Mendes da Costa, Joseph (1863-1939)

 
English | Nederlands

MENDES DA COSTA, Joseph (1863-1939)

Mendes da Costa, Joseph, beeldhouwer (Amsterdam 4-11-1863 - Amsterdam 20-7-1939). Zoon van Mozes Mendes da Costa, steenhouwer, en Esther Teixeira de Mattos. Gehuwd op 11-6-1891 met Hanna Jessurun de Mesquita. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Joseph Mendes da Costa was een zoon van een matseiwe-houwer, een steenhouwer van (joodse) grafmonumenten, en zonder twijfel heeft dit voorbeeld hem en ook enkele andere verwanten ertoe gebracht hetzelfde ambacht te leren om zich daarna als zelfstandig scheppend beeldhouwer te vestigen. Josephs familie maakte deel uit van de Sefardische (Portugees-joodse) gemeenschap in Amsterdam, en daaraan waren de blijvende belangstelling en het verdiepte begrip bij Mendes da Costa voor de joodse cultuur te danken, hoezeer hij ook intellectueel en religieus zich voor het christendom en de Oosterse cultuur openstelde en ook daarvan in zijn werk getuigenis zou afleggen.

Vanaf zijn zestiende jaar volgde Mendes da Costa instellingen van kunstonderwijs: de Quellinusschool voor tekenen en beeldhouwen, de Rijksschool voor kunstnijverheid en de Rijksacademie, alle te Amsterdam. Na voltooiing van deze studie in 1886 wilde hij vooral les geven in de beeldhouwkunst, maar toen bleek dat hij als kunstenaar zeer begaafd was en als zodanig aan de kost zou kunnen komen, zette hij in 1885 met medeleerlingen als L. Zijl, G.W. Dijsselhof en Th.W. Nieuwenhuis in de steenhouwerij van zijn vader een atelier op waar een hechte kunstenaarsgroep onder de naam 'Labor et Ars' aan het werk ging en twee jaren met succes bleef werken. Beeldhouwers van Mendes' generatie zochten in die tijd vrij algemeen naar nieuwe, eigen stijlen, waarin vooral de monumentale sculptuur tot haar recht kon komen, ook al ging hun aandacht ook uit naar de kunstnijverheid, o.a. de ceramiek. Doelmatigheid in vorm en materiaalkeuze en een beperkte versiering teneinde vorm en functie in harmonie met elkaar te brengen werden nagestreefd. Op de vroeger zo populaire neo-stijlen leek men uitgekeken te zijn. Dat bleek ook uit het succes bij het publiek: Mendes da Costa althans kreeg spoedig veel opdrachten en menig vrij werk van zijn hand vond zijn weg naar kopers.

Mendes da Costa onderscheidde zich door zijn eigen aanpak en stijl en een hoge, soms massale produktie. Hij ging al spoedig zijn eigen gang als beeldhouwer, zelfstandig in eigen ateliers in Amsterdam werkend. Zijn oeuvre kreeg een eigen herkenbaarheid en droeg een bijzonder stempel. In de vroege periode was de stijl van zijn werk als strak te karakteriseren. De behandeling van de objecten bleef gebaseerd op figuratieve principes, ofschoon de weergave niet realistisch was. Mendes reduceerde de natuurlijke vormen tot een geometrisch systeem van lijnen, zonder deze stilering te bedoelen als een abstrahering. In later jaren, sedert het begin van de 20e eeuw, ontwikkelden Mendes' denkbeelden over de beeldhouwkunst zich in de richting van de driedimensionale vormen, vooral bij zijn portretten; terwijl hij hoog-reliëfsculptuur een sterk frontale monumentaliteit werd nagestreefd. Als kunstenaar stond Mendes da Costa hierin zo apart dat een van zijn leerlingen, F. de Miranda, hem zelfs na zijn dood een 'eenzame figuur' noemde. Dat hij bovendien introvert was en stroef en moeilijk in de omgang werd genoemd zal die betrekkelijk geïsoleerde positie van Mendes da Costa mede hebben bevorderd.

In zijn beeldhouwkunst en kunstnijverheid bleken bij Mendes da Costa een sterk intellectueel-kennende inslag en een cultureel-religieuze veelzijdigheid. Die veelzijdigheid was al meteen te zien in de vele genres en onderwerpen waaraan Mendes da Costa zich waagde. Frequent hield hij zich bijvoorbeeld bezig met dierontwerpen en diermotieven. De opkomst van dierentuinen in de 19e eeuw had vele kunstenaars ertoe gebracht dieren als onderwerpen voor eigen kunstwerk te kiezen. Alleen al in de kring waar Mendes aanvankelijk toe behoorde waren er vele dierenuitbeelders: Mendes' leermeester Aug. Allebé had veel dierentekeningen gemaakt, evenzeer als leeftijdgenoten van Mendes, zoals diens zwager, de tekenaar S. Jessurun de Mesquita, terwijl ook de beeldhouwers Henry Josef Teixeira de Mattos en Mendes' leerling De Miranda zich intens met dieruitbeeldingen bezighielden. In de jaren 1890 tot 1910 maakte Mendes da Costa in eigen atelier talrijke ceramieke beeldjes in serieproduktie: van grote dierenkennis getuigden ook zijn talloze getekende dierobservaties. Deze belangstelling voor het dier bezorgde Mendes da Costa zelfs op 1 juni 1914 bij het eeuwfeest van de Rijksuniversiteit Groningen een eredoctoraat in de biologie.

