Looij, Jacobus van (1855-1930)

 
English | Nederlands

LOOIJ, Jacobus van (1855-1930)

Looij, Jacobus van (bekend onder de naam Van Looy), schilder en letterkundige (Haarlem 13-9-1855 - Haarlem 24-2-1930). Zoon van Johannes Jacobus van Looij, timmerman-aannemer, en Cornelia van der Vegt. Gehuwd op 28-1-1892 met Titia van Gelder, voordrachtskunstenares. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Looij, Jacobus van

Samen met twee van zijn zusters werd Van Looy in december 1860 ondergebracht in het 'Gereformeerde' of Burgerweeshuis te Haarlem - waarin thans het Frans Halsmuseum gevestigd is - omdat hij kortelings als wees was achtergebleven: zijn moeder overleed in 1859, zijn vader een jaar later. Tot zijn meerderjarigheid (1877) verbleef hij daar. In die tussentijd was hij sinds 1867 leerling van de Burgeravondschool, daarbij overdag in de leer, eerst als letterzetter, later als huis- en rijtuigschilder. Ook na het eindexamen Burgeravondschool (1872) bleef hij de tekenklassen volgen van de kunstschilder D.J.H. Joosten. Aan de nagedachtenis van deze leermeester, door Van Looy geëerd als zijn eerste vriend, droeg hij in 1889 de toen door zijn neef S.L. van Looy uitgegeven bundel Proza op. Daarnaast zou hij in Jaap (1923) Joosten liefdevol portretteren als meester Juulsen.

Mede dank zij Joostens bemoeiingen, kreeg Van Looy van de regenten van het weeshuis toestemming tot het volgen van de opleiding Middelbaar Onderwijs-tekenen en werd hij bovendien in staat gesteld de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam te bezoeken. Aan deze academie voltrok zich zijn opleiding tot vrij kunstenaar onder leiding van August Allebé (1838-1927), de tweede leermeester die door Van Looy ervaren werd als een hem stimulerende oudere vriend. Ook met zijn leeftijdgenoten echter ging Van Looy graag en gemakkelijk vriendschap aan. In november 1880 richtte hij, samen met Antoon Derkinderen, Maurits W. van der Valk en Willem Witsen, de kunstenaarsvereniging 'Sint Lucas' op. Weldra kon hij, onder anderen, Willem Tholen, Eduard Karsenen H.J. Haverman tot zijn vrienden rekenen, maar bijzondere betekenis had toch voor hem de vriendschap met de 'Sint-Lucas'-broeder Jan Veth, die hem in 1882 de bundel Gedichten van Jacques Perk, ten geschenke gaf, onder invloed waarvan de jonge Van Looy zijn eerste sonnetten schreef.

Een vroege proeve van Van Looys kunnen in de dichtkunst, het sonnet 'Herfst' werd - buiten zijn medeweten - afgedrukt in De Nieuwe Gids van december 1885. Dat betekende dus zijn debuut als dichter, overigens onder de schuilnaam A. Brouwer. Van Van Looys drievoudige begaafdheid als schilder, dichter en prozaschrijver, heeft het dichterschap wel de minste aandacht en waardering gekregen, mede te verklaren uit de omstandigheid dat zijn Gedichten 1884-1925 eerst in 1932 postuum - en toen op haast aandoenlijk dillettantistische wijze - gebundeld werden door zijn weduwe. Simon Vestdijk, die weinig ophad met Van Looys sonnetten, heeft in zijn beschouwing over 'Jacobus Tarquinius Superbus in zijn poëzie' (Muiterij tegen het etmaal ('s-Gravenhage, 1947) II, 10-13) overtuigend aangetoond dat Van Looy echter uitblonk in de minder streng gebonden vormen, 'die zich bij uitstek lenen tot het voor hem karakteristieke opvoeren van de emotionele spanning, met een plotselinge schoksgewijze ontspanning aan het slot' (12).

