Linthorst Homan, Johannes (1903-1986)

 
English | Nederlands

LINTHORST HOMAN, Johannes (1903-1986)

Linthorst Homan, Johannes, magistraat en diplomaat (Assen 17-2-1903 - Rome 6-11-1986). Zoon van Jan (Tijmens) Linthorst Homan, commissaris van de Koningin, en Jeannette Madelaine Staal. Gehuwd op 24-10-1928 met jkvr. Elisabeth Storm van 's-Gravesande. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (28-6-1951) gehuwd op 26-8-1952 met Maria Vittoria Senni. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Linthorst Homan, Johannes

Opgroeiend in de kring van het Drentse establishment beleefde de jonge regentenzoon een onbezorgde jeugd. Na het Asser gymnasium doorlopen te hebben ging Linthorst Homan in 1921 rechten studeren in Leiden. In 1926 vestigde hij zich als advocaat in Assen, maar een bloeiende praktijk werd het niet. Homan sloot zich aan bij de Liberale Vrijheidsbond, waarvoor hij, na in 1932 burgemeester van Vledder geworden te zijn, in 1934 statenlid in Drenthe werd en in 1937 kandidaat voor de Tweede Kamer. Dat hij zich ontpopte als een actief bestuurder, droeg bij tot zijn benoeming tot commissaris van de Koningin in Groningen in juni 1937. Als commissaris spande Homan zich in, de bestaande overheidsbedrijven te bestendigen en de oprichting van nieuwe te bevorderen. Hij probeerde vooral de verzuilde maatschappelijke verhoudingen te doorbreken, omdat deze in zijn ogen bijgedragen hadden tot de ernstige economische en maatschappelijke crisis van de jaren dertig. Hij nam in 1938 het initiatief voor een zogenaamde 'Groninger Dag', waarbij op provinciaal niveau contacten werden gelegd tussen landbouw, nijverheid en handel, bestuur, waterschappen en vertegenwoordigende lichamen. Vervolgbijeenkomsten werden in 1939 en 1940 gehouden.

Na de meidagen werd hij aangenaam verrast door het correcte optreden van de Duitse Feldkommandant in de provincie Groningen, G.J. von Bonin, en diens strikte naleving van het Landoorlogreglement. Minder soepel verliepen voor hem de contacten met de Beauftragte van de Reichskommissar, H. Conring, die zich een uitvoerder van instructies van hogerhand toonde en nauwelijks openstond voor tegenargumenten. Spoedig echter zouden landelijke activiteiten hem zo in beslag nemen dat hij weliswaar op 2 september 1940 tevergeefs ontslag als commissaris van de provincie vroeg, maar praktisch deze functie niet of nauwelijks meer kon uitoefenen. In augustus 1941 zou ten slotte op Duits initiatief toch nog dat ontslag plaatsvinden.

Al dadelijk na de Duitse inval had Linthorst Homan gevreesd dat de bevolking door de psychologische schok van de bezetting in lethargie zou vervallen en ontvankelijk zou worden voor vreemde ideologie. Alleen krachtige morele en zakelijke leiding kon dit, zo meende hij, voorkomen. Hij drong bij generaal H.G. Winkelman en de secretarissen-generaal aan op een landelijke impuls vanuit Den Haag, maar die bleef uit. Ook mislukte nader overleg met de leiders van de politieke partijen, toen een poging van hun kant om te komen tot een nationale bundeling van alle politieke krachten afstuitte op Duitse eisen geen melding te maken van trouw aan het vorstenhuis en de verwachting van Nederlands onafhankelijkheid na het einde van de oorlog. Met J. de Quay en L. Einthoven nam Linthorst Homan daarop het initiatief tot oprichting van De Nederlandsche Unie (24 juli 1940), een politieke nationaal bedoelde beweging, die onder leiding van de drie oprichters - het Driemanschap - zich opwierp in loyale samenwerking met de bezetter Nederland voor te bereiden op een politiek bestel dat na de oorlog een in 'lijf en leden' vernieuwd Nederland zou brengen. Linthorst Homan had binnen het Driemanschap van de Unie de duidelijkste opvattingen over de bestrijding van het heersende defaitisme. Hij achtte propagering van zijn vernieuwingsgedachte ook tijdens de Duitse bezetting nodig en had daar veel concessies voor over tegenover de Duitse autoriteiten. Zijn einddoel was doorbreking van de hokjesgeest, die in zijn ogen verlammend werkte op de bundeling van de volkskracht, nodig om de enorme problemen met goed resultaat te kunnen aanpakken.

