Kolfschoten, Henri Anthonij Melchior Tieleman (1903-1984)

 
English | Nederlands

KOLFSCHOTEN, Henri Anthonij Melchior Tieleman (1903-1984)

Kolfschoten, Henri Anthonij Melchior Tieleman, minister van Justitie en burgemeester (Arnhem 17-8-1903 - 's-Gravenhage 2-8-1984). Zoon van Richardus Cornelus Johannes Tieleman Kolfschoten, wijnhandelaar, en Theresia Ludgarda Deurvorst. Gehuwd op 4-10-1932 met Rinske Titia Ferwerda. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 5 dochters geboren. afbeelding van Kolfschoten, Henri Anthonij Melchior Tieleman

Kolfschoten ging, na de lagere school in Arnhem, in 1915 naar het gymnasium van de jezuïeten te Katwijk aan den Rijn. Van 1921 tot 1926 studeerde hij rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna vestigde hij zich in Den Haag, waarheen het gezin in 1925 na het overlijden van zijn vader op aanraden van de huisvriend jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck was verhuisd. Ruijs bezorgde hem een werkkring bij de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en trok hem tussen 1928 en 1933, in welke periode zijn derde premierschap viel, ook aan als particulier secretaris.

De belangstelling voor de katholieke politiek had Kolfschoten van huis uit meegekregen. Zijn vader speelde jarenlang een eerste rol in de Arnhemse gemeenteraad. Maar de zoon was toch meer organisator dan politicus. Ruijs voegde hem aanvankelijk als assistent toe aan de adjunct-secretaris van de partij, maar al in 1927 nam Kolfschoten diens plaats in. Hij werd belast met het opzetten van een professioneel secretariaat en organiseerde de door Ruijs geïnitieerde inzamelingsactie voor de stichting van het Dr. Schaepmanfonds. Dit fonds kocht in Den Haag het pand Mauritskade 25, en daar werd in 1938 het partijbureau gevestigd, waarvan Kolfschoten de eerste directeur was.

Nadat de RKSP in juli 1941 door de bezetter verboden was, rekte Kolfschoten het liquidatieproces langer dan een jaar om zoveel mogelijk bezit in veiligheid te brengen. Van meet af aan nam hij deel aan het illegale overleg over vraagstukken van de dag en van de toekomst, aanvankelijk in de groep-Scholten, later ook in het Politiek Convent en het Vaderlands Comité, waartoe Drees hem als vertegenwoordiger van de RKSP had uitgenodigd, toen niemand van de eerste garnituur meer beschikbaar bleek. Zodoende behoorde hij na de bevrijding tot de representanten van het politieke en maatschappelijke leven die de Koningin voorlichting gaven over wat er diende te gebeuren.

Als directeur van het partijbureau raakte Kolfschoten na 5 mei 1945 natuurlijk ook actief betrokken bij de heroprichting van de katholieke partij. Maar niet voor lang, want in juni trad hij toe tot het kabinet-Schermerhorn-Drees, op persoonlijke titel en tegen het advies van partijprominenten in. Hij vond de toekomst in de katholieke partij te ongewis, en het vooruitzicht om weer salaris te genieten trok hem zeer; sedert de liquidatie van de RKSP was hij zonder inkomsten gebleven en had hij uiteindelijk bisschoppelijke steun moeten aanvaarden.

In het kabinet kreeg Kolfschoten Justitie toebedeeld, wegens het gecompliceerde vraagstuk van de bijzondere rechtspleging een weinig benijdenswaardige portefeuille. Snelheid in de berechting paren aan een de rechtsstaat waardige rechtsgang was een onmogelijke opgave wegens het gigantische aantal politieke delinquenten (zomer 1945 honderdduizend). Daarom riep Kolfschoten met het Besluit Politieke Delinquenten 1945 de mogelijkheid in het leven lichte gevallen voorwaardelijk buiten vervolging te stellen en zorgde hij met de instelling van het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging voor een betere coördinatie van het totale beleid. Veel effect sorteerden deze maatregelen aanvankelijk niet; individualisering van de collaboratie en dus van de strafmaat stuitte nog op psychologische barrières. Maar het is een belangrijke verdienste van Kolfschoten dat hij in dit met heftige emoties omgeven vraagstuk, tegen talrijke maar begrijpelijke weerstanden in, een beleid uitstippelde dat tot nuancering gebood en daardoor deze erfenis van 1940-1945 beheersbaar maakte; zijn opvolgers hebben er veel baat van gehad.

Minder gelukkig was het beleid inzake de Hoge Raad, wiens zuivering mislukte, en ten aanzien van de doodstraf. Kolfschoten meende dat het moreel van het Nederlandse volk de tenuitvoerlegging van slechts enkele tientallen doodstraffen kon verdragen. Doordat de richtlijnen op dit punt nimmer openbaar zijn gemaakt, vatte later de gedachte post dat alleen numerieke overwegingen bepalend waren voor de gratiëring, en dat leidde er weer toe dat men zich ook ging verzetten tegen voortgaande kwijtschelding van levenslange gevangenisstraf voor gegratieerde ter dood veroordeelden, hetgeen decennialang pijnlijke discussies onder het publiek losmaakte.