Door zijn lidmaatschap, sinds maart 1883, van de letterkundige vereniging 'Flanor' raakte Van Looy ook bevriend met aankomende literatoren als Willem Kloos, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey. Nog vóór de oprichting van De Nieuwe Gids droeg Kloos al een sonnet, geïnspireerd op Van Looys schilderij 'Eva', aan hem op; Van Looy schilderde niet alleen een portret van Van Eeden, maar ontwierp ook het omslag voor de boekuitgave van diens toneelstuk Het poortje of De duivel in Kruimelburg. Ten tijde van het verschijnen van het eerste nummer van De Nieuwe Gids (oktober 1885), bevond Van Looy zich al geruime tijd in Italië, dank zij de in mei 1884 verworven Prix de Rome. Hoe zijn leven tussen februari 1885 en maart 1887 verliep - in Rome en Venetië, tijdens zijn ziekbed in Genua en een daarop gevolgd verblijf in Madrid - kan gedetailleerd worden gevolgd aan de hand van de door F.P. Huygens onder de titel "Wie dronk toen water!" (Amsterdam, 1975) bezorgde bloemlezing uit Van Looys briefwisseling met August Allebé, gedurende die reis. Dit autobiografisch document staat waarachtig niet op zichzelf binnen het letterkundig oeuvre van Van Looy, want bijna alles van zijn hand kent een autobiografische inslag of is op zijn minst terug te voeren op eigen waarneming en gevoelige doorleving daarvan. Daaraan beantwoordt reeds geheel de Venetiaanse impressie 'Een dag met sneeuw', waarmee hij als prozaïst debuteerde in De Nieuwe Gids van april 1886, voor de eerste maal herdrukt in Proza (1889). In deze bundel bleek dit debuut in kwaliteit zich goed te kunnen handhaven in het gezelschap van zoveel rijpere prozaschetsen als 'Een stierengevecht', 'De nachtcactus' en 'De dood van mijn poes', welke laatste veelvuldig in bloemlezingen opgenomen schets zich nog steeds in een grote populariteit verheugt. Het tegenovergestelde verschijnsel zou zich voordoen bij Gekken (1892), dat herinneringen bevat aan Van Looys eerste verblijf te Tanger. Het lijkt aannemelijk dat de lezers werden afgeschrikt door het uitzichtloze pessimisme van dit nochtans superieure werk. Van Looys huwelijk met de voordrachtskunstenares Titia van Gelder (1892) heeft hem van dit pessimisme bevrijd, zoals reeds is op te maken uit de titels van de kort nadien geschreven schetsen en novellen, gebundeld in Feesten (1903): 'De maaier', 'De regenboog', 'Vuurwerk', 'Hartjesdag'. Aan Feesten wijdde Lodewijk van Deyssel een uitvoerige en zeer waarderende bespreking, waarmee hij diens even later verschenen Achtste bundel Verzamelde Opstellen (Amsterdam, 1905) zou openen.

Als schilder had Van Looy intussen (1901) een eerste grote overzichtstentoonstelling in Arti et Amicitiae te Amsterdam. Naar aanleiding van de doorgaans gunstige, maar slechts bij uitzondering jubelende besprekingen van deze tentoonstelling besloot hij nooit meer te exposeren. Zo zou hij later van Frans Erens vervreemden omdat hij meende dat deze hem niet genoeg bewonderde! Ook Reizen (1913) en het daaraan voorafgegane De wonderlijke avonturen van Zebedeus (1910), in 1925 herdrukt bij gelegenheid van het verschijnen van de beide vervolgdelen: Nieuwe bijlagen en Nieuwste bijlagen, vonden slechts een koel onthaal, wellicht ditmaal omdat de grillige compositie van de Zebedeus-verhalen weerstand wekte en zo ook de ironische wijze waarop Van Looy daarin zijn oordeel uitsprak over - bedekt aangeduide -tijdgenoten, modieuze verschijnselen en dubieuze geestelijke stromingen. Nog steeds ontberen we een gecommentarieerde editie van De wonderlijke avonturen van Zebedeus. Grote bijval oogstte Van Looy in zijn dertien laatste levensjaren met de autobiografische werken Jaapje (1917), Jaap (1923) en het postuum verschenen Jakob (1930), evenals het tweede en derde deel van Zebedeus en Nieuw Proza (1929), eerst in hun geheel verschenen in De Nieuwe Gids, waarvan Van Looy sedert januari 1909 redacteur was.

A: Het archief van Jac. van Looy is ondergebracht, als bruikleen van de Stichting Huis Van Looy, in het Frans Halsmuseum te Haarlem.

P: Bibliografie van afzonderlijk verschenen werken in het kaartsysteem van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage en voor zover in boekvorm in onder L genoemd artikel van Robbers.

L: W. Kramer, 'Het proza van Jac. van Looy', in De Gids 90 (1926) II, 379 - 399; Herman Robbers, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afgestorven medeleden 1930-1931, 83-98; Titia van Looy-van Gelder, Tot het lezen in Jacobus van Looy (Leiden, 1937-[1938]. 2 dl.); F.P. Huygens, 'De Academie-tijd van Jacobus van Looy', in Elsevier's Maandschrift 50 (1940) 100 juli-december) 511-532; A.M. Hammacher, De Amsterdamsche Impressionisten en hun kring (Amsterdam, 1941); M.A. Jacobs, Jacobus van Looy en zijn literair werk (Brugge [etc.], 1945); F.P. Huygens, 'Het schilder-dichterschap van Jacobus van Looy', in 'Pen en Penseel', 37-53. Bijzonder nummer van Critisch Bulletin 14 (1947); L.M. van Dis, Jacobus van Looy als schrijver van "De wonderlijke avonturen van Zebedeus" (Groningen [etc.], 1952); G.H. 's-Gravesande, 'Brieven en inedita van Jacobus van Looy' en Harry G.M. Prick, 'Brieven aan Karel Alberdingk Thijm', in Roeping 31 (1955-1956) 219-226 en 227-244; P. Minderaa †, 'Kanttekeningen bij Van Looys Zebedeus ', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1969-1970, 25-42; Peter Winkels en Chris Will, Jacobus van Looy, Schilder van huis uit, schrijver door toevallige omstandigheden. Een biografische schets ('s-Gravenhage, 1982); Jacobus van Looy. Samengest. door Chris Will et al., in samenw. met Harry G.M. Prick et al. ('s-Gravenhage, 1987). Schrijversprentenboek: 26.

I: Jacobus van Looy 1855-1930. Niets is zoo mooi als zien. Samengest. door J. van der Smit-Meijer en C. Will (Haarlem [etc.] 1998) 40 [Foto: Adriaan Boer; Van Looy op ongeveer 50-jarige leeftijd].

Harry G.M. Prick


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013