Deze Unie kreeg een enorme publieke steun na de oprichting, vooral in de zomer van 1940, en telde reeds in oktober ca. 400.000 geregistreerde leden. Linthorst Homan, zonder twijfel door dit aanvankelijk zo spectaculaire succes aangemoedigd, liet zich door zijn enthousiasme meeslepen en beging daardoor onder de moeilijke bezettingsomstandigheden politieke en tactische fouten. Hij onderschatte het incasseringsvermogen van het Nederlandse volk, en mede daardoor was hij einde 1940 bereid in te gaan op voorstellen tot contacten met het Nationaal Front van Arnold Meyer en de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van A.A. Mussert in een raad van advies - voorstellen overigens die ten slotte tot niets leiden zouden. De Duitse bezetter zag eind 1940 in hem de geschikte man om na het voorgenomen uittreden van De Quay en Einthoven De Nederlandsche Unie te organiseren, en wel volgens het leidersbeginsel. Tot een uittreden kwam het echter niet. In de daaropvolgende maanden werd het duidelijk dat de Duitsers hun geduld begonnen te verliezen en de openbare activiteiten van de Unie steeds meer trachtten af te remmen door vergader- en colportageverboden.

Linthorst Homan was als lid van het Driemanschap niet alleen gedreven door de enorme publieke steun voor de Unie. Ook was hij politiek te naïef om voldoende te doorzien dat hij zich soms begaf in een schemerzone, waar zijn zuivere bedoelingen overschaduwd werden door nationaal-socialistische leuzen over de nieuwe tijd. Hij onderkende evenmin dat ook hijzelf leed onder de psychologische effecten van de nederlaag van mei 1940. Zijn pleidooi voor een compromisvrede - in besloten kring in februari 1941 - bezorgde hem de naam pro-Duits te zijn, en dat maakte hem tot de meest omstreden persoon in het Driemanschap. Voor de Unie zelf zou Homans tactiek weinig baat brengen: het aanvankelijk enthousiasme onder de leden ebde weg, verdeeldheid binnen het Driemanschap verslapte de leiding, en de Duitsers hieven ten slotte in december 1941 de Unie op, omdat zij nu duidelijk voor de NSB als enig erkende politieke beweging in Nederland hadden gekozen.

Na de opheffing bleef Linthorst Homan aanvankelijk op vrije voeten. Op 13 juli 1942 werd hij echter als gijzelaar gearresteerd en overgebracht naar Haaren, later naar St. Michielsgestel. Van het politieke beraad in dit laatste kamp werd hij uitgesloten. Vrijlating op bepaalde voorwaarden bleef hij vanaf eind 1943 weigeren, totdat deze op 20 april 1944 toch plaatsvond. Eerst bleef hij in Brabant. Toen pogingen naar Londen te komen mislukt waren, keerde hij in augustus 1944 naar Groningen terug. Hij nam daar deel aan illegaal werk, en met de vroegere gedeputeerden trof hij voorbereidingen voor het heroptreden van het provinciaal bestuur bij de bevrijding.

Linthorst Homan werd echter niet in zijn functie hersteld. Op 10 mei 1945 adviseerde een commissie onder leiding van oud-minister H. van Boeven na een onderzoek naar Homans gedragingen tijdens de bezetting hem niet in zijn ambt te herstellen; zij beval een elegante oplossing met een verzoek tot ontslag aan. Ook de Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945 meende dat hij niet als commissaris van de Koningin kon terugkeren. Het kostte Linthorst Homan geen moeite te erkennen dat hij fouten, ernstige fouten, had gemaakt, maar het was grievend dat hij de zondebok dreigde te worden, terwijl De Quay en Einthoven weer tot hoge functies waren geroepen. Interventie van het Groninger provinciebestuur kon de regering aanvankelijk niet tot eervol ontslag van Linthorst Homan bewegen, al werd dit ten slotte toch, na afronding van een regeringsonderzoek ten aanzien van de Unie, in oktober 1947 verleend.

De eerste naoorlogse jaren zijn zonder meer de moeilijkste uit Linthorst Homans leven geweest, maar zijn elan werd er niet door gebroken. Een groeiend aantal maatschappelijke functies nam hij op zich. Hij werd onder meer voorzitter van de Vaste Commissie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, een adviesorgaan op het gebied van ruimtelijke ordening en planning, en voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité. Steeds meer werd hij betrokken bij het werk van landbouw- en zuivelorganisaties. Door contacten met H. Brugmans raakte hij enthousiast voor het ideaal van de Europese eenwording. De Europese integratie zou het tweede deel van zijn loopbaan bepalen. Linthorst Homan was overtuigd voorstander van een politieke federatie en bleef dat. Als actief lid van de Europese Beweging was hij nauw betrokken bij de opstelling van plannen voor sectorintegratie in de landbouw in 1949/1950.

