Ozinga, Murk Daniël (1902-1968)

 
English | Nederlands

OZINGA, Murk Daniël (1902-1968)

Ozinga, Murk Daniël, architectuurhistoricus (Pernis, gem. Rotterdam 10-11-1902 - Utrecht 21-5-1968). Zoon van Daniel Osinga, predikant, en Aaltje Maria Janssen. Gehuwd op 6-9-1935 met Jenneke Rink, Na echtscheiding (15-10-1945) gehuwd op 27-11-1945 met Wilhelmina Luutske Antonia Ozinga. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren.

Ozinga doorliep het stedelijk gymnasium in Schiedam - hij legde tegelijkertijd de examens A en B af - en ging daarna in 1920 rechten studeren in Leiden. Aan zijn belangstelling voor het oudvaderlands recht was het te danken dat hij samen met W.S. Gelinck de twee delen van het Kenningboek der stad Leiden in 1928 kon uitgeven. Op 15-5-1922 had hij inmiddels zijn kandidaatsexamen behaald. Hierna besloot hij echter geschiedenis te gaan studeren, met als belangrijkste hoogleraren Johan Huizinga en D. Roessingh. Geleidelijk aan werd nu het bijvak kunstgeschiedenis (bij W. Martin) belangrijker. Zo besloot Ozinga na het behalen van het doctoraal examen (22-1-1924) te gaan promoveren bij deze kunsthistoricus, die naast de schilderkunst ook veel aandacht gaf aan de bouwkunst, waarvoor Ozinga veel belangstelling had. Martin introduceerde Ozinga bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, waar hij op 1 januari 1926 een aanstelling kreeg. Onder leiding van de directeur Jan Kalf ging hij monumenten beschrijven ten behoeve van de voltooiing van de delen Noord-Brabant en Groningen van de 'Voorloopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst'. Vooral de romano-gotische bouwkunst in de laatstgenoemde provincie had Ozinga"s liefde - hij trok heel vaak op de fiets in deze streken rond - zodat in 1940 zijn geïllustreerde beschrijving van Oost-Groningen kon worden uitgegeven, als onderdeel van de 'Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst'. In het Rijksbureau werd Ozinga ook actief betrokken bij de monumentenzorg, die hem zijn gehele leven zou blijven boeien.

Ondertussen was hij in 1929 gepromoveerd op de Protestantsche kerken hier te lande gesticht, 1596-1793, een onderwerp waarvoor hij, als zoon van een hervormd predikant, altijd al belangstelling had gehad. In 1930 begon Ozinga mee te werken aan het Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler (van U. Thieme en F. Becker), waarvoor hij biografieën van vele oude en moderne Nederlandse bouwmeesters schreef. Eén architect kreeg daarbij zijn speciale aandacht: Daniël Marot. Aan hem wijdde hij in 1932 een artikel in de feestbundel voor Martin en in 1939 een monografie, die met de Wijnaendts Francken-prijs bekroond werd. Ook werkte Ozinga mee aan H.E. van Gelders Kunstgeschiedenis der Nederlanden (1936), waarin voor het eerst een goed overzicht geboden werd van onze vaderlandse bouwkunst in de zeventiende en achttiende eeuw. Ozinga hechtte er echter aan zich niet tot de vakkringen te beperken, en schreef tussen 1933 en 1943 regelmatig in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Toen na de oorlog J.G. van Gelder een ministeriële opdracht had gekregen om de kunsthistorische studie in Utrecht weer aanzien te geven en er ook leerstoelen kwamen voor middeleeuwse kunst en iconologie enerzijds en voor geschiedenis van de bouwkunst anderzijds, werd Ozinga in 1947 benoemd tot buitengewoon hoogleraar voor het laatstgenoemde vakgebied. Zijn inaugurele rede luidde: Mythe en ratio in de verklaring der middeleeuwse architectuurgeschiedenis (1948). Kort daarvoor was hij al, bij de reorganisatie van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg tot Rijksdienst, hoofd van de afdeling beschrijving geworden.

