Patijn, Jacob Adriaan Nicolaas (1873-1961)

 
English | Nederlands

PATIJN, Jacob Adriaan Nicolaas (1873-1961)

Patijn, Jacob Adriaan Nicolaas, burgemeester en diplomaat (Rotterdam 9-2-1873 - 's-Gravenhage 13-7-1961). Zoon van Jacob Gerard Patijn, jurist en politicus, en Adriana Jacoba Clasina Veeren. Gehuwd op 24-9-1903 met jkvr. Rudolphine van Doorn. Na haar overlijden (24-2-1923) gehuwd op 17-9-1924 met jkvr. Elisabeth Wilhelmina Malwina de Brauw. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. afbeelding van Patijn, Jacob Adriaan Nicolaas

Patijn ging, na zijn gymnasiale opleiding te 's-Gravenhage, in 1892 in Leiden rechten studeren. Op 25 november 1897 sloot hij bij J. Oppenheim deze studie af met een promotie op het proefschrift Zondagswetgeving (Leiden, 1897). Daarna studeerde hij nog één jaar aan de École Libre des Sciences Politiques in Parijs. In 1898 werd hij attaché aan de ambassade van Siam in Parijs en eind 1899 vertrok hij voor één jaar naar Bangkok als adviseur bij de hervorming van de Siamese wetgeving. Na beëindiging van zijn werkzaamheden daar maakte Patijn een wereldreis, waarbij hij onder meer Japan bezocht. Na terugkeer in Nederland vervulde hij verschillende functies. Van 1902 (-1906) was hij secretaris van de in dat jaar in het leven geroepen Mijnraad. Vanaf 1903 bouwde Patijn een ambtelijke loopbaan op, te beginnen bij de afdeling nutsbedrijven van de Haagse gemeentesecretarie, waarvan hij spoedig de leiding kreeg. Hij spande zich niet alleen in voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden van het gemeentepersoneel, maar hij probeerde ook de toestand van de werknemers in het algemeen te verbeteren, onder meer door stichting van een gemeentelijke arbeidsbeurs. Hij was een van de oprichters van de Vereeniging van Gemeentelijke Arbeidsbeurzen. Zijn ideeën over de regulering van de sociale en economische verhoudingen kon Patijn na 1908 verder concretiseren bij de afdeling Arbeidsverzekering van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, dat onder A.S. Talma verscheidene sociale wetten voorbereidde. Patijn had een wezenlijk aandeel bij de totstandkoming van de Kader- en Ziektewet van 1912.

De vooruitstrevende Unie-liberaal, die zich niet alleen een kundig jurist, maar ook een bekwaam bestuurder en vaardig debater toonde, werd in september 1911 benoemd tot burgemeester van Leeuwarden. Hij beantwoordde aan de verwachting dat hij tegenover de onrechtmatig geachte eisen van de sociaal-democratische leden van de gemeenteraad geen inschikkelijke houding zou aannemen. Patijns betekenis als burgemeester lag echter in het realiseren van stadsuitbreiding en verbeteringen op het gebied van energievoorziening, onderwijs, gezondheidszorg en volksgezondheid. De Eerste Wereldoorlog betekende voor Patijn, die steeds meer de zaken in eigen hand wilde houden, een ernstige taakverzwaring. Hij gaf leiding aan de opvang van 3000 Belgische evacués en organiseerde in 1917/1918 een straffe en doelmatige doch door de kritiek niet gespaarde levensmiddelendistributie.

In september 1918 volgde Patijn de tot minister van Buitenlandse Zaken benoemde H.A. van Karnebeek op als burgemeester van Den Haag. Zijn plannen voor uitbreiding van het gemeentelijk grondgebied slaagden wat Loosduinen betrof, maar met betrekking tot Voorburg en Rijswijk bleef succes uit. Naast de bouw van een nieuw stadhuis op het Alexanderveld spendeerde hij zijn energie aan de aanleg van een vijftal stadsparken. Zijn toenemende neiging zaken in eigen handen te houden en buiten het college van B & W om te handelen leidde tot ernstige spanningen en conflicten. Hoewel het burgemeesterschap hem zijdelings in contact bracht met de nationale en buitenlandse politiek, voelde hij zich niet direct geroepen zich daarin te begeven. In maart 1926 weigerde hij op grond van gebrek aan parlementaire ervaring en belangstelling in de landelijke politiek een opdracht tot kabinetsformatie in de crisis die ontstaan was na de nacht van Kersten over het gezantschap bij het Vaticaan. Op eigen verzoek nam Patijn in 1930 afscheid van Den Haag.

