Moors, Petrus Joannes Antonius (1906-1980)

 
English | Nederlands

MOORS, Petrus Joannes Antonius (1906-1980)

Moors, Petrus Joannes Antonius, bisschop (Tungelroy, gem. Weert 25-8-1906 - Venray 16-9-1980). Zoon van Petrus Joannes Moors, hoofd lagere school, en Maria Gertrudis Ament. afbeelding van Moors, Petrus Joannes Antonius

Moors stamde uit het land van Weert, als oudste uit een r.-k. gezin met zes kinderen, allen zoons. Vier van hen werden priester, en twee van dezen werden tot het bisschopsambt geroepen. Petrus Moors studeerde aan het gymnasium te Weert, en vervolgde zijn priesteropleiding met een tweejarige filosofiestudie te Rolduc en een vierjarige theologiestudie aan het groot-seminarie te Roermond. Aldaar werd hij op 5 april 1930 door mgr. L.J.A.H. Schrijnen priester gewijd, en in hetzelfde jaar benoemd aan het Bisschoppelijk College te Weert, waar hij o.a. handelswetenschappen doceerde. Ten behoeve hiervan behaalde hij de akte MO boekhouden aan de Tilburgse Leergangen. Gedurende 29 jaar zou hij zijn bijzondere pedagogische en bestuurlijke kwaliteiten in dienst stellen van het middelbaar onderwijs. Van het Weertse college met een internaat en een externaat werd hij in 1937 prefect van de externen, in 1941 provisor, in 1942 directeur. Onder zijn leiding is deze scholengemeenschap sterk uitgebreid: zij groeide van een instituut van slechts regionale betekenis uit, vooral ook door zijn modern internaat, tot een landelijk vermaarde onderwijsinstelling.

In 1957 benoemde mgr. J.H.G. Lemmens hem tot president van het door deze bisschop in 1947 tot exclusief klein-seminarie omgevormde Rolduc. Hier ontving Moors op 26 januari 1959 zijn benoeming tot bisschop van Roermond, als opvolger van mgr. A. Hanssen, die in 1958 was overleden. Zijn keuze is toe te schrijven aan zijn bewezen opmerkelijke bestuurstalent, en tegelijk aan zijn intens beleefd priesterschap en hartelijke, eenvoudige, pretentieloze menselijkheid. Hijzelf voelde zich niet zo geschikt voor dit ambt. Vooreerst omdat hij nooit de gelegenheid had gehad te werken in het parochiële basispastoraat, en bovendien omdat hij slechts de traditionele thomistische theologie-opleiding had gehad, terwijl ondertussen de zg. Nouvelle Théologie reeds in volle opmars was gekomen. Moors was de 21e bisschop van het diocees Roermond sedert de oprichting daarvan in 1559, de 7e sedert de heroprichting van de Nederlandse kerkprovincie in 1853. Als wapenspreuk koos hij 'Caritas ex Deo' (l. Jo. 4, 7). Van meet af aan stond de zorg voor zijn priesters, alsook voor hun opleiding en voortgezette vorming voorop. Ter verbetering van de priesteropleiding haalde hij de tweejarige filosofiecursus weg van Rolduc, en richtte daarvoor in 1961 te Heerlen een apart Philosophicum op. Toen in 1966 de landelijke concentratie tot stand kwam van de vele seculiere en reguliere instituten voor hogere priesteropleiding, zette mgr. Moors het Heerlense Philosophicum om tot de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat met drie reguliere congregaties als participanten. Daarin werd ook het Roermondse groot-seminarie opgenomen, toen het in 1968 als aparte instelling werd opgeheven. Door deze bundeling voorkwam hij een drainage van het in Limburg rijkelijk aanwezige spiritueel-theologische potentieel, en een algemene uitzwerming daarvan naar andere delen van het land.

Gedurende dertien jaar gaf Moors leiding aan het bisdom Roermond in een tijd die zowel religieus-kerkelijk, alsook sociaal-economisch en cultureel sterk in beweging was. Zuid-Limburg werd een speciaal probleemgebied, ook pastoraal, ten gevolge van de algemene sluiting van de kolenmijnen. Moors is nooit een volkse bisschop geworden, zoals mgr. Lemmens, die Hanssen was voorafgegaan. 'Het lag niet zo in mijn natuur, en bovendien geloof ik, dat veel mensen een andere benadering wilden zien', zei hij achteraf. Bewust legde Moors het zwaartepunt op een intensief en collegiaal contact met zijn priesters, die steeds en gemakkelijk toegang tot hem vonden, en van wie velen hem als raadsman zochten. Reeds in zijn eerste brief aan zijn clerus had hij erop gewezen dat het aantal priesterwijdingen begon achter te blijven op het priesterverlies in de actieve pastoraal. In de jaren zestig kwam daarbij nog het vrij grote aantal ambtsverlaters. Hij leed daar zeer onder, maar algemeen worden toch de ruimheid en mildheid geprezen waarmee hij deze mensen in hun persoonlijke crisis begeleidde. Belangrijk was ook Moors' in 1964 doorgevoerde sanering van de priestersalariëring. Door het verschaffen van een vast inkomen, ongeacht de verscheidenheid aan functies, maakte hij een einde aan de vaak grote en van toevallige omstandigheden afhangende verschillen in de honorering van de geestelijkheid. Zo maakte hij ook, door middel van de oprichting van een personeelsdienst, een einde aan een min of meer willekeurig benoemingsbeleid, waarbij de betrokkene geen enkele vorm van inspraak had.

