Kuipers, Tjeerd (1857-1942)

 
English | Nederlands

KUIPERS, Tjeerd (1857-1942)

Kuipers, Tjeerd, architect (Gorredijk 21-12-1857 - Laren 13-11-1942). Zoon van Egbert (Roels) Kuipers, timmerman-aannemer, en Jantje (Tjeerds) Wiegersma. Gehuwd op 11-10-1894 met Carolina Maria Rapp. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Tjeerd Kuipers werd, evenals zijn broers Roelof (geboren 1855) en Foeke (geboren 1871), die ook architect werden, grootgebracht in een familiekring, waarin het bouwvak centraal stond. De vader was als aannemer betrokken geweest bij de bouw van kerken, openbare gebouwen, restauraties en waterstaatswerken in Friesland en werkte omstreeks 1880 in de omgeving van Amsterdam. Na de HBS-opleiding was Tjeerd Kuipers dan ook bij architect J.P.J. de Rooy te Leeuwarden in de leer gegaan om vervolgens bij Gemeentewerken te Meppel te werken. Met het ouderlijk gezin trok hij omstreeks 1880 naar Amsterdam. Hier ging hij eerst werken bij het bureau Salm en daarna bij het bureau Sanders en Berlage. In 1884 won hij op de internationale landbouwtentoonstelling te Amsterdam de eerste prijs voor boerderijbouw; een derde prijs won hij in 1902 op een zelfde tentoonstelling te Leeuwarden. Toch heeft Kuipers zich niet tot boerderijbouwer ontwikkeld.

In 1890 won hij niet alleen de prijsvraag voor een kerkgebouw voor de Doopsgezinde Gemeente te Deventer, maar hij kreeg er tevens de opdracht om het gebouw tot stand te brengen. Er waren toen al drie kerken voor de dolerenden door hem gebouwd; de Funenkerk te Amsterdam (1888/ 1889; in 1974 gesloopt), die van Heeg (1889) en de Nieuwe Westerkerk in de Ammanstraat te Rotterdam (1889/1890, verwoest in 1940). Het zijn de vroegste kerken van Nederland in een zuivere neorenaissance stijl. Dit was geheel in de lijn van de theoreticus van de dolerenden, Abraham Kuyper, die in een artikelenreeks in De Heraut de gotiek afwees ten gunste van de renaissance. Nog belangrijker dan het stilistisch gezicht dat Kuipers en Kuyper de kerken van de dolerenden gaven, zijn de uitgesproken ideeën over de ruimtelijke organisatie en indeling, van de gebouwen. Kuyper meende voor de liturgie van de gemeenschap vergaderzalen nodig te hebben met een amfitheatersgewijze indeling, en Tjeerd Kuipers heeft dit model in 1898 met de Wilhelminakerk te Dordrecht uitgevoerd (inmiddels intern verbouwd). De handelingen voor de dienst van het woord en de sacramenten doop en avondmaal konden zo plaatsvinden in het midden van de gemeente. Na Dordrecht is de amfitheatersgewijze ruimte nog een keer toegepast, opnieuw door Tjeerd Kuipers met de gereformeerde Koepelkerk te Leeuwarden in 1923.

In de ongeveer 50 kerken die Kuipers voor gereformeerde gemeenten bouwde, lette hij overigens ook wel op een zo centraal mogelijk gerichte opstelling. Aanvankelijk een aanhanger van de neorenaissance, ontwierp Kuiper later in een menging van historische stijlen, zoals bij de Oosterkerk te 's-Gravenhage (1895/1896, inmiddels gesloopt na jarenlang voor culturele doeleinden te zijn gebruikt). Maar tegen de eeuwwisseling namen in het algemeen toch de bezwaren tegen de historische bouwstijlen toe en ook Kuipers zocht zijn architectonische taal te vernieuwen. Aanvankelijk bouwde hij in een eclectische stijl, die sterk aanleunde tegen het functionalisme van H.P. Berlage met ruime toepassing van ornament. Een van de fraaiste voorbeelden in deze decoratieve stijl is de Zuiderkerk (1901) te Groningen. Het werk versoberde echter in de loop van de tijd, zonder daarbij de traditionele geleding van het kerkgebouw te verlaten. Dit is te bemerken bij de kerken te Wildervank, Hallum (1912), de Bergsingelkerk (1914), de Boergoendsekerk te Rotterdam en de kerken te Delft (1924, inmiddels gesloopt), Bussum (1926), Brussel en Medan. Voor de laatstgenoemde kerk ontwikkelde hij de plannen, maar Kuipers was niet bij de uitvoering aanwezig. Kuipers heeft veel verbouwingsplannen voor kerken gemaakt en hij leidde restauraties van kerken te Uitgeest, Oud-Beijerland en Rijssen.

Naast de kerkbouw heeft Tjeerd Kuipers nog tijd gehad om vaak aanzienlijke opdrachten uit te voeren op het gebied van woning-, winkel- en kantoorbouw en de bouw voor instellingen. De opdrachten kwamen veelal voort uit een zelfde confessionele hoek, zoals de medewerking bij de bouw en uitbreidingen van de Theologische School van de Gereformeerde Kerken te Kampen, het Gereformeerd Gymnasium te Amsterdam en verschillende andere scholen. Ook het Juliana-ziekenhuis in de Ter Haarstraat te Amsterdam, enkele gedeelten van het krankzinnigengesticht Veldwijk te Ermelo en het gebouw van de Johannes-stichting te Huis ter Heide (1926) zijn van zijn hand. Voor de woningbouwvereniging Patrimonium ontwierp hij, soms in samenwerking met A. Ingwersen, woningcomplexen te Amsterdam (Spaarndammerbuurt en de Ganzenweg en Nachtegaalstraat), Zaandam, Haarlem, Utrecht en Bussum. Buiten al deze opdrachten uit gereformeerde hoek, voerde Kuipers ook de bouw uit voor andere opdrachtgevers. Vooral de bouw van vroeger tijd zijn in dit opzicht hoogtepunten van Kuipers' bouwkunst te noemen. Reeds in 1894 ontwierp hij voor de Roemer Visscherstraat te Amsterdam zeven herenhuizen, de zg. Zeven Landen, die in historische bouwstijlen op welhaast exuberante wijze poogden het kenmerkende weer te geven voor de verschillende in de bouw gepresenteerde landen. Bekend bleef ook zijn Synagoge te Groningen (1907, gerestaureerd in 1981), die in min of meer oriëntaalse stijl werd opgetrokken.

A: Fragmentarisch archief in het Nederlandse Documentatiecentrum voor de Bouwkunst te Amsterdam.

L: J.H. van der Veen, 'Collega Tjeerd Kuipers te Bussum 80 jaar', in Bouwkundig Weekblad Architectura 58 (1937) 477; 'Tjeerd Kuipers overleden', in De Standaard, 14-11-1942; Ed Taverne, 'Er staat nog een sjoel in de Folkringestraat', in Wonen-TA/ BK 3 (1975) 22 (november) 21-28; Peter Karstkarel en Rienk Terpstra, 'De gebroeders Kuipers. Architectuur in een overgangstijd', ibidem, 4 (1976) 2 (januari) 5-15; Peter Karstkarel, 'Rooms en fijn', in Mededelingen van het Instituut voor liturgiewetenschap van de Rijksuniversiteit te Groningen 17 (1982) 16 (september) 74-88; H.J.Ph.G. Kaajan, 'Van Oosterkerk naar Christus Triumfatorkerk', in Jaarboek geschiedkundige vereniging Die Haghe 1987, 228-247.

G.P. Karstkarel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013