Molenaar [sr.], Nicolaas (1850-1930)

 
English | Nederlands

MOLENAAR [SR.], Nicolaas (1850-1930)

Molenaar [sr.], Nicolaas, architect (Sneek 30-7-1850 - 's-Gravenhage 30-12-1930). Zoon van Petrus Molenaar, aannemer, en Johanna Catharina van der Steele. Gehuwd op 3-11-1875 met Maria Margaretha van der Werf. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon en 1 dochter die jong overleden, 2 zoons en 5 dochters geboren.

Molenaar stamde uit een familie van timmerlieden en aannemers die in Friesland vrij actief was. Zijn eerste onderricht zal hij wel van zijn vader hebben gekregen, terwijl hij ook tekenlessen volgde te Sneek. Reeds op negentienjarige leeftijd werd hij belast met de uitvoering van de door P.J.H. Cuypers ontworpen St. Martinuskerk te Sneek, onder toezicht van C.H. Peters, de latere rijksbouwmeester. Zijn werk daar moet bij Cuypers goed in de smaak gevallen zijn, want hierna wordt hij bij verscheidene door Cuypers ontworpen kerken als opzichter ingeschakeld: Sappemeer, Bovenkerk, Den Haag, St. Jacobus. In verband met het werk aan deze Haagse kerk verhuisde hij naar Den Haag, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Op aanraden van Cuypers trad hij in 1875 in dienst bij het bureau van de Rijksbouwmeester voor Onderwijs, J. van Lokhorst. Hier werkte hij tien jaar, al had hij het er, naar verluidt, niet erg naar zijn zin. Verscheidene door dit bureau tot stand gebrachte gebouwen (o.a. universitaire laboratoria in Groningen en Leiden) zijn vermoedelijk door Molenaar ontworpen. In 1885 ontwierp hij zelf voor het eerst een kerk, bestemd voor Vleuten. Verschillende opdrachten volgden, zodat hij ten slotte de rijksdienst verliet en zich als zelfstandig architect vestigde.

Als zodanig ging het hem geruime tijd vrij goed. In 1893 kreeg hij een eerste prijs voor een door hem ontworpen woonhuiscomplex aan het Sweelinckplein in Den Haag. Op de Parijse wereldtentoonstelling van 1900 werd een aantal van zijn ontwerpen met een zilveren medaille bekroond. Van bijzonder belang voor zijn loopbaan waren zijn goede contacten met de Jezuïetenorde, waarvoor hij talrijke opdrachten uitvoerde. Na de bouw van het Canisiuscollege in Nijmegen (1898) onthielden de Jezuïeten hem om onbekende redenen verdere opdrachten. Dit heeft mede aanleiding gegeven tot een kwalitatieve inzinking in zijn werk, die tamelijk lang aanhield. Na 1905 was hij daar weer overheen en ontwierp hij nog een aantal van zijn meest belangwekkende werken.

Molenaar was niet iemand die graag voor het voetlicht trad. Leerlingen in eigenlijke zin heeft hij niet gehad. Zijn zoon Nicolaas jr. was ook architect en heeft wel een tijd lang met zijn vader samengewerkt, maar ging verder eigen wegen. Molenaar sr. bleef tot op hoge leeftijd actief. Zijn laatste ontwerpen dateren van 1925. In 1928 werd hij getroffen door een beroerte, die hem verder werken onmogelijk maakte.

Molenaars oeuvre omvat zowel profane als kerkelijke bouwwerken. Zijn profane werk is vrij omvangrijk. Het omvat veel scholen, gestichtsgebouwen, woon- en winkelpanden, de laatste vooral veel in zijn geboorteplaats Sneek. Van zijn gebouwen voor instellingen kunnen worden genoemd Groenesteyn in Den Haag (1892, gesloopt 1971), in gotische trant met als middenpartij een monumentale kapel, en zijn indrukwekkendste werk op dit gebied, het Canisiuscollege te Nijmegen (1898), een streng symmetrisch bouwwerk in vormen die enigszins herinneren aan het Amsterdamse Rijksmuseum. Van zijn woonhuizen zijn te noemen het buitengoed De Cloese te Lochern (1892) en een reeks woonhuizen aan het Statenplein in Den Haag (1902). Ofschoon Molenaar incidenteel profane werken in gotische stijl ontwerpt, bedient hij zich bij dergelijke opdrachten meestal van vormen ontleend aan de Hollandse renaissance.

Molenaar is echter in de eerste plaats van betekenis als katholiek kerkelijk architect. Zijn kerkgebouwen tonen duidelijk invloeden van zijn leermeester Cuypers, maar ook van de andere grootmeester van de neogotiek in Nederland, Alfred Tepe. Cuypers heeft in zijn werk een vrij sterke voorkeur voor vormen ontleend aan de klassieke gotiek. Molenaar heeft een verwante opvatting, maar geeft anderzijds toch blijk in verscheidene werken van een sterke affiniteit tot de vormgeving van de vroege gotiek. Hij gaat daarbij echter vrijwel nooit zo ver dat hij zijn inspiratie zoekt bij het romaans. Zijn tweede kerk, de O.L. Vrouwe Onbevlekt Ontvangen te Groningen (1886, gesloopt 1962), gaf al duidelijk aan in welke richting Molenaar het vooral zou gaan zoeken. Het bekrompen bouwterrein maakte het aanbrengen van galerijen noodzakelijk. Wanneer men voor een dergelijke aanleg gotische voorbeelden zoekt, komt men al snel bij de vroege Franse gotiek terecht. De vormgeving van de kerk stemt daarmee dan ook overeen. Een ander element dat bij Molenaar nog veel zal voorkomen was ook in de Groninger kerk te vinden: een voorgevel met twee achtkantige torens. Dit is vrijwel zeker een ontlening aan een hoofdwerk van Alfred Tepe, de Krijtbergkerk te Amsterdam (1880). Dergelijke façades zal Molenaar nog ontwerpen in Nijmegen, St. Ignatius (1894) en Den Haag, kapel Groenesteyn (1892). In de vormgeving van deze gevels wijkt Molenaar van Tepes voorbeeld echter aanzienlijk af. Van de vele in deze periode in vroeggotische trant door hem opgetrokken kerken was de O.L. Vrouwe Onbevlekt Ontvangen in Den Haag (1890-1892), een van Molenaars onbetwiste hoofdwerken. In deze zeer monumentale basiliek met twee torens zijn Molenaars opvattingen als het ware voor het eerst tot een synthese gekomen. Zij is voorzien van galerijen en bezit een rijk aangelegde klaverbladvormige koorpartij, alles in vormen ontleend aan de vroege gotiek.

