Maasland, Arie (1908-1980)

 
English | Nederlands

MAASLAND, Arie (1908-1980)

Maasland, Arie (pseud. Malando), musicus-componist (Rotterdam 26-5-1908 - Bussum 22-11-1980). Zoon van Joris Maasland, fabrieksarbeider, en Cornelia de Graaf. Gehuwd op 31-10-1934 met Johanna Cornelia van der Star. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Maasland, Arie

Arie Maaslands jeugd speelde zich af in Rotterdam, de stad waaraan hij verknocht bleef, al voltrok zijn carrière zich elders. Na de HBS begon hij een studie als bouwkundig tekenaar, die hij voortijdig stopte om zijn heil te zoeken in de muziek. Van zijn zesde jaar af kreeg hij zes jaar pianoles van de Rotterdamse muziekpedagoog en koordirigent Jan Kriek, en reeds als middelbare scholier vormde hij een orkestje. De muziek bleef hem bezighouden, praktisch maar ook theoretisch. Beide kwaliteiten kwamen naar voren in het Rotterdamse ensemble The Jumping Jacks, een sextet waar van Maasland van 1933 tot 1939 deel uitmaakte als accordeonist en slagwerker. Tevens schreef hij de arrangementen en had hij de zakelijke leiding.

Ter wille van dit sextet schreef Maasland ook een aantal composities. Hij was trendgevoelig en merkte dat het publiek zich aangesproken voelde door de tango. Zelf liet hij zich inspireren door het Argentijnse orkest van Eduardo Bianco, dat bij een Europese tournee ook Nederland aandeed en de tango, die in het verleden in een kwaad daglicht had gestaan bij moralisten, een geacheveerder tintje gaf. Maasland ging daarop door, maar volgde een eigen weg. Hij week af van de in Latijns-Amerika gebruikelijke vorm, maar evenzeer van de afgevlakte stijl in Duitsland, waarin de tango was ontdaan van alle gevoelens van pijn, eenzaamheid en heimwee, waarop deze muziek is gegrond, verbonden met armoede en protest. Die elementen zijn bij Maasland evenmin aanwezig, maar hij creëerde een zogeheten continentale stijl, met een nadrukkelijke plaats voor het ritme. Een melodieuze muziekvorm, waar mensen graag bij dansen en die ook dient als achtergrondmuziek. Maasland gaf zijn muziek een eigen klankkleur, vooral toen hij zijn orkest leidde, waaraan hij eindeloos schaafde. Hij bereikte aldus een grote hoogte, zó dat men ook in Argentinië zijn muziek ging spelen. In 1968 bracht hij een succesvol bezoek aan het stamland van de tango. Hij was commercieel, maar ook consequent en rechtlijnig op het gebied dat hij tot in de finesses beheerste. Als accordeonist viel het moeilijk hem te imiteren.

De eerste door hem gecomponeerde tango Annie (opus 1) met de naam van zijn vrouw dateert uit 1935. De tango Ole Guapa (opus 4), uit 1937, zou hem bekendheid geven. Aanvankelijk had Maasland moeite deze uitgegeven te krijgen, zodat hij zelf een deel van het risico moest dragen, maar nadat de uitgave een feit was werd Ole Guapa snel een wereldsucces. Met de Penny Serenade van Melle Weersma (1939) is deze tango de meest internationaal gewaardeerde en duurzaam gespeelde compositie van Nederlandse oorsprong. Dit is nog opvallender omdat er aanvankelijk geen tekst bij werd gedicht. In 1942 werd het nummer onder de titel Tango voor twee - met woorden van Jacques van Tol - door de zanger Willy Derby op de plaat vastgelegd, maar de instrumentale versie overleefde deze eendagsvlieg. Het snelle succes van Ole Guapa was opmerkelijk omdat het een compositie betrof van een onbekend muzikant in een plaatselijk orkestje zonder entree bij de omroepen in Hilversum of de platenmaatschappijen.

Na Ole Guapa ging Maasland op die weg verder. Hij vormde een eigen orkest, Malando, waarvan Leeuwarden op 1 juli 1939 de première beleefde in dancing Spoorzicht. Er kwamen meer eigenhandig gecomponeerde tango's op het repertoire, waaronder het bekend gebleven Bonita Nina (1938), opgedragen aan zijn vier maanden oude dochtertje Lia. Het ensemble ontstond uit vijf personen, van wie drie afkomstig uit The Jumping Jacks: Ben Rodenhuis (viool), Rinus de Recht (viool), klarinet en soms zang) en accordeonist-leider Maasland, die van toen af als Malando door het leven ging. Oorlogs- en daaropvolgende bezettingsomstandigheden konden het optreden van dit ensemble slechts incidenteel hinderen. Problemen bij de bezetter leverde Malando's muziektrant niet op, en de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep De Nederlandsche Omroep verzorgde ettelijke uitzendingen. Pas in 1944 kwam Maasland in moeilijkheden: hij werd opgeroepen voor arbeid in Duitsland, weigerde, werd gearresteerd, maar ontsnapte uit een transport naar kamp Amersfoort, samen met twee orkestleden. Uit de oorlogsjaren dateren bekend geworden tango's als Cornelita en Guapita (beide 1940) en de rumba Manolita (1943).

