Netscher, Franciscus Cristianus Johannus (1864-1923)

 
English | Nederlands

NETSCHER, Franciscus Cristianus Johannus (1864-1923)

Netscher, Franciscus Cristianus Johannus (Frans), letterkundige en publicist ('s-Gravenhage 30-4-1864 - Haarlem 19-11-1923). Zoon van Franciscus Henricus Johannus Netscher, bestuursambtenaar in Ned.-Indië, en Catharina Machiela Johanna Netscher. Gehuwd op 19-4-1900 met Emily Smith. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Netscher, Franciscus Cristianus Johannus

In het jaar van Netschers geboorte publiceerde zijn vader, oud-resident op Java, de brochure Regt en onregt of de toestand der gewestelijke besturen in Indië tegenover de particuliere industrie ('s-Gravenhage, 1864), een aanval op het koloniale bestuur in de vorm van een gedocumenteerde uiteenzetting van de omstandigheden die tot zijn ontslag uit 's lands dienst hadden geleid. Frans, de derde zoon, nam de pen reeds als scholier te Gorkum ter hand; enkele van zijn stukjes verschenen in de plaatselijke courant. Zijn belangstelling voor de literatuur werd pas echt gewekt toen hij in Den Haag terechtkwam op de hogereburgerschool aan het Bleijenburg. Tot zijn leraren daar behoorde Jan ten Brink, die, zoals Netscher later zou getuigen, van de lessen Nederlands een 'heerlijke verpozing' maakte. Hij sloot vriendschap met de één klas hoger zittende Louis Couperus. Iedere dag wandelde hij met hem naar school, en samen spraken zij over de auteurs voor wie zij bewondering koesterden. Netscher frequenteerde de Haagse café's waar schrijvers en schilders elkaar troffen. Dank zij Ten Brink en een kunstminnende neef, Jacob van Santen Kolff, ontdekte hij de Franse naturalisten, in het bijzonder Emile Zola. Hij las al diens werk, correspondeerde - net als zijn neef - met hem en schreef in 1884-1885 in een aantal bladen over de beginselen van het naturalisme. Hij meende dat de Nederlandse literatuur zich tot deze kunstrichting moest bekeren, wilde zij verder komen dan provincialisme en brave gezapigheid.

Zijn artikelen bood hij ook de redactie van De Gids aan, maar deze toonde nauwelijks belangstelling. Een offensief tegen de gevestigde letterkundigen achtte hij daarom geboden. Aan zijn vriend Arij Prins schreef hij in december 1884: 'Ik heb nu de overtuiging gekregen, dat 'de Gids' onze gids niet worden zal.'

Een half jaar later, in juli 1885, vroeg Willem Paap hem mee te werken aan een nieuw tijdschrift dat in oktober zou gaan verschijnen: De Nieuwe Gids. Netscher voldeed maar al te graag aan dat verzoek. In de eerste nummers van De Nieuwe Gids publiceerde hij de korte impressie 'Herfst in het woud' en haalde hij uit naar de populaire Justus van Maurik, die om zijn vals sentiment 'uit naam van het realisme en de waarachtige kunst ferm bij de ooren' moest worden getrokken. Netscher was ambitieus, hij wilde het Nederlandse proza nieuwe impulsen geven. Een van de zaken waarop de jonge man hamerde was dat de letterkunde te rade moest gaan bij de moderne psychologie, hetgeen haar wetenschappelijker zou maken. Zijn bundel Studie's naar het naakt model ('s-Gravenhage, 1886) werd welwillend ontvangen. Toen Busken Huet in mei 1886 overleed schreef Netscher aan een van zijn vrienden: 'Busken Huet dood! Er begint weer meer ruimte op den horizon te komen. Laten wij nu zorgen, dat ze ons niet naar achteren dringen. Vooruit!'

