Meester, Theodoor Herman de (1851-1919)

 
English | Nederlands

MEESTER, Theodoor Herman de (1851-1919)

Meester, Theodoor Herman de, minister van Financiën (Harderwijk 16-12-1851 - 's-Gravenhage 27-12-1919). Zoon van Gerrit Abraham de Meester, burgemeester en lid van de Tweede Kamer, en Theodora Hermina van Meurs. Gehuwd op 6-7-1881 met Josina Agnes Reiniera Woltera Parker. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Als een van de drie zonen in een Harderwijks burgemeestersgezin (een jongere broer was de in zijn tijd bekende letterkundige Johan de Meester) lag het voor de hand dat Theodoor Herman het gymnasium in zijn geboorteplaats zou bezoeken. Hij studeerde vervolgens te Utrecht, waar hij op 28 mei 1875 op stellingen bij J.A. Fruin cum laude promoveerde tot doctor in de beide rechten. Nog dat zelfde jaar aanvaardde hij de betrekking tot adjunct-commies op de provinciale griffie te Zwolle. Hier werd zijn, hem levenslang bijgebleven, belangstelling voor financieel-economische vraagstukken gewekt; tevens gaf hij sinds 1879 les in de beginselen van staathuishoudkunde en staatsinstellingen aan de Zwolse Burgeravondschool. In 1885, toen uitzicht op verdere promotie voor de inmiddels commies-chef geworden De Meester was afgesneden door de benoeming van een van zijn collega's tot griffier van Provinciale Staten, volgde hij de bekende jurist J. Oppenheim op als secretaris van de gemeente Groningen. In 1892 werd De Meester benoemd tot administrateur en chef van de Generale Thesaurie aan het ministerie van Financiën. Als zodanig was hij betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van tal van maatregelen op het gebied van spoorwegen, concessies, pensioenwetgeving enz. die voor de staat belangrijke financiële gevolgen hadden.

In 1898 kwam het ambt van vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië vacant. Tegen de gewoonte in - het dagelijks voorzitterschap van dit hoge Indische regeringscollege placht te worden voorbehouden aan zeer verdienstelijke Indische ambtenaren - drong gouverneur-generaal jhr. C.H.A. van der Wijck aan op de uitzending van een financieel expert uit Nederland. Op voorspraak van de minister van Financiën, tevens voorzitter van de ministerraad, N.G. Pierson, viel de keuze op de met Indië geheel onbekende De Meester, hetgeen in de Indische ambtenaarswereld voor de nodige opschudding zorgde. In zijn nieuwe werkkring toonde De Meester zich een voorstander van het verlenen van grotere financiële zelfstandigheid aan Indië. Een duidelijk stempel heeft hij overigens niet op de Indische politiek gedrukt, daarvoor was hij met al zijn deskundigheid vermoedelijk toch te zeer een vreemde eend in de bijt. Bovendien kreeg hij met zijn gezondheid te kampen. In 1904 keerde hij met verlof naar Nederland terug. In 1905 werd hij tot vice-president herbenoemd en stond hij op het punt naar Indië terug te keren, toen hem een uitnodiging van H. Goeman Borgesius, de leider van de Unieliberalen, bereikte om deel te nemen aan de formatiebesprekingen voor een nieuw kabinet dat de plaats zou moeten innemen van het bij de Tweede Kamerverkiezingen met klein verschil verslagen ministerie-Kuyper.

Hoewel De Meester al vroeg met de liberale beginselen had gesympathiseerd, had hij zich nooit met de actieve politiek ingelaten. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om, toen hij, wederom op Piersons initiatief, daarvoor door Goeman Borgesius was gevraagd en nadat verschillende andere kandidaten hadden geweigerd, de portefeuille van Financiën en het (tijdelijk) voorzitterschap van de ministerraad op zich te nemen in het naar hem en minister van Justitie E.E. van Raalte genoemde vrijzinnige kabinet, dat op 17-8-1905 optrad. Die daad getuigde van politieke moed, aangezien het nieuwe ministerie niet op de meerderheid in de Tweede Kamer kon rekenen. Slechts 35 kamerleden waren gekozen op het gemeenschappelijk programma van de Liberale Unie en de vrijzinnig-democraten. De steun van de buiten deze coalitie gebleven rechtse Vrij-Liberalen en van de sociaal-democraten was echter onmisbaar om de 48 confessionele kamerleden die de oppositie vormden, het hoofd te kunnen bieden. Het was onder deze omstandigheden begrijpelijk dat Goeman Borgesius er de voorkeur aan gaf zelf buiten de regering te blijven, te meer waar zijn kamerzetel (voor het district Enkhuizen) slechts met een meerderheid van 103 stemmen op de antirevolutionairen was veroverd.

Noch de ministers noch zijn premier blonken onder deze omstandigheden uit door grote regeerkracht. De belangrijkste kwesties waarvoor het ministerie-De Meester zich zag gesteld, waren het kiesrecht- en het militaire vraagstuk. Nog in het najaar van 1905 werd een staatscommissie-De Beaufort ingesteld, die de invoering van een blanco-kiesrechtartikel in de Grondwet moest voorbereiden, opdat een eventuele realisering van het algemeen kiesrecht zo nodig bij gewone wet zou kunnen plaatsvinden. Een voorstel voor een dergelijk blanco-artikel werd inderdaad in oktober 1907 bij de Tweede Kamer ingediend, maar is door de val van het 'kabinet van kraakporcelein' niet meer in behandeling genomen.

