Nobel, Otto Willem de (1867-1950)

 
English | Nederlands

NOBEL, Otto Willem de (1867-1950)

Nobel, Otto Willem de, koordirigent en componist (Haarlem 10-2-1867 - Voorburg 28-11-1950). Zoon van Willem George Lodewijk de Nobel, drukker, en Susanna Maria Otto. Gehuwd op 12-1-1893 met Theodora Groeneveld. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

Otto de Nobel was aanvankelijk voorbestemd om in de drukkerij van zijn vader te werken, maar alras bleek dat zijn belangstelling voor muziek niet te onderdrukken was. Op zeventienjarige leeftijd werd hij koorlid van Haarlemsch Zanggenot en ging hij studeren aan de Haarlemse muziekschool. Vervolgens studeerde hij in Amsterdam zang bij Ambrosius Knoop, en na het vervullen van zijn militaire dienstplicht verbond hij zich als baszanger aan de toen net opgerichte Hollandsche Opera van J.G. de Groot. Na een keelaandoening zette hij in de jaren 1889-1894 zijn muziekstudie voort aan het Amsterdamse conservatorium in de vakken piano en zang. In deze periode maakte hij deel uit van Daniel de Langes Amsterdamsch a Capella-Koor. Na het eindexamen werd hij aan hetzelfde conservatorium plaatsvervangend leraar solozang; hij verving daar Joh. M. Messchaert, die door zijn talrijke concertreizen vaak afwezig was. In het seizoen 1894/ 1895 was De Nobel verbonden aan de Nederlandsche Opera van Cornelis van der Linden te Amsterdam. Voor een operacarrière bleek hij echter niet geschikt. Hierna vond hij een bestaan als privéleraar in zang- en spraakkunst, en in de avonduren dirigeerde hij koren in enkele steden in het westen des lands. Door zijn bekwame leiding bereikten deze doorgaans een hoog artistiek niveau. Ook componeerde hij verscheidene koorwerken, zoals Super flumina Babylonis (ca. 1900), Psalm 8 (ca. 1900) en Gloria in excelsis Deo (ca. 1920).

In mei 1898 werd De Nobel gevraagd dirigent te worden van het socialistische koor 'De Stem des Volks' in Amsterdam, dat op 17 januari van dat jaar was opgericht. Aangezien hij welwillend tegenover de arbeidersbeweging stond, aanvaardde hij het dirigentschap. Uit vrees echter zijn betrekking aan het conservatorium te verliezen, omdat hij voor 'de rooien' werkte, trad hij aanvankelijk op onder de schuilnaam Lebon (een woordomkeer). In korte tijd slaagde hij erin dit koor, waarvan veel diamantbewerkers lid waren, tot grote bloei te brengen. In sociaal-democratische kringen was men zeer ingenomen met het aanzien dat dit arbeiderskoor - ook buiten de eigen kring - verwierf. Binnen enkele jaren rezen in verschillende plaatsen van ons land soortgelijke koorverenigingen als paddestoelen uit de grond. Deze arbeiderskoren lieten zich graag horen: bij vergaderingen van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de vakverenigingen, bij protestbij eenkomsten en één-meivieringen. Op initiatief van de Amsterdamse 'Stem des Volks' werd in 1902 de Bond van Arbeiderszangvereenigingen in Nederland opgericht, waarbij de 'rode' koren zich aansloten en waarvan De Nobel adviseur was.

Al meteen ergerde De Nobel zich aan het lage artistieke peil van de werken die de Amsterdamse 'Stem' aanvankelijk vertolkte. Het duurde dan ook niet lang of hij ging zelf strijdliederen componeren. Vanaf ca. 1900 heeft hij tientallen dichtwerken van socialistische strijders getoonzet, waaronder De Nieuwe Tijd (ca. 1900), Morgenrood (ca. 1900), Eens komt een klare, schoone dag (1905) en Heil u, vaandel van den arbeid (1930). Binnen korte tijd oogstten de arbeiderskoorvereniging met deze werken heel veel succes. Nog grotere bekendheid kregen De Nobels strijdliederen vanaf 1926 door de talrijke uitvoeringen voor de VARA-microfoon en de verkoop van grammofoonplaten. Na de Tweede Wereldoorlog verflauwde evenwel geleidelijk de belangstelling voor zijn liederen, omdat de socialisten, door de verbeterde levensomstandigheden, niet meer zo strijdbaar waren en de retorisch-stichtelijke teksten wat ouderwets begonnen te vinden en ook omdat de arbeiderszangverenigingen met hun repertoire andere wegen insloegen. Alleen het Morgenrood, op tekst van Dirk Troelstra, behield nationale bekendheid.

Ondanks de roem die hij vergaarde met de Amsterdamse 'Stem des Volks' ontstond er toch gaandeweg een verwijdering. De Nobel was een man met een moeilijke en driftige aard, en veel rechtzinnige Amsterdamse koorleden vonden hem 'een burger'. Na een langdurige ziekte en strubbelingen daarna, werd in 1914 de band tussen dirigent en koor verbroken; zijn opvolger werd de eveneens bekwame dirigent Frans Rigter. Wel is Otto de Nobel daarna nog jarenlang dirigent geweest van 'De Stem des Volks' in Den Haag, Leiden, Dordrecht, Gouda, Haarlem en Rotterdam. In 1917 vestigde hij zich in Den Haag, waar hij overdag muziek- en zanglessen gaf. In de jaren dertig was hij directeur van een bescheiden muziekschool aan de Haagse Adelheidstraat, waar hij ook woonde. Enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog moest hij zijn dirigeerstok neerleggen, omdat zijn gezondheid en vooral zijn gezichtsvermogen achteruit gingen. Op 3 maart 1945 werd hij zwaar getroffen - bij het bombardement op het Bezuidenhout werd zijn woning verwoest; daarbij verloor hij zijn vleugel, boeken en muziek. Gedurende zijn laatste levensjaren bewoonde hij in Voorburg een gemeubileerde kamer, waar het luisteren naar de radio hem veel afleiding schonk. Dank zij bijdragen van socialistische organisaties en particulieren, benevens een subsidie van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, bleven hem ernstige financiële zorgen bespaard.

A: Manuscripten, foto's en documentatie in collectie-De Nobel in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Artikelen over zangkunst en de arbeiderszangverenigingen in De Stem des Volks 1 (1919) t/m 8 (1927), waaronder de 13-delige artikelenserie 'Zang en Spraak' (1924- 1927), opnieuw verschenen ibidem, 1950- 1952.

L: J.H. Letzer, 'Otto Willem de Nobel', in Muzikaal Nederland 1850 -1910 (Utrecht, 1911) 126; A. Pols, 'Een jubileum', in Het Volk, 27-1-1913; J.A.K. (=J.A. Krelage sr.), 'Otto de Nobel 1898-1925 ' en W.H. Vliegen,' Otto de Nobel', in De Stem des Volks 1 (1925)1; Nico Polak, 'Van ruige, ruwe zangers tot 'Messiah", in Het Vrije Volk, 1-2-1958. Verder artikelen in Het Vrije Volk, 8-2-1947 en 28-11-1950, Het Parool, 29-11-1950 en de Haagsche Courant, 28-11-1950, 29-11-1950 en 4-12-1950. Jaap van de Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten! (Utrecht [etc., 1974]); idem, in Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam, 1987) II, 102-103.

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013