Daarnaast excelleerde Mendes al vroeg in de portretkunst. Een bronzen beeldje van Baruch de Spinoza met de titel Beatitude (gelukzaligheid), 1909, vond, omdat er überhaupt sprake was van een Spinoza-hausse, in talrijke afgietsels goede afzet. Een ontworpen standbeeld van Jozef Israels in diens geboortestad Groningen kwam, weliswaar na veel geharrewar, niet tot uitvoering (1913), maar het portretbeeld van Vincent van Gogh (1919/1920) trok veel aandacht, terwijl het beeld van de boerenleider Christiaan de Wet op de Hoge Veluwe (1913/1914) nog steeds op monumentale wijze herinnert aan de Nederlandse opwinding over de Boerenoorlog. Dichtbij deze portretkunst stond Mendes' uitvoering van verscheidene heiligenbeelden, die brak met de ikonografische contekst waarin ze traditioneel werden geplaatst. Het beeld van Franciscus van Assisi (1915) en dat van de Heilige Anna (1924) zijn meer portretten van individuele personen dan van rooms-katholieke heiligen. Voor hem als jood, die niet met de joodse tradities wilde breken maar evenmin orthodox-vroom genoemd wenste te worden, kon dit werk zeer wel in overeenstemming worden gebracht met de overtuiging dat al wat in goede zin bestond of bestaan had geëerbiedigd moest worden. Hoe eclectisch of zelfs oecumenisch hij misschien ook dacht bleek uit het gebruik van dezelfde motieven voor verschillende geloofsovertuigingen: de pelikaan die hij ten behoeve van de Portugees-Israëlitische synagoge (1900) had gemaakt verwerkte hij opnieuw als motief in werk voor rooms-katholieke kerken.

Onmiskenbaar was ook Mendes' belangstelling voor bijbelse, vooral oudtestamentische, onderwerpen en figuren. Dat moge verklaarbaar zijn geweest uit eigen joodse afkomst en mogelijk joodse klandizie, bij hem werden dergelijke bijbelse motieven en taferelen wel diep doorleefd uitgebeeld. Dat was reeds het geval bij zijn Adam en Eva (1907) in grès cérame, herinnerend aan het eeuwige zoeken naar harmonie, door het eten van de verboden vrucht verstoord; dat treft men ook aan bij Elia en Elisa (1907), zinnebeeld voor de eendracht tussen leermeester en leerling; en de terracotta Job en de stem Gods (1908), het oprechte geloof uitbeeldend. De profeet en wetgever Mozes zou Mendes herhaaldelijk blijven bezighouden, van Mozes ziet Kanaän (1908) af aan over het beeldhouwwerk Mozes met de Tafelen van het Verbond, tussen 1920 en 1924 vervaardigd, naar Mozes' dood, dat in 1929 gereedkwam.

En ten slotte had Mendes da Costa ook voor meer wereldse allegorie of 'gewone' onderwerpen belangstelling. Bekend zijn enkele beeldjes die hij in ceramiek van scènes in de jodenbuurt vervaardigde, zoals het straattafereel Gesjiewes (1917) en het beeldhouwwerk Sjabbath (1898). Voor grote opdrachten beeldde Mendes da Costa figuren uit die bepaalde begrippen of idealen personifieerden. In het kantoor van de Nederlandsche Lloyd op het Damrak te Amsterdam (1924) en in de raadszaal van het oude stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam (1929) zijn hiervan goede en geslaagde voorbeelden te vinden. Ook het niet-monumentale beeldje Dankbaarheid (1929) hoort in dit genre thuis.

Mendes' laatste bekende werk was een buste van de Nederlandse toneelschrijver Herman Heijermans. Het beeld (1935) ondervond een sterk verdeelde ontvangst. Mendes had gepoogd Heijermans' markante, maar nogal eigengereide persoonlijkheid uit te beelden door hem in een streng en strak expressionistische stijl in hard, weerbarstig steen uit te houwen. Eenmaal dichtbij het wandelpad aan het Leidse Bosje te Amsterdam geplaatst, werd het beeld herhaaldelijk mikpunt van demonstraties en vaak beklad of zelfs beschadigd. En dan ging het niet zozeer om afkeer van het modernistische expressionistische werkstuk van Mendes, al zullen er vele Amsterdammers zijn geweest die 'de kop op een paal' lelijk vonden, als om antisemitisch vandalisme zich richtend tegen een monument dat een ('rode') schrijver van joodse afkomst eerde. Het was een geluk voor de succesrijke Nederlandse beeldhouwer dat hij niet meer behoefde mee te maken hoe de furor teutonica met het Nederlandse schuim pas echt in bezet Nederland zou woeden.

A: Uitgebreide collectie in museum Kröller-Müller, in het jachthuis St. Hubertus, op het landgoed in de open lucht en in Centraal Museum te Utrecht (aardewerk, figuren in grès en gipsmodellen). Verspreide werken in enkele andere Nederlandse musea en in particulier bezit.

L: Inleidende en begeleidende tekst van M.W. van der Valk en H.G. Verkruysen in de aan Mendes da Costa gewijde nrs. 5 en 6 van Wendingen van 1923; T.B. Roorda, Dr. J. Mendes da Costa (Amsterdam, [1929]); A.M. Hammacher, Mendes da Costa. De geestelijke boodschap der beeldhouwkunst (Rotterdam, 1941); Tentoonstelling van S. Jessurun de Mesquita, dr. J. Mendes da Costa in het Stedelijk Museum, Amsterdam, Maart-April 1946. [Met inl. van H.C. Verkruysen en M.C. Escher] ([Amsterdam], 1946); Joseph Mendes da Costa, 1863-1939, beeldhouwer. Tentoonstelling georganiseerd door het Joods Historisch Museum... Amsterdam 2 juli t/m 15 aug. 1976. [Catalogus: Anita Pieters] (Amsterdam, 1976); F. de Miranda, Mendes da Costa... Nederlandse beeldende kunstenaars - joden in de verstrooiing (Wassenaar, [1978]).

Ch.J. Roosen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013