol, 1852-1925', in Geen blad voor de mond. Vijf radicalen uit de negentiende eeuw (Amsterdam, 1958) 183-217; D.M.G. Koch, Batig slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam, [I960]) 87-96; F. Tichelman, 'De SDAP en Indonesië, 1897-1907. Enkele gegevens en problemen', in De Nieuwe Stem 22 (1967) 683-723; E. Hansen, 'Marxists and imperialism: the Indonesian policy of the Dutch Social Democratie Werkers Party, 1894-1914', in Geld en geweten. Samengest. en ingel. door C. Fasseur ('s-Gravenhage, 1980) I, 214-235.

I: D.M.G. Koch, Batig Slot. Figuren uit het Oude Indië (Amsterdam, [I960]) fotokatern.

F.G. van Baardewijk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013