Levy, Isaac Abraham (1836-1920)

 
English | Nederlands

LEVY, Isaac Abraham (1836-1920)

Levy, Isaac Abraham, jurist (Doetinchem 18-2-1836 - Amsterdam 17-3-1920). Zoon van Abraham Isaak Levy, looier, en Rozetta van Gelder. Gehuwd op 2-6-1868 met Mathilde Rosenthal. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Levy was afkomstig uit een eenvoudig joods gezin. Dank zij financiële steun van de joodse staatsraad in buitengewone dienst en administrateur van het Kroondomein L.W. van Mesritz kon hij de Franse school van G.A. Burnier te 's-Gravenhage, waarheen het gezin verhuisd was, bezoeken en op 3 september 1855 zich laten inschrijven in de letteren en rechten te Leiden. Op 25 april 1860 sloot hij zijn studie in de beide rechten magna cum laude af met een proefschrift bij prof. J.E. Goudsmit over De in den handel gebruikelijke beleenings- en prolongatie-contracten ('s-Gravenhage, 1860). Daarna volgde vestiging als advocaat in Amsterdam. Hij had een voornamelijk privaatrechtelijke praktijk. Daarnaast hield hij zich zowel mondeling als in geschrifte met juridische en sociaal-politieke vraagstukken bezig.

Niet alleen op het gebied van het burgerlijk en handelsrecht was hij actief, maar ook op strafrechtelijk terrein. Zo had Levy in zijn geschrift De jury (Amsterdam, 1871) geen goed woord over voor dit instituut. In 1908 zou hij in een substantieel preadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging (NJV) deelneming van leken aan rechtspraak ook radicaal afwijzen. In zijn brochure Anathema sit! Een protest ('s-Gravenhage, 1881) drong hij aan op afschaffing van de eed. In 1882 nam hij zeer nadrukkelijk deel aan de discussie binnen de NJV tegen de wettelijke en voor de vrije bewijsleer in de rechtspraak. In 1886 mengde hij zich met zijn brochure De Amsterdamsche kerktuchtzaak naar rechten ('s-Gravenhage, 1886) in een conflict over het beheer der kerkelijke goederen van de Nederlandsche Hervormde Kerk. Levy koos voor de Ned. Herv. Kerk. Zijn inmenging was pikant omdat deze liberaal niets van confessionelen en hun instituten moest hebben.

Op rechtswijsgerig gebied was Levy eveneens strijdbaar. Zo keerde hij zich tijdens de gratiebeweging rond F. Domela Nieuwenhuis in 1887 tegen Allard Piersons opvatting dat men bij het gratieprobleem voor een vraag stond die niet de wetenschap, maar het gevoel raakte. Volgens Levy in de NRC van 6 augustus 1887 waren rechtsbedeling en gevoel niet verenigbaar. Als ideaal van de rechtsstaat op strafrechtgebied zag hij een juiste verhouding tussen schuld en boete. In kringen rond Pierson - en vooral in Domela's blad Recht voor Allen - werd hem deze opvatting niet in dank afgenomen. Zo was hij evenmin persona grata bij degenen die de zg. nieuwe richting in het strafrecht voorstonden. In zijn Indeterminisme (Leiden, 1901) nam hij krachtig stelling voor de vrije wil; ook moest o.a. A. Aletrino, Twee opstellen over crimineele anthropologie (Leiden, 1901) het ontgelden. Levy verdedigde de vrijheid van de wil als grondslag van toerekenbaarheid en verantwoordelijkheid. Hij was voorstander van het vergeldings-beginsel der straf, al stond hij niet volledig afwijzend tegenover individualisering van de straf en het onbepaalde vonnis. Tot op hoge leeftijd was hij in het rechtswijsgerig denken geïnteresseerd, wat blijkt uit het feit dat Levy in 1918/ 1919 tot de oprichters van de Vereeniging voor wijsbegeerte des rechts behoorde.

Actief was Levy verder o.a. als redacteur van 1862 tot 1864 van De Juridische Correspondent, als ingezonden-stukkenschrijver van het Weekblad van het Recht en als medewerker van 1883 tot 1920 van het tijdschrift Themis. Zijn grote kennis werd zowel binnen als buiten het bestuur van de NJV, waarvan hij intermitterend deel uitmaakte, hogelijk gewaardeerd. Als preadviseur trad hij bijv. ook op voor de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, o.a. in 1909 en 1911 (zie verder 100 jaar preadviezen (Deventer, 1970) 62). In 1914 volgde zijn benoeming tot erelid van de NJV.

Levy's juridische veelzijdigheid en geleerdheid hebben in 1877 tot verwondering van sommigen niet geleid tot een hoogleraarsbenoeming in de wijsbegeerte aan de toen opgerichte Universiteit van Amsterdam. Later wees Levy een aanbieding als hoogleraar in het privaatrecht te Groningen af. Evenzeer heeft het in bepaalde kringen verbazing gewekt dat zijn wetenschappelijke verdiensten geen erkenning hebben gevonden in een lidmaatschap van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Wel werd hij in 1877 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden.