Toch zou hij niet op zijn nummer worden gezet door de oude garde, maar door een vertegenwoordiger van de nieuwe, namelijk Lodewijk van Deyssel. In april 1886 liet deze een brochure het licht zien, Over litteratuur (Amsterdam, 1886), met Netscher als doelwit. Van Deyssel meende dat hij zich al te nadrukkelijk op de voorgrond had gedrongen als de vertegenwoordiger van het Hollandse naturalisme, terwijl hij toch geen enkele originele gedachte had. Wat Netscher aan theorieën te berde bracht, zou rechtstreeks zijn ontleend aan Zola, volgens Van Deyssel: Zola was de 'kip, die achter de Hollandsche duinen het ei Netscher is komen leggen'. Veel meer dan een pedante schoolmeester leek hij Netscher niet te vinden. De brochure was in gedreven toon gezet, en werd op slag klassiek. Er is dan ook wel gesuggereerd dat Netschers naam alleen door dit geschrift is blijven voortleven. Hijzelf schreef in zijn correspondentie dat Over litteratuur was ingegeven door 'krankzinnige eigenwaan en dwaze afgunst', al erkende hij dat er 'eenige bladzijden uitmuntend lyrisch proza in voor komen'. Zijn contacten met De Nieuwe Gids werden er niet beter op; hij achtte dit tijdschrift te slap in de naturalistische leer. Mede hierom vatte hij het plan op met Willem Paap een eigen tijdschrift te beginnen. Een naam had hij er al voor: 'De Vrijheid'. Maar verder dan de plannen kwam het niet, financieel kreeg hij het blad niet rond, en bovendien hielden de Nieuwegidsers die hij om bijdragen vroeg zich op afstand.

Nu was Netscher ook geen gemakkelijk persoon. Hij was eigenwijs en weinig fijngevoelig, miste gevoel voor humor, polemiseerde graag en scherp en zou daarom de bijnaam Frans de Snijder krijgen. In elk geval zorgde hij vaak voor opschudding, zo bijvoorbeeld in het Haagse letterkundige genootschap 'Oefening Kweekt Kennis'. Hij vond dat de nieuwe kunst daar te weinig aan bod kwam, en liet zich onverwacht met behulp van enkele bentgenoten in het bestuur kiezen. Het gevolg was dat de meeste leden de vergaderingen van het genootschap gingen boycotten. Al na een jaar, in 1887, trad hij uit het bestuur. Het was een van de redenen waarom hij naar Rotterdam verhuisde. 'In Den Haag kon ik 't niet meer uithouden', schreef hij in november 1887, 'het artistieke leven is er dood, en alles wat er uit kan, gaat naar elders. Dat voorbeeld heb ik gevolgd.'

Hij probeerde van de pen te leven, maar had voor alle zekerheid in de Staten-Generaal leren stenograferen. Zodoende kwam hij in aanraking met de politieke cultuur van het Binnenhof, waartoe hij zich al van huis uit voelde aangetrokken en die hij nu tot onderwerp van zijn letterkundig werk maakte. Een van de resultaten ervan was In en om de Tweede Kamer. Parlementaire portretten en schetsen (Amsterdam, 1889), een boek waaruit bleek dat zijn belangstelling gaandeweg naar de journalistiek was verschoven. 'Je durft toch maar alles', schreef zijn jeugdvriend Couperus hem zuinigjes naar aanleiding van In en om de Tweede Kamer.

Netscher durfde nog veel meer dan politiek en letterkunde met elkaar verbinden. Er school een fervent sportliefhebber in hem. Hij speelde in zijn jonge jaren cricket, maar legde zich na het midden van de jaren tachtig op het wielrijden toe, mede ter verbetering van zijn gezondheidstoestand. Hij deed mee aan wedstrijden op de weg en op de baan, en won zelfs prijzen. Vanaf 1890 zou hij zich hoofdzakelijk als official onderscheiden. Hij werd bij wielerwedstrijden een internationaal erkend tijdwaarnemer, begeleidde Jaap Eden aan het begin van diens carrière en was een der oprichters (1892) van de International Cyclists' Association, een vereniging die hij tevens enkele jaren voorzat. Belangrijker nog was dat hij, na stenograaf te zijn geweest van de gemeente Leiden, van 1891 tot 1900 optrad als hoofdredacteur van De Kampioen, het orgaan van de Algemeene Nederlandsche Wielrijders Bond (ANWB). De groei van de Bond in deze periode was niet in de laatste plaats te danken aan Netschers wervende activiteiten. In De Kampioen schreef hij artikelen over de maatschappelijk functie van de sport (later gebundeld in Uit mijne sportportefeuille (Amsterdam, [1899]), die 'wakkerheid en tegenwoordigheid van geest' zou bevorderen. Bovendien beval hij de vélo aan als middel tot emancipatie van de vrouw: 'Terwijl zij op haar wiel is gezeten, leert zij in de onafhankelijkheid van haar rijden haar eigen wil uit te voeren... zij scherpt 't oog; bij het besturen moet zij plotselinge besluiten nemen; ze weet langzamerhand op zich zelf te moeten vertrouwen en niet altijd van anderen te moeten afhangen.' Wielrijden had volgens hem nog een ander voordeel: het bracht de moderne stadsmens weer in aanraking met de natuur. Zelf toefde hij gaarne buiten, de beste bladzijden uit zijn werk zijn wellicht die welke natuurimpressies bevatten. Een hoogtepunt zou Tusschen de zeeën en achter het duin [1910] worden, uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de ANWB, in de serie In ons eigen land; lyrisch bezong hij daar het polderlandschap en de 'wolkendrama's in het luchtgewelf'.