In het algemeen is bij Molenaars kerkbouw van de jaren negentig een zekere tendens tot versobering van de vormgeving te bespeuren, die voorlopig culmineert in de in felrode baksteen opgetrokken St. Willibrordus van Wassenaar (1903). Met deze tendens hangt wellicht samen dat hij zich in zijn ontwerp voor de Haagse St. Martha (1907), voltooid 1924) heeft laten inspireren door de late gotiek van de Hollandse kuststreek. Het is overigens opmerkelijk dat hij, in tegenstelling tot Cuypers, pas heel laat begint zijn kerkinterieurs als schoonwerk te behandelen. Een belangrijk gegeven in zijn werk is zijn occupatie met de centraalbouw. Reeds de Haagse O.L. Vrouwe vertoont door haar brede transept uitgesproken centraliserende tendensen, die ook in ander werk, zoals de koorpartij van de Noordwijkse kerk, terugkeren. In de periode na 1890 komt de gedachte sterk naar voren dat een kerkgebouw een zo groot mogelijk aantal kerkgangers een vrij gezicht op het altaar moet kunnen bieden. Experimenten met centraal opgezette kerken worden daardoor sterk gestimuleerd. Molenaar heeft diverse ontwerpen voor centraalbouwen gemaakt, meestal in een vormgeving die sterk herinnerde aan de Haagse O.L. Vrouwe. Geen van deze plannen kwam tot uitvoering. In zijn kerk te Noordwijk (1894, voltooid met afwijkende torenpartij 1927) had hij reeds geëxperimenteerd met een systeem van overwelving dat een minimum aantal pijlers mogelijk maakte en daarmee aan de eis van grotere overzichtelijkheid der kerkruimte tegemoet kwam.

In 1912 krijgt hij opdracht tot de bouw van de kerk der H.H. Engelbewaarders in Den Haag (gesloopt 1982). In dit gebouw kwamen alle tendensen in Molenaars ontwikkeling te zamen. De vroeggotische vormgeving, het zoeken naar een centraliserende ruimte, een gewelfsysteem met zo weinig mogelijk steunpunten en een uiterste soberheid in de detaillering. Voor de plattegrond van het gebouw gebruikte Molenaar een aantal elementen van de Liebfrauenkirche in Trier, een der weinige centraliserende gotische kerken. Om een zo groot mogelijke gewelfoverspanning te krijgen, greep hij terug op de achtdelige koepelgewelven van de vroege Westfaalse gotiek. Het gebruik van dergelijke gewelven, dat in de neogotiek een unicum is, leverde, gecombineerd met een gering aantal steunpunten, volgens het in Noordwijk ontwikkelde systeem, een buitengewoon weidse ruimte op. Ook de uitwendige proportionering was met de grootste zorg behandeld. Tot op het laatst blijft Molenaar voor kerkelijke opdrachten de neogotiek trouw. Alleen in zijn laatste kerk, de H.H. Martelaren van Gorcum in Den Haag (1922, gesloopt 1941), beproeft hij een iets modernere vormgeving.

Lange tijd werd de vooruitstrevendheid van een architect als criterium voor zijn betekenis gehanteerd. Wanneer men dat doet is Molenaar geen belangrijk architect. Hij was uitgesproken traditioneel in zijn opvattingen. Wanneer men echter moderniteit niet langer als maatstaf aanlegt, kan men een architect als Molenaar beter op zijn merites beoordelen. Het valt niet te ontkennen dat zijn materiaalgebruik en detaillering soms wel eens wat droog en eentonig aandoen. Zijn betekenis ontleent hij echter aan zijn talent om met bouwvolumes om te gaan en vooral aan zijn ruimtelijk vermogen. De manier waarop hij ruimte gestalte wist te geven maakt deze betrekkelijk onbekende architect tot een bouwmeester van meer dan gewone betekenis.

A: Tekeningenarchief in Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst, Amsterdam.

P: Lijst van werken in onder L genoemde catalogus.

L: J.M. van Hardeveld, 'Nicolaas Molenaar sr. tachtig jaar', in Van Bouwen en Sieren 1 (1930) 209-217; H.P.R. Rosenberg, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972) 103; Nicolaas Molenaar. Sneek 1850 - 's-Gravenhage 1930. [Bijdr. aan tentoonstellingscatalogus van P. Karstkarel et al.] (Leeuwarden, 1977); A.J. Looyenga, 'De kerk der H.H. Engelbewaarders te 's-Gravenhage', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 78 (1979) 57-83; M. Bock, Anfänge einer neuen Architektur ('s-Gravenhage, 1983) 272-273.

A.J. Looyenga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013