Met kracht verzette Kolfschoten zich tegen het verlangen van de Tweede Kamer de krachtens staatsnoodrecht genomen wetsbesluiten uit de parlementsloze periode tussen mei 1940 en november 1945 te legaliseren. Hij wenste niet het risico te lopen dat de morele grondslag van de instituten die op basis van de wetsbesluiten waren opgetrokken, vooral die van de bijzondere rechtspleging, ondergraven zou worden. Hij kreeg de Kamer op de knieën door te dreigen de Koningin niet langer te adviseren gratie met betrekking tot doodvonnissen af te wijzen, als de mogelijkheid bestond dat de doodstraf in het parlement zou worden afgewezen.

Na zijn ministerschap verliet Kolfschoten de landspolitiek, al was hij van 23-7-1946 tot 12-7-1952, met een onderbreking van juli 1948 tot juli 1949, lid van de Eerste Kamer. In september 1946 werd hij benoemd tot burgemeester van Eindhoven. Daar trof hij een dynamische omgeving aan, waar hij zich als organisator snel thuis voelde. Onder zijn burgemeesterschap kwam de door de oorlog zwaar geteisterde stad in de steigers te staan in eendrachtige samenwerking van gemeentebestuur en de top van Philips. Voor zichzelf zag Kolfschoten vooral de rol van 'ambassadeur' weggelegd; hij kende de weg in de Haagse bureaucratie, waar hij, als plannen dreigden vast te lopen, de juiste deuren wist te openen. Op cultureel gebied had hij een wezenlijk aandeel in het beleid rond het Stedelijk Van Abbe Museum en de schouwburg. Hij haalde de Technische Hogeschool binnen en stimuleerde de stichting van de 'Wetenschappelijke Bibliotheek' als een op de geesteswetenschappen gerichte tegenhanger.

In Eindhoven raakte Kolfschoten doorkneed in de wederopbouwproblematiek. Men zag hem dan ook ongaarne vertrekken, toen hij in 1957 in Den Haag benoemd werd. Deze benoeming wekte in de hofstad aanvankelijk groot verzet in protestantse kring; Kolfschoten was de eerste niet-protestantse burgemeester sinds de Reformatie. Maar het bezwaard gevoel veranderde snel in vertrouwen en waardering, en bij zijn afscheid in 1968 was geen wanklank meer te horen. Voor de wat in de versukkeling geraakte stad bleek de energieke Kolfschoten een juiste keuze. Met dezelfde dynamiek als in Eindhoven gaf hij ook hier leiding aan de wederopbouw en de aanpassing aan de eisen van de tijd. Onder zijn bewind veranderde het stadssilhouet ingrijpend en begon Den Haag een grootsteeds karakter te krijgen: tal van torengebouwen verrezen of er werden de grondslagen voor gelegd, en ter verhoging van het imago van de stad, nationaal en internationaal, bevorderde hij de totstandkoming van het Nederlands Congresgebouw. Grote zorg vervulde hem de woningbouwproblematiek. Vóór hem dachten de Haagse gemeentebestuurders die door annexatie te kunnen oplossen. Toen Kolfschoten arriveerde, heerste er dan ook een gespannen verhouding met de buurgemeenten. Hij verbeterde die aanmerkelijk door annexatie resoluut af te wijzen en een samenwerkingsverband te bepleiten van een niet te zwaar kaliber, zonder bestuurlijke logheid. De oplossing van de woningbouwproblematiek zocht hij in de vestiging van een satellietstad van 100.000 inwoners tussen Voorburg en Zoetermeer. Daartoe lanceerde hij het project Wilsveen, dat onder de verantwoordelijkheid van een aantal samenwerkende gemeenten zou moeten worden uitgevoerd. Maar de regering koos in 1962 voor uitbreiding van Zoetermeer. Kolfschoten was diep teleurgesteld door de ambtelijke aarzeling om een voor die tijd opmerkelijke innovatie te wagen, te meer toen bleek dat de uitbreiding van Zoetermeer goeddeels zou geschieden in het gebied waar Wilsveen was gepland.

Door de wijze van ambtsvervulling verwierf Kolfschoten zich een voorname plaats in het burgemeesterscorps, hetgeen blijkt uit het voorzitterschap van het door hemzelf opgerichte Nederlands Genootschap van Burgemeesters (1955- 1968) en van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (1957-1965). Behalve een actief lidmaatschap van de redactieraad van het weekblad De Gemeentestem, publiceerde hij regelmatig met gezag over gemeentelijke vraagstukken, o.a. in De Nederlandse Gemeente. Kolfschoten was in al zijn functies een opvallende burgemeester. Hij droeg het ambt met uiterlijk waarneembare waardigheid. Decorum vond hij functioneel ter ondersteuning van het gezag, en toch was hij het tegendeel van een autoritaire magistraat. In beide gemeenten aan het hoofd waarvan hij vele jaren heeft gestaan, wordt hij tot de groten onder de burgemeesters gerekend. Zijn faam heeft hij mede gevestigd door zijn bijzonder redenaarstalent. Zijn redevoeringen getuigden van speelsheid en kenmerkten zich voorts door eruditie en zwier, maar ook door een zekere hoofsheid, waardoor hij niet voor iedereen verstaanbaar was. Daar stond tegenover dat zijn persoonlijke charme en beminnelijkheid in de omgang afstanden overbrugden. Veel baat vond hij bij zijn grote gevoel voor humor, dat hij graag als spreker of voorzitter als bevrijdend en relativerend gebruikte. Hij wist dit middel in spannende raadsvergaderingen 'getimed' te hanteren.