Zijn verlangen een eigen blad te redigeren had hij intussen niet opgegeven. Dat zou niet uitsluitend literair van aard behoeven te zijn, hij wilde zich immers 'in vele richtingen tegelijk" bewegen. Tijdens een bootreis naar Londen besloot hij met de Haarlemse uitgever Vincent Loosjes een Nederlandse tegenhanger van W.T. Steads Review of reviews te produceren. En ditmaal lukte het: in januari 1896 verscheen het eerste nummer van De Hollandsche Revue. Netseher was (en bleef) er de enige redacteur van. Hij zou dit maandschrift 25 jaar nagenoeg alleen en onafgebroken volschrijven. Niet ten onrechte noemde hij het zijn levenswerk. Elke jaargang telde omstreeks duizend bladzijden druks. Het blad had een vaste formule. Geopend werd met een overzicht van het wereldnieuws, daarna volgde de rubriek Belangrijke Onderwerpen, waarin Netscher vooral aandacht besteedde aan nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap - want hij geloofde in de vooruitgang -, dan de zogenoemde Karakterschets, vervolgens een overzicht van de binnen- en aanvankelijk ook de buitenlandse tijdschriften, en ten slofte het Boek van de Maand. Een prospectus uit 1899 legde uit dat het blad bedoeld was 'voor ieder beschaafd Nederlander, die op de hoogte van zijn tijd wil blijven'. Netscher kon in de Revue naar hartelust de schoolmeester zijn waarvoor Van Deyssel hem had gehouden, maar dan wel een van het veredelde soort. Hij schreef helder en concies over de meest uiteenlopende onderwerpen; volgens de Amsterdammer had zijn 'intellect zich bekwaamd in de echt Amerikaansche scherpe vindingrijkheid en hartige energie'. De karakterschetsen waren zijn specialiteit. Hierin liet hij tal van personen de revue passeren, die zich op enigerlei terrein hadden onderscheiden: dat konden zowel Amerikaanse presidenten zijn (kenmerkend genoeg bewonderde hij Theodore Roosevelt, de propagandist van een 'strenuous life'), als fabrikanten, hervormers of kunstenaars uit het eigen land. De meesten van hen had hij aan een vraaggesprek onderworpen. De schetsen bevatten nog altijd een schat aan informatie.

Netscher sprak zich in zijn tijdschrift niet duidelijk in politieke zin uit, zij het dat tussen de regels door zijn links liberalisme viel te bespeuren. Hij schreef niet alleen over politiek, hij nam er ook actief aan deel. Hij was een der eerste leden van de Vrijzinnig-Democratische Bond, die zich vlak na de eeuwwisseling om de kiesrechtkwestie van de Liberale Unie had afgescheiden. In 1900 verhuisde hij naar Santpoort (gemeente Velsen), waar hij raadslid en wethouder werd. In 1906 en 1909 stelde hij zich, overigens zonder succes, verkiesbaar voor de Tweede Kamer. Hij ijverde in zijn woonplaats voor beter openbaar onderwijs en landelijk voor het recht van ieder op een staatspensioen. Met D.A. van Krevelen reisde hij naar Denemarken en Engeland om er de sociale wetgeving te bestuderen. In opdracht van de Bond voor Staatspensioneering schreef hij met Van Krevelen hierover twee rapporten.

