Polak, Nico Jacob (1887-1948)

 
English | Nederlands

POLAK, Nico Jacob (1887-1948)

Polak, Nico Jacob, bedrijfseconomist (Rotterdam 18-8-1887 - Rotterdam 17-8-1948). Zoon van Adolf Polak, commissionair in effecten, en Elizabeth Engers. Gehuwd op 7-4-1925 met Charlotta Agneta Ribbink, arts. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Polak, Nico Jacob

Polak werd na de 3-jarige HBS en de 2-jarige Hoogere Handelsschool te Rotterdam opgeleid voor de effectenhandel om later tot het commissionairskantoor van zijn vader te Rotterdam toe te treden. Vroegtijdig overlijden van zijn vader heeft echter deze overgang bespoedigd. Daarnaast studeerde hij voor accountant. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging hij werken bij de Belasting-Accountantsdienst (oorlogswinstbelasting). Uit die tijd stamt zijn blijvende belangstelling voor de belastingwetenschap. In 1913 ging hij studeren aan de pas opgerichte Nederlandsche Handels-Hoogeschool en behoorde hij tot de medeoprichters van het Rotterdamsch Studentencorps. Op 19 oktober 1921 promoveerde hij bij prof. J.G. de Jongh op het proefschrift Eenige grondslagen voor de financiering van de onderneming. Dit baanbrekend boek is sindsdien langdurig als leerboek in gebruik gebleven. Het beleefde in 1950 een 9e druk en werd in het Frans en het Duits vertaald.

Reeds in zijn promotiejaar (1921) volgde Polaks benoeming tot gewoon hoogleraar in de bedrijfsleer aan de Rotterdamse hogeschool. Deze functie heeft hij tot zijn dood in 1948 vervuld, onderbroken door ontslag door de bezetter. Na de bevrijding van Nederland werd hij geroepen mee te helpen de problemen van het berooide vaderland op te lossen. Zo was hij o.a. voorzitter van de Afdeeling Beheer van de Raad van het Rechtsherstel, voorzitter van de Staatscommissie voor Financiering van de Woningbouw, werd hij betrokken bij de oprichting van de Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Herstel en bij de reorganisatie van het hoger onderwijs. In januari 1947 werd zijn 25-jarig ambtsjubileum aan de Rotterdamse hogeschool op grootse wijze gevierd. Hierbij bleek hoezeer Polak ook als persoonlijkheid werd gewaardeerd. Hij was een zeer erudiet man, kenner van de Europese klassieke literatuur, waaruit hij graag citeerde, bovendien een verdienstelijke bas-bariton, die bijvoorbeeld op het Internationaal Accountantscongres in 1929 een opera-aria ten beste had gegeven.