De grote cesuur in zijn ambtsperiode werd het tweede Vaticaans Concilie (1962 - 1965). Hij heeft dit zeer intensief meegemaakt en beleefde het onder meer als een ruime theologische bijscholing voor zichzelf. Daarna werd hij geconfronteerd met een heel andere en gecompliceerdere opgave dan vóór 1962. De Nederlandse bisschoppen gingen veel nauwer samenwerken en ontwikkelden landelijke initiatieven om binnen de vaderlandse kerk gestalte te geven aan het tweede Vaticanum. Moors werd bij zijn collegae-bisschoppen hoog gewaardeerd wegens zijn solidariteit, zijn eerlijkheid en deskundigheid. Binnen het bisdom Roermond richtte hij in 1965 een Diocesaan Pastoraal Centrum op, samengesteld uit priesters, religieuzen en leken. Het moest als raadgevende instantie van de bisschop fungeren en de communicatie bevorderen tussen de bisschop, priesters en leken op alle terreinen van zielzorg en apostolaat. Overeenkomstig het advies van dit centrum publiceerde Moors in 1966 zijn 'Structuurplan voor de zielzorg' in Analecta voor het bisdom Roermond 47 (1966) 114-125, waarin het zwaartepunt van de zielzorg verlegd werd van de parochie naar het dekenaat, dat een scharnierfunctie kreeg tussen de leiding van het bisdom en de parochies. In dat kader werden allerlei adviesorganen en samenwerkingsverbanden geschapen, en zodoende kwam het lang vergeten synodale kerkmodel weer tot leven, o.a. in de oprichting van de Diocesane Pastorale Raad met democratisch gekozen vertegenwoordigers uit alle sociale en kerkelijke geledingen van het bisdom.

Moors was een uitgesproken voorstander van een gezagsuitoefening-in-dialoog, daarbij steeds attent op een realistisch beleid. Hij was een man van het gematigde midden, steeds zoekend naar een gezond evenwicht en optredend als een man van verzoening. Dit heeft hem, zijns ondanks, tot een controversiële figuur gemaakt. Volgens sommigen was zijn beleid niet progressief genoeg, volgens anderen te tolerant. Zelf ging hij zeer gebukt onder de vaak fel polariserende standpunten. In 1965 kreeg hij mgr. E. Beel als hulpbisschop, later ook zijn tweede vicaris-generaal naast mgr. P. van Odijk. Zijn grote zorgen en de veelheid van problemen tastten zijn gezondheid aan, en hij moest voortijdig als bisschop ontslag aanvragen. Dit verkreeg hij op 30 december 1970, terwijl hij gelijktijdig tot apostolisch administrator van het bisdom werd benoemd, en tevens tot titulair bisschop van Maastricht. Met voorbijgaan van de door het kathedrale kapittel opgestelde voordracht benoemde Paulus VI pas op 22 januari 1972 J.M. Gijsen tot zijn opvolger. Menigeen zag deze benoeming als een Romeinse desaveu van het beleid van Moors. Dit blijkt onder meer uit het feit dat zijn opvolger al gauw, en dit met herhaalde instemming van pauselijke zijde, een Groot-Seminarie oude stijl oprichtte te Rolduc, terwijl hij de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat te Heerlen niet als een geschikte opleiding tot kerkelijke functies wilde aanvaarden. Hij die zo naar verzoening van tegenstellingen had gestreefd, moest toezien hoe de polarisatie alleen maar in hevigheid toenam. Hij trok zich terug in het Noordlimburgse Geijsteren, waarvan hij nog vijf jaar pastoor was. In 1977 ging hij met emeritaat en vestigde zich in Swolgen. Op weg naar een begrafenis overleed hij plotseling. Overeenkomstig zijn wens werd hij niet begraven in de bisschoppelijke grafkapel te Roermond, maar in zijn geboortedorp Tungelroy.

Sedert zijn terugtreding als bisschop heeft Moors tot aan zijn dood uitvoerige dagboekaantekeningen bijgehouden over de gebeurtenissen in de voor de Limburgse kerk zo kritische jaren zeventig. Deze worden als uiterst waardevol en onthullend aangemerkt, maar zijn, overeenkomstig Moors' laatste wilsbeschikking, nog niet toegankelijk.

A: Dagboek-Moors onder beheer van prof.dr. L. Meulenberg, Heerlen.

P: Officiële publikaties in de periode 1959 t/m 1972 in Analecta voor het bisdom Roermond.

L: interviews n.a.v. benoeming en ontslagaanvrage als bisschop in Maas- en Roerbode, 2-2-1959 en 5-6-1971. necrologieën in Limburgs Dagblad (voor Oostelijk Zuidlimburg), 17-9-1980; J.M. Gijsen, in Archief van de kerken 35 (1980) kol. 983-984. Menselijke verhoudingen in de kerk. Liber Amicorum Petri [Samengest. door Asselbergs-Arnolds ... et al.] (Hilversum, 1980).

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, afb. 2a20471.

P.A. van den Baar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013