'Wil je een groot man worden, dan moet je leven midden in de strijd van je geslacht', meende hij. Het verlangen naar grootheid was een duidelijke tendens in Netschers leven. In de literatuur zou hij deze status niet bereiken. Zijn laatste poging daartoe was de tweedelige, in het Haagse milieu spelende roman Egoïsme (Amsterdam, 1893), weer geheel volgens het naturalistische procédé geschreven, maar te langdradig. Ook zelf zag hij daarna in dat zijn artistieke gaven beperkt waren. Zijn bewondering voor anderen die wel in staat waren een omvangrijk oeuvre te scheppen werd er alleen maar groter door. In 1910 trad hij toe tot de redactie van De Nieuwe Gids, wat echter meer een bewijs van de teruggelopen invloed van dat tijdschrift was dan een erkenning van Netschers literaire invloed. De Revue en de politiek bleef hij prioriteit geven. In zijn spaarzame vrije uren vermeide hij zich, rond zijn huis te Santpoort, in de bijenteelt.

Zijn leven eindigde niet zonder tragiek. Loosjes had de Revue moeten overdoen aan de firma A.W. Bruna & Zoon te Utrecht, die het blad op haar beurt afstiet. Netscher had nooit een schriftelijk contract getekend, hetgeen er in 1921 toe leidde dat hij door een nieuwe uitgever aan de dijk werd gezet - kort daarop zou De Hollandsche Revue ter ziele gaan. Dat was een zware slag, ook financieel, en zijn vrouw zou zich herinneren: 'Hij wilde zich vergiftigen met mij.' Vrienden probeerden hem te helpen; in 1922 verscheen Netscher's Revue (Rotterdam, 1922). Levensvatbaar bleek het niet te zijn, na luttele maanden verdween het weer. Politieke beschouwingen in De Nieuwe Gids en herinneringen aan de vriend van zijn jeugd, Louis Couperus (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 9, 16 en 23 juni 1923), was het laatste dat hij schreef. Hij overleed, opgebrand en ontgoocheld, in november 1923.

Stellig is Netscher meer geweest dan het lijdend voorwerp van Van Deyssels venijn. Ook al stond hij slechts in de marge van de beweging van Tachtig, De Hollandsche Revue is een monument van energie en wilskracht. In 1951 schreef Jan Romein dat 'al onze maandbladen bij elkaar aan voorlichting nog op geen stukken na geven, wat de 'Hollandsche Revue' in haar eentje gaf'. Als voorlichter van zijn generatie had Netscher inderdaad zijn gelijke niet.

A: Collectie-Netscher in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de reeds genoemde werken: Menschen om ons ('s-Gravenhage, 1888); Uit ons Parlement. Portretten en schetsen uit de Eerste- en Tweede Kamer (Amsterdam, [1890]); Lastertongen. Een blik in de jongste Amsterdamsche letteren (Amsterdam, 1890); Karakters (Haarlem, 1899); Langs Holtand's stroomen ("s-Gravenhage, 1900); Uit de snijkamer (Haarlem, 1904); in de reeks Onze Letterkundigen (Amsterdam, [1903-1904]): 'Top Naeff', 'Jeanne Reyneke van Stuwe', 'Anna van Gogh-Kaulbach' en'Anna Ekker'; Theo [Heemskerk] (Amsterdam, 1911).

L: B.J. Zuyderhoff, 'Frans Netscher en de I.C.A.', in Geïllustreerde sportrevue 1 (1897) 3 (15 mei) 45-48; 'Frans Netscher, redacteur van "De Hollandsche Revue", in Het leven. Geïllustreerd 5 (1910) II, 583-588; E. d'Oliveira jr., "De mannen van '80 aan het woord" (Amsterdam, [1909]) 87-103; G. van Hulzen, in Eigen Haard 49 (1923) 817-818; W.J.L., 'Frans Netscher', in De Kampioen 40 (1923) 1157-1161; J. de Graaf, Le réveil littéraire en Hollande et le naturalisme francais [1880-1900] (Amsterdam, 1937) 41-56; S.W.F. Margadant, Geschiedenis van het letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis, 1834-1934 ('s-Gravenhage, [1934]) 73-79; J. Romein, 'De cultuurerosie gemeten. Tijdschriften voorheen en thans', in De Nieuwe Stem 6 (1951) 303-307; G.H. 's-Gravesande. De geschiedenis van De Nieuwe Gids. Brieven en documenten 2e dr. (Arnhem, 1956); G.W. Huygens, 'Frans Netscher', in NRC, 2-5-1964; Netscheriana. Samengest. door Nop Maas (Nijmegen, 1983).

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/beeld.php?id=nets002 [20-5-2008].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013