Levy was ook sterk geïnteresseerd in politieke en sociale vraagstukken. Zo was hij in de Amsterdamse kiesvereniging 'Burgerpligt' een man van gezag, wiens geschrift in 1876 over de door hem bewonderde J.R. Thorbecke een bijdrage leverde tot de oprichting van diens standbeeld in de hoofdstad. Mede op Levy's initiatief kwam in 1885 de Liberale Unie tot stand, waar hij zich overigens al spoedig uit het bestuur terugtrok, omdat het kiesrechtvraagstuk volgens hem te weinig aandacht kreeg. Niet alleen binnen, maar ook buiten de eigen kring riep de oprichting reacties op. Zo noemde de antirevolutionair L.W.C. Keuchenius de Liberale Unie een 'kind, geboren uit het huwelijk van eenen joodschen vader en eene heidensche moeder, maar nog vóór het loopen kon, door den vader lam en kreupel geslagen' en de aanhangers 'Levy-iten' (zie onder L: Taal, 106) - een omschrijving die Levy's sympathie, die hij toch al voor deze confessionele staatkundige richting onder controle had, bepaald niet zal hebben doen toenemen. Levy beschouwde ieder - vrouwen niet inbegrepen - 'kiesgerechtigd, tenzij blijkbare onbekwaamheid te zijnen nadeel gelde' (Kiesrecht krachtens rechtsbekwaamheid ('s-Gravenhage, 1885) 12). De wet diende volgens hem de onbekwaamheid aan te duiden. Met deze opvatting behoorde Levy tot de meer geavanceerde liberalen en week hij in dit opzicht toen niet af van de mening van bijv. J. de Koo, hoofdredacteur van het dagblad De Amsterdammer. De Koo deed in 1885 op Levy een beroep, omdat zijn blad in financiële problemen zat. Niet tevergeefs: Levy werd in 1886 commissaris van de maatschappij die het blad exploiteerde. Maar toen in 1887 dit periodiek in radicale handen kwam trad Levy terug (zie onder L: Scheffer, 264-267). Van november 1887 tot maart 1888 maakte hij deel uit van de Tweede Kamer voor de Liberale Unie voor het hoofdkiesdistrict Alkmaar, en in 1891 kwam hij opnieuw in het parlement voor het district Amsterdam; hij behoorde tot de Takkianen die uitbreiding van het kiesrecht voorstonden. Na de val van het kabinet-Van Tienhoven-Tak van Poortvliet zou hij niet meer herkozen worden.

Levy gaf blijk van een grote sociale bewogenheid, die hij met de sociaal-democraten deelde, maar de weg en het doel die zij voor ogen hadden wees hij af. Zo kwam hij op voor kinderbescherming en voor verzorging van verwaarloosde kinderen, publiceerde hij over arbeidsraden, collectieve arbeidsregeling, vakverenigingen en werkloosheid. Ook keerde hij zich krachtig tegen het ongevraagd ontslag van de gehuwde onderwijzeres (1908) en bepleitte hij verruiming van de echtscheidingsgronden (1910).

Al deze activiteiten heeft hij zestig jaar lang weten te verenigen met zijn advocatenpraktijk. Een bewonderenswaardige prestatie. Levy's publicistische produktie op juridisch, staatkundig en sociaal terrein is geweldig geweest - 'Als ie niet l.lde. Dan schreef ie' (Asmodée, 22-3-1888) - soms eigengereid, maar altijd met een open en onafhankelijke opstelling. Toch kan men aan zijn invloed buiten zijn eigen tijdskader geen al te grote betekenis toekennen, behalve wellicht op rechtswijsgerig gebied. Wel was hij een man van gezag, die als redenaar met een grote eruditie -zijn kennis van Kant, maar ook van Beethoven was bepaald niet gering - en eloquentie, gelardeerd met bon mots, zijn gehoor wist te boeien en tot tegenspraak te prikkelen, of dat nu op een partijbijeenkomst of voor een gezelschap van juristen was. Een man die zich in het voetspoor van Thorbecke een krachtig pleitbezorger voor recht en vrijheid getoond heeft. Kortom een liberaal in de beste traditie.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties en talloze artikelen in o.a. De Tijdspiegel, De Economist, Tijdschrift voor Strafrecht en Vragen des Tijds: Het algemeene Duitsche Handels-Wetboek vergeleken met het Nederlandsche Wetboek van Koophandel (Amsterdam, 1869); Rekening-courant ('s-Gravenhage, 1873); Engelsch ,,katheder-socialisme" ('s-Gravenhage, 1879); Wet of tractaat? ('s-Gravenhage, 1880); Het rechtskarakter der firma ('s-Gravenhage, 1881); Actiënrecht ('s-Gravenhage, 1884); C.W. Opzoomer, Burgerlijk Wetboek verklaard. Voortgezet door I.A. Levy dl. 12-16 (Amsterdam, 1900- 1911).

L: Behalve herdenkingsartikelen in NRC, 24-4-1910 ocht.; De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland, 24-4-1910 en 27-3-1920; Nieuws van den Dag, 17-3-1920 av.; Algemeen Handelsblad, 17-3-1920 av. en 19-3-1920 ocht.: H. Blink, 'Mr. J.A. Levy in de lijst van zijn tijd', in Vragen van den Dag 18 (1903) 1-18; J. Domela Nieuwenhuis, 'Mr. I.A. Levy', in Mannen en vrouwen van beteekenis N.R. I: 3 (Baarn, 1916); idem, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afgestorven medeleden 1919-1920, 32-40; J.C. van Oven, 'J.A. Levy als rechtsgeleerde', in Nieuws van den Dag, 19-3-1920 av.; [Red.], in Rechtsgeleerd magazijn 39 (1920) 392 - 394; D. Simons, in Weekblad van het Recht 82 (1920) nr. 10534.4; A.J. Rethaan Macaré, in Tijdschrift voor armenzorg en kinderbescherming 21 (1920) 53; W.P.J. Pompe, Geschiedenis der Nederlandse strafrechtswetenschap sinds de codificatie-beweging (Amsterdam, 1956 [1957]) [Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap II, afl. 3]; H.J. Scheffer, Henry Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes (Bussum, 1976); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872 -1901 ('s-Gravenhage, 1980).

J. Charité


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013