Panhuijs, jhr. Haro Frederik van (1916-1976)

 
English | Nederlands

PANHUIJS, jhr. Haro Frederik van (1916-1976)

Panhuijs, jhr. Haro Frederik van (bekend onder de naam Van Panhuys), jurist ('s-Gravenhage 22-7-1916 - Wassenaar 12-4-1976). Zoon van jhr. Ulrich Willem Frederik van Panhuijs, griffier van de Hoge Raad der Nederlanden, en Arnoldina Maria Fanny Hubert. Gehuwd op 7-6-1947 met Hester Helena Maria Sophia Lasonder. Uit dit huwelijk werden 3 dochters geboren. afbeelding van Panhuijs, jhr. Haro Frederik van

Van Panhuys doorliep "Het 's-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium" en studeerde van 1935 tot 1937 theologie te Leiden, daarna, eveneens te Leiden, rechten, afgesloten met het doctoraal examen in 1941. Van 1942 tot 1945 werd hij waarnemend griffier bij de arrondissementsrechtbank te Arnhem en van november 1945 af commies in dienst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tot 1949 werkte hij op de directie Economische Zaken, waar hij vooral belast was met zaken betreffende vijandelijk vermogen en de financiële betrekkingen met Duitsland. Van Panhuys' keuze voor een volkenrechtelijke loopbaan is waarschijnlijk mede beïnvloed door zijn relatie met jhr. W.J.M, van Eysinga, een vriend van zijn reeds in 1927 overleden vader.

In 1949 verwisselde Van Panhuys de directie Economische Zaken voor de juridische afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar hij onder J.P.A. François sinds 1950 als waarnemend raadadviseur, en van 1958 af als raadadviseur werkte. In 1950/1951 trad hij tevens op als ambtelijk secretaris van de Staatscommissie nopens de samenwerking tussen regering en Staten-Generaal inzake het buitenlands beleid, de commissie-Van Eysinga. Deze functie leidde tot een van zijn eerste belangrijke publikaties, nl. 'The Netherlands constitution and international law' in American Journal of International Law 47 (1953) 537-558 en een preadvies met E. van Raalte voor de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht over De regeling der buitenlandse betrekkingen in de Nederlandse Grondwet ([Baarn], 1955). Als juridisch adviseur was hij bij vele onderdelen van het buitenlands beleid betrokken, bijvoorbeeld bij de onderhandelingen over het sluiten van de vrede met Japan (1951) en bij de Nederlandse deelneming aan de Zeerechtconferentie van 1958. Artikelen over statensuccessie, in casu over Indonesiës opvolging in door Nederland gesloten verdragen, en over de rechtspositie van vreemde troepen (Nederlands Tijdschrift voor Internationaal Recht 2 (1955) 55-75 en 253-278) deden hem kennen als een veelzijdig jurist met brede wetenschappelijke belangstelling.

Het proefschrift waarop hij in 1959 cum laude te Leiden promoveerde, The rôle of nationality in international law, legde getuigenis af niet alleen van zijn uitgebreide kennis van een materie waarmee hij zich sinds 1945 in de praktijk had beziggehouden, maar ook van een opmerkelijk vermogen tot synthese. Ondanks de haast waarmee het boek is geschreven is de helderheid van conceptie niet bedolven onder de details. De verhouding tussen de nationale en de internationale rechtsorde werd door Van Panhuysen monistisch opgevat, maar zijn uiteenzetting is vrij van dogmatisme. Het wekt geen verbazing dat hij op grond van dit boek in aanmerking kwam voor de opvolging van zijn promotor, F.M. van Asbeck, als hoogleraar in het volkenrecht te Leiden. De vervulling van deze vacature baarde nogal opzien. De faculteit droeg unaniem aan de curatoren B.V.A. Röling voor, hoogleraar in het strafrecht en het volkenrecht te Groningen. Het curatorium plaatste, op grond van aanbevelingen van buiten, Van Panhuys en Röling ex aequo op de voordracht aan de minister. Heeft Van Eysinga mede de aandacht op Van Panhuys gevestigd? Het faculteitsadvies, hoewel vol waardering voor Van Panhuys' toen nog niet voltooide proefschrift, wees op zijn gebrek aan ervaring als docent en legde wat Röling betreft de nadruk op diens gebleken vermogen studenten te stimuleren en in de universiteit in het algemeen een actieve rol te vervullen. Onder de studenten in het gehoor van de te benoemen hoogleraar zou zich ongetwijfeld de troonopvolgster bevinden. Het gerucht liep al snel dat het kabinet niet gaarne Röling, die zich vooral over het beleid in de kwestie Nieuw-Guinea zeer kritisch had uitgelaten, in een prominente positie te Leiden zag. De benoeming vormde onderwerp van bespreking in de ministerraad, waarbij minister J.M.L.Th. Cals zich uitdrukkelijk verweerde tegen de opvatting dat politieke motieven een rol zouden spelen bij zijn voorkeur voor Van Panhuys, die inderdaad benoemd werd. Deze aanvaardde zijn ambt op 8 april 1960 met de rede Regionaal of algemeen volkenrecht? Een te simpele vraagstelling [I960], een pakkend betoog waarin een volkenrechtelijk probleem van essentieel belang werd uiteengezet en de praktische betekenis daarvan aangetoond.