Na de bevrijding kon het orkest blijven optreden. In de eerste jaren trad Maasland ook als accordeonduo Malgori op met zijn stadgenoot Jan Gorissen. Later zou Gorissen tweede accordeonist in Malando's orkest zijn. De triomftijd van dit orkest, ook muzikaal, lag in de periode tussen 1947 en 1960, waarin muzikanten toetraden als Willy Langestraat, Dick Wiersema en Frans Wanders, welke laatste als bassist, maar vooral als zanger de populariteit bevorderde. Een contract met de VARA in 1946 vergrootte de bekendheid van het sedertdien genoemde 'Malando en zijn tango-rumba-orkest'. Allerlei minder bekende instrumenten als timbaal, bongo en maracas werden bespeeld. ( Maasland zelf componeerde aan één stuk: o.a. Noche de Estrellas (tango, 1947), Rambla de Flores (paso doble, 1951), Campanillas (tango, 1955), Con Sentimento (tango, 1957).

Dank zij veelvuldige radio-optredens en concerten verwierf het orkest populariteit in Nederland. De grammofoonplaat maakte hem in omringende landen bekend. Dansscholen draaiden zijn muziek om het strikte danstempo. Van december 1946 tot februari 1947 maakte het orkest, samen met Lou Bandy, een reis naar Indonesië met optredens voor Nederlandse militairen. Later volgden talloze tournees door Europa, vooral Duitsland en België. Tot in Finland en Oostenrijk stroomden de belangstellenden toe wanneer Malando optrad.

In de jaren '60 kwam er een nieuw gebied bij; Japan. Daar werd Malando geliefder dan waar ook. Zo vertrok het orkest in november 1964 voor een eerste tournee, die door talloze werd gevolgd. Aan het eind van de jaren '80, lang na zijn dood, vonden nog optredens in Japan plaats van een voor die gelegenheid samengesteld Malando-orkest onder leiding van de slagwerker Evert Overweg, schoonzoon van Maasland. In eigen land zou een fanclub zijn naam en muziek in ere trachten te houden. Niet alleen werden in Japan bijna 100 langspeelplaten uitgebracht, maar in de gehele wereld, tot en met Zuid-Amerika en Oost-Europa, ging men zijn muziek - voor een Nederlands musicus een zeldzaamheid - waarderen. Alleen al van Ole Guapa bestaan ongeveer 200 verschillende uitvoeringen op de plaat. Tijdens Maaslands leven kwam het auteursrechtenbureau Stemra met de componist tot een regeling voor een vaste vergoeding per jaar, die de gigantische administratie zou vergemakkelijken. Zijn totale oeuvre beslaat 150 composities.

Aangemoedigd door al dit succes breidde Malando zijn repertoire ook in andere genres steeds meer uit. Zo schreef hij drie suites, onder meer uitgevoerd door symfonieorkesten, behaalde hij succes met tangobewerkingen van volksliedjes uit Nederland (Twee emmertjes tango's halen in 1965), Engeland en Japan en van operettemelodieën. Vooral in de eerste tijd arrangeerde Maasland zelf voor zijn orkest. Later schakelde hij bekwame arrangeurs in, o.a. Henk van Stiphout. Zijn orkest wisselde van omvang. Zo werd soms een strijkerssectie toegevoegd. Bij plaatopname steeg de omvang zelfs tot ruim 40 musici.

Reeds vóór zijn definitieve afscheid op 23 mei 1979 met een VARA-televisieshow in een laatste openbaar optreden - sporen van zijn ziekte waren op dat moment al bespeurbaar - was Malando's eigen orkest al praktisch opgehouden te bestaan. In die voorafgaande jaren waren reeds vaak oude opnamen voor radioprogramma's gebruikt en slechts enkele nieuwe nummers geboden, de laatste keer op 9 januari 1978, toen het orkest Malando een tango speelde van Astor Piazzolla, Verano Portena.

Maasland is vaak onderscheiden. In 1959 ontving hij in Pavia (It.) de Oscar Mondiale als beste accordeonist in orkestverband ter wereld. In 1964 werd hij onderscheiden met de Edison, twee jaar later met de Gouden Harp van de stichting Conamus. In 1973 kreeg hij een koninklijke onderscheiding. Bij dit eerbetoon en de welstand die zijn composities en platen hem opleverden, bleef hij een eenvoudig, hardwerkend muzikant, bijna kleurloos. Hoewel hij zelf terdege wist waar zijn kracht school, maakte hij naar buiten eerder een indruk van verlegenheid, die ten onrechte wel werd uitgelegd als hooghartigheid. Hij gedroeg zich meer als een getalenteerde, zelfs wat saaie ambachtsman dan als een kleurrijke vedette met sterallures en voelde zich het meest op zijn gemak in eigen kring. In zijn vrije tijd bouwde hij maquettes van bijzondere precisie. Door en door Nederlands als Maasland was leek hij een contrast met de temperamentvolle muziek die hij op papier zette en waaraan hij met zijn orkest klank gaf.

L: D. Verkijk, Radio Hilversum 1940-1945 (Amsterdam, 1974); T. Palmer, All you need... (Bussum, 1977); E. Saegeman, Het verdriet waarop je kan dansen. De tango als muzikaal & sociaal fenomeen ([Brussel], 1982).

I: Hans de la Rive Box, Bonte Parade. Een revue van bekende Nederlandse radiosprekers en artisten (Amsterdam [1948]) 90.

Frans Oudejans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013