In de publieke ambten onderscheidde Kolfschoten zich ook met een opvallend doorzettingsvermogen in moeilijke situaties, een eigenschap die al in zijn vroegste jeugd tot ontwikkeling was gekomen. Tot zijn negende jaar had hij wegens een aangeboren voetvervorming van zg. horrelvoeten in beugels moeten lopen, een handicap die hij de baas wenste te blijven en hem in wils- en geestkracht juist sterkte. Een chirurgische ingreep hielp hem van de ongelukkige voeten af. In later jaren beoefende hij hartstochtelijk de bergsport en was hij een prominent lid van de Koninklijke Nederlandse Alpinistenvereniging.

Na zijn pensionering in 1968 gunde Kolfschoten zich tijd voor zijn hobbies: het lezen van cultuurhistorische en geestelijke literatuur, het vioolspel (dat hij al in het studentenorkest beoefende en waarmee hij in zijn Eindhovense tijd wel eens openbare plechtigheden opluisterde) en vooral het wandelen. Naast een aantal commissariaten vervulde hij het voorzitterschap van de Nederlandse Hartstichting en trad hij bij diverse publieke gebeurtenissen van uiteenlopende aard op als feestredenaar. Ook toonde hij zich geëngageerd met de ontwikkelingen in de katholieke kerk als representant van de meer traditionele richting; hij behoorde tot de oprichters van het conservatieve Katholiek Nieuwsblad. Kolfschoten heeft zijn leven lang blijk gegeven van de voor een bestuurder belangrijke kwaliteit van onafhankelijkheid. In zijn levensavond bracht hem dat ertoe om, zonder overigens onverdraagzaam te zijn, zich openlijk te weer te stellen tegen de permissieve houding op het gebied van gezag, ethiek en geloofsleer.

A: Gedeponeerd archief in het archief van de Roomsch-Katholieke Staatspartij, Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen.

P: 'Bestendigen en versterken', in Onder nieuwe verhoudingen. Redevoeringen... ('s-Gravenhage, 1937) 3-21; 'Ochtendgloren', in Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd [Onder red. van J.J. van Bolhuis et al.] (Arnhem [etc. 1947 -1954. 4 dl.]) IV, 749-759 samen met W. Schermerhorn; 'Bestuursproblemen van grote agglomeraties', in Gemeentelijk Jaarboek 1957. 7-29; 'Hoe behoort, anders dan door anexatie, het bestuur van een stedelijke concentratie, die de grenzen van één gemeente te buiten gaat, wettelijk te worden geregeld?', in Handelingen der Nederlandse Juristenvereniging 89 (1959) 77-138; 'Den Haag, stad met vele gezichten', in Maatschappij-belangen 129 (1965) 210-219; samen met L.A. Dijckmeester-de Brauw, De burgemeester en de burgemeestersvrouw (Alphen aan den Rijn, 1966); 'Plaatselijk straf- en orderecht', in Bestuurswetenschappen 22 (1968) 242-260; Sprekend een burgemeester [Observaties, kenschetsen, meningen en beschouwingen van mr. H.A.M.T. Kolfschoten...] (Alphen aan den Rijn, 1968); Taalperikelen. Rede uitgesproken bij de opening. .. van de School voor Taal en Letterkunde op 2 september 1978 ('s-Gravenhage, [1978]).

L: [A.] G. Pikkemaat, 'Mr. Henri Kolfschoten een burgemeester', in Regenten en magistraten (Alphen a.d. Rijn, 1967) 212-226; F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet-Schermerhorn-Drees 24 juni 1945 -3 juli 1946 (Amsterdam [etc.], 1977); A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen, 1978); Henri Lenferink, 'De terugkeer van een katholieke eenheidspartij na de Tweede Wereldoorlog', in Jaarboek Katholiek Documentatie Centrum 1980, 80-117; J.P.M, van Oorschot, Eindhoven. Een samenleving in verandering. Deel 2: 1920 - I960 (Eindhoven, 1982); necrologieën in Haagsche Courant. 4-8-1984; S.O. van Poelje, in De Nederlandse Gemeente 38 (1984) 621-622; H.F. Happel, in Jaarboek 1985 Geschiedkundige Vereniging Die Haghe, 234-235.

I: J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij 1945-1980. Band I. Herkomst en groei (tot 1963) (Nijmegen 1995) 125.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013