Het was de inzet van een professoraat waarin Van Panhuys zich als docent onder zijn studenten een grote reputatie verwierf, o.a. door elders toen nog niet gebruikelijke vormen van onderwijs. Over een hem zeer vertrouwd onderwerp, de verhouding tussen internationaal en nationaal recht, gaf hij een cursus aan de Haagse Académie de Droit International (Recueil des Cours 112 (1964) II, 1-89). Dit thema was ook het uitgangspunt van het voor een breed publiek geschreven Het recht in de wereldgemeenschap (1974). Ondanks een hier en daar wat gewild populariserende toon is het een boeiende inleiding, waarin aan het slot een opvallende bezorgdheid voor het leefmilieu tot uiting komt. Deze bleek ook in andere publikaties. Wegens de vervuiling van de Rijn opperde hij zelfs het indienen van een Nederlandse aanklacht tegen Frankrijk bij het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Contact met zijn vroegere werkkring bij Buitenlandse Zaken hield hij als lid van de Commissie van advies voor volkenrechtelijke vraagstukken en voorzitter van de Commissie voor ontwapening en veiligheid.

Van Panhuys behoort ongetwijfeld tot de toonaangevende figuren onder de Nederlandse volkenrechtjuristen van zijn generatie. In de praktijk geschoold besefte hij de dienende functie die het volkenrecht in die praktijk meestal vervult, getuige de aan hem toegeschreven vraag, bij een verzoek om advies, 'hoe juridisch mag het zijn?' Tegen een overspanning van de internationale rechtsorde waarschuwde hij steeds. Dit wil niet zeggen dat het hem aan een visie op de wereldrechtsorde ontbroken zou hebben. Wel onder de invloed van Van Eysinga betoonde hij zich een bewonderaar van de monistische visie van C. van Vollenhoven. Zette hij zo een Leidse traditie voort, ook in andere opzichten, o.a. door zijn afkomst, behoorde hij tot een zeldzaam wordend type hoogleraren. Zijn 'bescheiden' genoemde, terughoudende optreden in groter gezelschap paste daarbij, evenals een gebrek aan belangstelling voor universitaire bestuurstaken.

P: Bibliografie in onder L genoemde Essays..., 221-226.

L: M. Bos, in Netherlands International Law Review 23 (1976) 3-4; F. Kalshoven, in Nederlands Juristenblad 51 (1976) 635-636; idem, in Ik had het zelf kunnen bedenken. Van en over Haro F. van Panhuys... (Leiden, 1977) 124-131; Essays on the development of the international legal order. In memory of Haro F. van Panhuys. Ed. by F. Kalshoven, P.J. Kuyper and J.G. Lammers (Alphen aan den Rijn [etc.], 1980) VII-XI; M.J. van Emde Boas, Jonkheer Haro F. van Panhuys 1916-1976. With a preface by C.C.A. Voskuil (The Hague, 1987).

I: M.J. van Emde Boas, Jonkheer Haro F. van Panhuys 1916-1976 (Den Haag 1987) omslagfoto.

C.G. Roelofsen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013