Ingrijpende bezuinigingen op de militaire uitgaven zouden uiteindelijk voor De Meester en zijn ministerie een onoverkomelijk struikelblok blijken te zijn. De minister van Oorlog, H.P. Staal, kondigde voor het jaar 1907 de afschaffing van het zg. blijvend gedeelte van het militieleger bij artillerie en cavalerie aan. Dit was een door loting aangewezen deel van een lichting dat na de eerste oefening onder de wapenen moest blijven tot dekking van een mogelijke mobilisatie of het tegengaan van wanordelijkheden. Staals denkbeelden kwamen erop neer dat deze laatste taken in handen zouden worden gelegd van de landweer; verschillende kazernes zouden dan in de winter gesloten kunnen worden.

Tegen deze plannen rees in en buiten het parlement heftig verzet; zelfs het staatshoofd, koningin Wilhelmina, liet zich niet onbetuigd. In de 'nacht van Staal' op 21-12-1906 kon de minister van Oorlog zich in de Tweede Kamer dan ook alleen staande houden op belofte dat hij nadere inlichtingen over zijn plannen zou verschaffen. Voordat het echter zover kwam, werd zijn begroting op 9-2-1907 door de Eerste Kamer afgestemd. Weliswaar werd het kabinet gereconstrueerd, zij het met een andere minister van Oorlog, maar de verwerping andermaal van de begroting van Oorlog, dit keer in de Tweede Kamer, precies een jaar na de 'nacht van Staal', maakte het kabinet opnieuw demissionair. Voor Goeman Borgesius was door de verdeeldheid onder de liberalen de animo om voor de derde maal een minister van Oorlog te zoeken verdwenen. Op 12-2-1908 kregen De Meester en zijn ambtgenoten ontslag en nam het uit de rechterzijde gevormde ministerie-Heemskerk hun plaatsen in. In feite kon het afgetreden kabinet slechts op één belangrijke prestatie bogen: de totstandkoming van een door minister van Justitie Van Raalte verdedigde wet op de arbeidsovereenkomst (1907). Van de plannen van De Meester voor een ingrijpende belastinghervorming werd alleen het voorstel tot afschaffing van het tiendrecht in 1907 verwezenlijkt. Voor het overige had hij zich achter de regeringstafel doen kennen als een wel overtuigd maar niet altijd even overtuigende verdediger van het kabinetsbeleid.

Na zijn aftreden bleef De Meester de landspolitiek trouw. In 1909 werd hij voor het district Den Helder in de Tweede Kamer gekozen, waar hem in 1913 de leiding toeviel van de Unieliberale kamerclub. Ook was hij lid van de Haagse gemeenteraad (2-12-1908 - 7-12-1909; 27-6-1910 - 30-3-1914), terwijl hij nog verschillende andere functies bekleedde. Zo was hij politiek redacteur van Het Vaderland (1912- 1914) en voorzitter van de pensioenraden voor burgerlijke en militaire ambtenaren. Ook leidde hij een in 1915 ingestelde staatscommissie die vier jaar later rapporteerde over de voorbereiding van een algemene herziening van de niet-militaire pensioenwetgeving. In toenemende mate begon echter zijn gezondheid hem parten te spelen, zodat hij in 1917 de uitnodiging aannam toe te treden tot dat toenmalige rustoord van verdienstelijke staatslieden, de Raad van State. Van die rust heeft hij echter maar twee jaar mogen genieten.

De parlementaire journalist C.K. Elout zou De Meester ten tijde van zijn premierschap eens omschrijven als het ouderwetse type van de goede vriendelijke schoolmeester, die door betrouwbaarheid en rechtschapenheid ook politieke tegenstanders respect afdwong (De Heeren in Den Haag, 13). Toch zal de periode van zijn ministerschap niet het gelukkigste tijdvak in zijn leven zijn geweest. Daarvoor was zijn politieke ervaring te gering, de verdeeldheid onder de linkerzijde te groot, de oppositie van rechts te bitter.

A: Een collectie-De Meester is aanwezig in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: 'De provinciale inkomsten-belasting', in Vragen des tijds (1888) II, 271-301; 'Benige opmerkingen over het wetsontwerp betreffende de plaatselijke belastingen', ibidem (1891) I, 181-206; hij voert het woord bij behandeling van het onderwerp 'Koloniale leeningen', in Verslagen der Algemeene Vergaderingen van het Indisch Genootschap, 11-4-1905 (zie voor zijn bijdrage aan de bespreking over Indische Comptabiliteitswet en Indische Regeeringsreglement, ibidem, 18-2-1908); 'Van Gijn's wetsontwerp tot regeling van de inrichting der staatsbegrooting en staatsrekening', in De Economist (1917) 159-175.

L: De Indische Gids 20 (1898) II, 835-838; [M. van Geuns], Weekblad voor Indië 1 (1904) 1 (1 mei) 3-7; De Indische Gids 27 (1905) II, 1703-1704; C.K. Elout, De Heeren in Den Haag I (Amsterdam, 1907); [F. Netscher], 'Karakterschets van Mr. Th.H. de Meester', in De Hollandsche Revue 14 (1909) 920-931; Het Vaderland, 28-12-1919 ocht. en 30-12-1919 av.; P. Rink, in De Amsterdammer, 3-1-1920; W.H. Vermeulen, Parlementaire geschiedenis van Nederland 1901-1914 ('s-Gravenhage, 1950); E. van Raalte, Staatshoofd en ministers (Zwolle, 1971); P.J. Oud, Honderd jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940 8e herz. dr. (Assen, 1982).

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013