Geleidelijk werden beide banen Ozinga te veel. Weliswaar publiceerde hij twee boekdelen over de romaanse en de gotische bouwkunst in ons land, in resp. 1949 en 1953, toch begon zijn wetenschappelijke produktie terug te lopen. Zijn belangstelling voor de 'West' dateert van rond 1953. Een aantal studiebezoeken ter plaatse resulteerden in 1959 in zijn boek De monumenten van Curaçao in woord en beeld, en in 1961 in een proeve voor een monumentenlijst van Suriname. Inmiddels was Ozinga in 1958 gewoon hoogleraar in Utrecht geworden en had hij de Rijksdienst vaarwel gezegd. De monumentenzorg verliet hij echter niet: in 1959 was hij benoemd tot lid van de Monumentenraad.

In Utrecht bleef Ozinga een actief docent en organisator. Zo stichtte hij binnen het Utrechtse Instituut de zogenaamde Index bouwkunst met visuele informatie over nog bestaande en verloren bouwwerken in Nederland. Voor het overige verliep het in Utrecht echter niet geheel naar wens. De aanvankelijk goede verstandhouding van de Utrechtse kunsthistorische hoogleraren Van Gelder enerzijds en W.S. Heckscher en Ozinga anderzijds verslechterde in de loop van de jaren zestig, wat zeker een schaduw heeft gelegd op Ozinga's laatste levensjaren, alhoewel zijn werkkracht onverminderd bleef. Hij werd ten slotte uit het volle leven gerukt door een hartaanval, nog geen jaar nadat hij een nieuwe woning in Vianen had betrokken, die geheel naar eigen inzicht was gebouwd.

Ozinga is op het gebied van de bouwkunst en de monumentenzorg in Nederland van grote invloed geweest, niet alleen doordat hij de eerste hoogleraar op dit terrein was, maar vooral door de overgave waarmee hij zich aan de hem gestelde taken heeft gewijd. Al vóór het tot stand komen van de Monumentenwet in 1940 had hij voor een wettelijke regeling op dit gebied geijverd, en ook later kwam hij op voor de bescherming en restauratie, niet alleen van belangrijke gebouwen, maar ook van burgerwoningen, boerderijen, dorps- en stadsgezichten en van de Utrechtse singels, die tot zijn grote teleurstelling ten dele gedempt waren.

Sinds 1932 was hij zonder onderbreking redacteur van het Oudheidkundig Jaarboek en het erop volgende Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. Hij was tussen 1953 en 1967 bestuurslid van de KNOB en van 1958 tot 1963 voorzitter. Ook had hij als bestuurslid zitting in de Bond Heemschut, de Vereniging Hendrick de Keyser en het Utrechts Monumentenfonds.

Als hoogleraar was hij een streng docent, die zijn studenten graag hoogwaardige informatie bood, maar tegelijkertijd tolerant en vol begrip voor hun problemen en noden was. Omdat hij als wetenschapsman behalve de grote lijn ook het detail nastreefde, hechtte hij eraan dat zijn studenten naast de overzichtscolleges veelvuldig werden geconfronteerd met de bouwwerken zelf. Hij was vanaf zijn eerste studiereis naar Frankrijk in 1921 dan ook een fervent excursieganger, en begeleidde de kortere en langere excursies doorgaans zelf.

P: W.S. Heckscher en Karla Langedijk, 'Bibliografie van de geschriften van M.D. Ozinga' (tot 1962) in Opus Musivum. Een bundel studies... t.g.v. zijn zestigste verjaardag... (Assen, 1964) 475-501.

L: 'Gesprek met prof.dr. M.D. Ozinga', in Co-bouw, 31-1-1963, 5-6; W.S. Heckscher, 'Murk Daniël Ozinga, een biografische schets vooraf', in Opus Musivum, 469-473; P. Singelenberg, 'Murk Daniël Ozinga als onderzoeker, in Simiolus 2 (1967/68) 114-116; R. Meischke, 'M.D. Ozinga, fel strijder voor onze monumenten', in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 8-6-1968. Wekelijks bijvoegsel, 9.

J. Storm van Leeuwen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013