Met zijn benoeming tot gezant in Rome in januari 1931 deed Patijn zijn intrede in de Nederlandse diplomatie, die de laatste periode van zijn loopbaan zou bepalen. De doorgaans weinig omvangrijke en kalme betrekkingen met het fascistische Italië van Mussolini - voor wie Patijn enige bewondering had - kwamen door de Nederlandse deelneming aan de economische sancties van de Volkenbond tegen Italië na de Italiaanse verovering van Ethiopië (september 1935) onder grote druk te staan. Patijn zelfs was weinig ingenomen met de sancties, die hij als ineffectief afwees. Patijns benoeming tot gezant in Brussel in juli 1936 betekende een positieverbetering, omdat Brussel in verband met de traditionale gevoeligheden met België over de waterwegenkwestie als een moeilijke, maar om de nabuurschap tevens als belangrijke post te boek stond. De in het begin van de jaren '30 ingezette verbetering van de economische betrekkingen werd tijdens Patijns missie gecompleteerd door verruiming van de mogelijkheden tot politieke samenwerking na de terugkeer van België tot een neutraliteitspolitiek eind 1936.

In september 1937 werd Patijn minister van Buitenlandse Zaken in het in juni opgetreden vierde kabinet-Colijn, waarvan de positief christelijke signatuur hem als lid van de Oxfordgroep aantrok. Patijn zocht naar een nieuw plechtanker voor de Nederlandse buitenlandse politiek, nu door de reserve die Nederland met de Europese ex-neutralen gemaakt had tegenover de sanctie-verplichtingen van het Volkenbondsverdrag (september 1936) de collectieve veiligheid de rug was toegekeerd en een garantie van de territoriale integriteit door de grote Europese mogendheden naar de snit van het plan-Snouck Hurgronje onmogelijk was gebleken. Zijn niet aanvaarde plan voor non-aggressieverdragen met Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en België van februari 1939 was een poging hiertoe. Tegenover Duitsland probeerde Patijn moeilijkheden te vermijden uit vrees voor eventuele repercussies in politiek en economisch opzicht. Met de Reichsdeutsche Gemeinschaft - een mantelorganisatie van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei die in Nederland woonachtige Rijksduitsers omvatte - probeerde hij een conflictsituatie te vermijden. In 1938 steunde hij het beleid van minister van Justitie C.M.J.F. Goseling de binnenkomst van Duitse en Oostenrijke joden te beperken. Felle kritiek stortten parlement en publieke opinie over Patijn uit toen hij in 1938 de Italiaanse verovering van Ethiopië de facto erkende. Na de val van het kortstondige vijfde kabinet-Colijn trok Patijn zich uit het openbare leven terug.

Patijns reputatie als antidemocraat stoelt vooral op de antipathie voor de parlementaire democratie die hij als minister zo ostentatief demonstreerde door zijn uiterste spaarzaamheid bij het verstrekken van informatie en het lezen van de krant tijdens kamerdebatten. Hoewel hij voor Mussolini enige tijd bewondering koesterde, had hij een diepe afkeer van het nationaal-socialisme, waarvan hij meende als minister niet te kunnen getuigen. Dit was een typische uiting van de pragmaticus die Patijn in heel zijn loopbaan was. Hij streefde ernaar voor de maatschappelijke problemen bruikbare oplossingen te vinden, ook wanneer zulks ten koste ging van oude beginselen. De weerstand die hij hierdoor opriep stimuleerde zijn neiging op de ingeslagen weg voort te gaan. De overlegdemocratie kon de regent Patijn daarbij hinderlijk voor de voeten lopen en hij schrok er niet voor terug hieraan gedecideerd lucht te geven.

A: Het particulier archief van J.A.N. Patijn berust bij C.L. Patijn te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde dissertatie: samen met G.A. van Everdingen en J.C. Uye, De bedrijfsverordening van art. 114 Gemeentewet (Haarlem, 1910); Ontwerp arbeiders-ziekteverzekering; ontwerpen en memorie van toelichting (Haarlem, 1910); artikelen in De Economist en Sociaal Weekblad.

L: J.M. Vellinga, Talma's sociale arbeid (Hoorn, 1941); W. Drees, Zestig jaar levenservaring (Amsterdam, 1962); E. van Raalte, 'Parlementaire en onparlementaire herinneringen. Minister mr. J.A.N. Patijn', in De Gids 125 (1962) II, 142-150; G.A.W, ter Pelkwijk, in Jaarboek van de vereniging 'Die Haghe' 1963, XI-XV; P.J. Oud, Het jongste verleden 2e dr. (Assen, 1968. 6 dl.) VI; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969) I; Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954). Uitg. door Joh. de Vries (Groningen, 1970. 3 dl.) passim; G. Puchinger. Colijn en het einde van de coalitie II (Kampen, 1980); W.J.M. Klaassen, 'De betrekkingen tussen de Nederlandse en Italiaanse regering (1935-1938)', in Aspects des relations de la Belgique, du grand-duché de Luxembourg et des Pays-Bas avec l'Italie: 1925-1940. Sous la direction de M. Dumoulin et J. Willequet (Bruxelles, 1983) 253-266; G. van Roon, Kleine landen in crisistijd. Van Oslostaten tot Benelux, 1930-1940 (Amsterdam [etc.], 1985).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1135.

A.E. Kersten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013