Na zijn benoeming tot directeur integratie van het directoraat-generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen van Economische Zaken in juni 1952 kreeg Linthorst Homan een wezenlijk aandeel in de formulering van het Nederlandse Europese beleid. Aan de formulering van het zg. plan-Beyen (1952/1953) voor de vorming van een gemeenschappelijke markt leverde hij zijn bijdrage, om vervolgens in de Europese hoofdsteden met E.H. van der Beugel en H.F. Eschauzier er zijn schouders onder te zetten. Tot Homans grote teleurstelling verdween het plan-Beyen als onderdeel van het streven naar supernationale politieke Europese integratie met de afwijzing van de Europese Defensie Gemeenschap door Frankrijk in augustus 1954 van de politieke agenda. Na de conferentie van Messina (juni 1955) zou hij een belangrijke rol spelen bij de 'relance européenne', die gericht was op de economische integratie. Hij werkte mee aan de opstelling van het rapport-Spaak (1955) en bij de uitwerking ervan tot de verdragen van Rome voor de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) in 1956/ 1957 leidde hij de Nederlandse delegatie.

In de vele onderhandelingen sinds 1952 had Linthorst Homan zijn analytische en coördinerende bekwaamheden bewezen. In januari 1958 werd hij de eerste permanente vertegenwoordiger bij de EEG en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). In 1962 werd hij lid van de Hoge Autoriteit van de EGKS. Na de fusie van EGKS en EEG in 1968 volgde hij E.N. van Kleffens in oktober 1968 op als vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschappen in Londen. In die functie concentreerde hij zich op de promotie van de Britse aansluiting bij het continentale Europa. Op 31 augustus 1971 legde hij zijn functie neer.

Linthorst Homan was een veelzijdig man, die zich met alle energie inzette voor de publieke zaak. Homans gedrevenheid inspireerde medestanders, enthousiasmeerde nieuwkomers, maar wekte weerstanden bij tegenstanders. Zijn op enkele wezenlijke punten falende gedrag in de jaren 1940- 1945 bezorgde hem direct na de oorlog een harde leerschool, waaruit hij in later jaren toonde lering te hebben getrokken.

A: Archief-J. Linthorst Homan, Kabinet Binnenlands Bestuur, Centraal Orgaan Zuivering van het Overheidspersoneel, dossier J. Linthorst Homan in Archief ministerie van Binnenlandse Zaken te 's-Gravenhage; archief-Commissie van onderzoek over De Nederlandsche Unie in Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam.

P: Behalve artikelen in Het Gemeenebest en Nieuw Europa: Drenthe's rechtsgroei. Een beknopt overzicht van de geschiedenis van het recht in Drenthe (Assen, 1932); Het ontstaan van de gemeenten in Drenthe (Haarlem, 1934); Van kerspel tot gemeente. Schets van de geschiedenis van de Drentsche gemeente Vledder en haar landbouwleven (Assen, 1938); 'Het plaatselijk bestuur in de provincie Groningen van 1795 tot 1814', in Gemeentebestuur 18 (1938) 449-490; 'Eenige beschouwingen over de waarde van het provinciaal besef in de drie noordelijke provinciën', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1938-1939, 13 - 32; 'De nieuwe taak', in Gemeentebestuur20 (1940) 153 - 170; Aanpakken! Een hartekreet van een jongen Nederlander (Haarlem, 1940); In vaderlandschen zin. Een antwoord op veel critiek (Haarlem, 1940); Tijdskentering. Herinnering aan vernieuwingswerk voor en na 10 Mei 1940 (Amsterdam [etc.], 1946; zeer beperkte oplage); Geschiedenis van Drenthe (Assen, 1947); Drenthe, historisch en cultureel. Beschouwingen over Drenthe (Assen, 1949); Europese landbouwpolitiek (Assen, 1950); 'Europa in de wereldlandbouw', in Landbouwkundig Tijdschrift 63 (1951) 360-370; Afscheidstoespraak als voorzitter van de Vaste Commissie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan ('s-Gravenhage, 1953); Europese integratie. De spanning tussen economische en politieke factoren ('s-Gravenhage, 1955); Van gewest tot gemeenschap. Artikelen en lezingen over Europa, 1948-1968 ('s-Gravenhage, 1968); Sociaal-psychologische vraagstukken bij de Europese integratie (Eindhoven, 1968);,, Wat zyt ghy voor een vent". Levensherinneringen (Assen, 1974).

L: Behalve herdenkingsartikelen in NRC Handelsblad, 12-11-1986; Europa van morgen, 19-11-1986; Het Parool, 28-11-1986: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1972, 1974, 1988) IV, Ven XII; H.W. von der Dunk, 'Verweer en betekenis. De levensherinneringen van Linthorst Homan', in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 90 (1975) 492-498; J.C.H. Blom, 'De Nederlandse Unie. Een bespreking', in Tijdschrift voor Geschiedenis 89 (1976) 60-69; J. Rogier, Een zondagskind in de politiek en andere christenen (Nijmegen, 1980).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 936.

A.E. Kersten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013