Polak gaf inhoud aan een zeer jong vak, toen nog 'bedrijfsleer' geheten, later bedrijfshuishoudkunde of bedrijfseconomie. Het toenmalige stadium der bedrijfsleer - aldus Polak in zijn oratie in 1922 - werd voornamelijk gekenmerkt door techniekbeschrijvingen, met de bedoeling dat deze als voorbeeld zouden dienen. Zijns inziens echter diende het accent bij de beoefening van de bedrijfsleer gelegd te worden op de opsporing en verklaring der werkzame tendensen, op een onderzoek naar hun causale samenhang. Zij dient zich daarbij te beperken tot de economische aspecten. De algemene economie had zich tot dan toe, zo had Polak toen betoogd, op de verklaring van economische verschijnselen in de samenleving als geheel toegelegd. Aan de organisatie van de handel en de onderneming had deze algemene economie daarentegen geen aandacht besteed, omdat de economisten de daarvoor benodigde outillage nog misten. Dat speciale onderzoek werd nu juist de taak van de bedrijfsleer als bijzondere tak van de economische wetenschap. Dit in 1921 aangekondigde program zou het kenmerk zijn van Polaks werk. Behalve in zijn proefschrift zijn fraaie voorbeelden van die gerichte aanpak - alle opgenomen in zijn Verspreide Geschriften - te vinden in o.m. de bijdragen 'De taak van de tussenhandel' (1924), 'Waarderings- en balansproblemen' (1924), 'Afschrijving' (1929), 'Oude waarheden' (1931) en 'Distributievraagstukken' (1937). Uit heel deze aanpak bleek Polaks aandacht voor de praktische werkelijkheid en zijn gevoel voor actualiteit. Befaamd zouden blijken te zijn in dit opzicht de korte bijdragen in Economisch-Statistische Berichten, die reageerden op actuele ontwikkelingen en een breed economisch terrein bestreken. Deze en dergelijke later in zijn Verspreide Geschriften bijeengebrachte beschouwingen bieden een tijdsbeeld dat ter bestudering door economische historici nog zeer nuttig kan zijn. Polak had zich vaak gekeerd tegen ontwikkelingen die hij strijdig achtte met het algemene sociale welzijn, zoals samenwerkingsvormen van economische aard die uitsluitend op eigen voordeel gericht bleken te zijn of zich ontwikkelende machtsposities binnen en buiten de onderneming zelf. Zeer strijdvaardig was hij als medeoprichter en voorzitter van de Vereeniging voor Waardevast Geld (1934). Na grondig onderzoek ('Katalyse', 1932) kwam hij tot de conclusie dat devaluatie van de gulden het enige overgebleven middel was om de langdurige depressie te doorbreken ('Aanpassen! Maar hoe?, 1935). Polak overschreed hier en elders gemakkelijk en gaarne de grenzen van de bedrijfsleer. De werking van de markten waarop ondernemingen opereren zag hij als een vanzelfsprekend onderwerp van onderzoek voor de bedrijfsleer. De algemene economie, waarop hij veelvuldig teruggreep, had zijn belangstelling onverminderd behouden. Dat hij zich onder algemene economen zeer wel thuis voelde bleek ook uit het denkwerk dat hij met J.G. Koopmans tijdens de oorlog verrichtte ter voorbereiding van de saneringsmaatregelen van minister P. Lieftinck en uit zijn stimulerende invloed als directeur van het Nederlandsch Economisch Instituut en als redacteur van het daarmee verbonden weekblad Eco-nomisch-Statistische Berichten. Daarnaast was hij redacteur van het tijdschrift De Naamlooze Vennootschap.

Door zijn methode van wetenschapsbeoefening onderscheidde Polak zich van zijn ongeveer tegelijkertijd in Amsterdam werkzame collega prof. Th. Limperg. Deze legde bij de beoefening van de bedrijfseconomie een ander accent, nl. bij het economisch motief als alles verklarende kracht, leidende tot theorieën met een normatief karakter. Deze van die van Polak afwijkende methode heeft ertoe geleid dat wel van de Amsterdamse respectievelijk Rotterdamse school gesproken werd. Te Amsterdam was onder Limpergs inspirerende leiding wel van schoolvorming sprake. Te Rotterdam kwam een dergelijke uniforme benadering niet voor, en in elk geval was Polak qua karakter geen dogmaticus, maar in overtuiging een echte liberaal, los van politieke partijbanden, en in levensbeschouwing een humanist. Hoe ruimhartig Polak was bleek ook uit het feit dat hij, ondanks de soms scherp geformuleerde 'Amsterdamse' kritiek op zijn werk, als Limpergs erepromotor optrad toen Limperg in 1947 het eredoctoraat van de Nederlandsche Economische Hoogeschool werd verleend.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties bibliografie in onder L genoemde Verspreide Geschriften... I, xxm-xxxvm.

L: G.W.M. Huysmans, 'Prof.Dr. N.J. Polak' en W. Houwink, 'Prof.Dr. N.J. Polak en de studenten', alsmede J. Brands, 'Amsterdamsche school der bedrijfseconomie contra Rotterdamsche school?', in Weerspiegelde Gedachten. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. N.J. Polak bij zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum... (Haarlem, 1948) l-5, 6-12 en 27-33; [Red.], in De Economist 97 (1948) 561-563; J. Brands, in Verspreide Geschriften van Prof.Dr. N. J. Polak. Verz. door H.T. Go en J.P. Kikkert (Purmerend, 1953. 2 dl.) I, x-xxii; K. P. van der Mandele, ibidem, I, xi.

I: Weerspiegelde Gedachten. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. N.J. Polak bij zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum... (Haarlem, 1948) afbeelding tegenover titelblad.

R. Burgert


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013