Pop, Willem Frederik (1858-1931)

 
English | Nederlands

POP, Willem Frederik (1858-1931)

Pop, Willem Frederik, minister van Oorlog ('s-Gravenhage 14-6-1858 - Voorburg 24-7-1931). Zoon van Gerrit Frans Pop, inspecteur van de geneeskundige dienst der zeemacht, en Pieternella Elisabeth van Oven. Gehuwd op 1-8- 1889 met Antoinette Frederique Elisabeth Johanna de Normandie s'Jacob. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Pop, Willem Frederik

Pop ging als geboren Hagenaar eerst op de school van 't Nut, daarna op het instituut Neuman en volgde na verhuizing naar Haarlem de HBS. Hoewel naar de vijfde bevorderd, deed hij geen eindexamen omdat hij niet via de Koninklijke Militaire Academie (KMA) officier der artillerie wilde worden. Op 18 september 1874 trad hij als vrijwillig kanonnier in dienst bij het 2e regiment Vesting-Artillerie te Schoonhoven, blijkbaar met de maarschalksstaf in zijn ransel: binnen een half jaar was hij korporaal en binnen twee jaar na zijn dienstneming werd hij reeds bevorderd tot sergeant (tegenwoordig bij de artillerie 'wachtmeester' genoemd). Pop maakte toen gebruik van de mogelijkheid die het Koninklijk Besluit van 24 juni 1852 no. 54 aan onderofficieren beneden de dertig jaar bood zich voor te bereiden op het zogeheten officiersexamen. De opleiding hiervoor was in handen van officieren die afkomstig waren van de KMA en werd gegeven bij het onderdeel van plaatsing. Pop slaagde voor het examen, waarna op 1 december 1878 zijn benoeming volgde tot tweede luitenant bij de Ie Afdeeling Vesting-Artillerie. Als eerste luitenant bezocht hij de Hoogere Krijgsschool, aan welke instelling hij, na diverse plaatsingen binnen het wapen der artillerie en na zijn benoeming tot kapitein op 26 april 1894, met ingang van 1 november 1897 werd aangesteld als leraar, een functie die hij bijna zeven jaar zou vervullen. Daarna volgden plaatsingen bij het departement van Oorlog, de Generale Staf en de vesting- en veldartillerie. Op 1 oktober 1912 werd Pop, inmiddels op 24 november 1911 kolonel geworden, benoemd tot sous-chef van de Generale Staf, waarna opnieuw een plaatsing te velde volgde door zijn benoeming tot commandant van de 2e Divisie op 27 oktober 1913. Drie maanden later, op 26 januari 1914, kwam zijn bevordering tot generaal-majoor af. In die rang keerde hij op 11 maart 1916 terug bij de Generale Staf, wederom als sous-chef, welke functie hij ook bleef bekleden toen hij op 11 maart 1918 werd bevorderd tot luitenant-generaal.

Behalve het hoofdredacteurschap van De Militaire Spectator, welke nevenfunctie hij twaalf jaar vervulde (van 1 december 1902 tot 1 januari 1914) ontplooide Pop geen andere activiteiten die hem buiten de krijgsmacht enige bekendheid verschaften. Hierin kwam verandering toen hij plotseling op 11 november 1918 werd belast met de waarneming van de functie van Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, binnen een maand (7 december) gevolgd door zijn benoeming tot Chef van de Generale Staf. De commandowisseling, waarbij generaal G.J. Snijders in beide functies het veld moest ruimen voor zijn sous-chef, hield verband met de steeds slechter wordende verstandhouding tussen het kabinet en de sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog als opperbevelhebber opgetreden generaal Snijders, die voordien reeds Chef was van de Generale Staf en dit ambt combineerde met het opperbevelhebber-schap. De ernstige ongeregeldheden onder soldaten in de Harskamp in oktober 1918, als gevolg van de intrekking der verloven, vormden uiteindelijk de aanleiding tot het ontslag van Snijders. Tijdens een debat in de Tweede Kamer over de Harskampaffaire kondigde de minister van Oorlog, jhr. G.A.A. Alting von Geusau, een reorganisatie van leger en officierskorps aan, met tegelijkertijd de mededeling dat hij, wat ook diens grote verdiensten waren geweest, de opperbevelhebber generaal Snijders niet de geschikte persoon achtte de door de minister beoogde modernisering te verwezenlijken. De generaal, die door de minister op de hoogte was gesteld van diens opvatting, zou hieruit de consequenties trekken en zijn ontslag indienen.

Na het sluiten van de wapenstilstand tussen de oorlogvoerenden op 11 november 1918, de dag waarop Pop in functie was getreden, begon onder diens leiding onmiddellijk de demobilisatie van het leger, zodat diezelfde maand nog de lichtingen van 1916 en ouder huiswaarts konden worden gezonden. In mei 1919 was de demobilisatie van het personeel nagenoeg voltooid, en in november van dat jaar werd Pop ontheven van de waarneming van het ambt van Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. De op 28 juni 1919 te Versailles gesloten vrede hield tevens de oprichting in van de Volkenbond, welke organisatie de vrede en veiligheid in de wereld diende te waarborgen. Als gevolg hiervan meende de regering hier te lande reeds te kunnen aanvangen met een verkorting van de duur der dienstplicht. Bij de Tweede Kamer werden dan ook voorstellen ingediend die hierop betrekking hadden. Minister Alting von Geusau bleef echter wel van oordeel dat algehele ontwapening op korte termijn niet te verwachten viel, en de regering was derhalve van mening dat Nederland over een krijgsmacht diende te beschikken ter verdediging van zijn onafhankelijkheid en integriteit. Toen naar het oordeel van Alting von Geusau de Kamer toch nog te veel op zijn begroting had besnoeid, diende hij in januari 1920 zijn ontslag in. De leider van het kabinet, de minister van Binnenlandse Zaken jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck, nam het ministerschap op Oorlog waar, totdat op 31 maart 1920 luitenant-generaal Pop, die door Ruijs werd gekwalificeerd als 'een buitengewoon bekwaam man', als zodanig werd benoemd.

Pop wilde de militiewet uit 1912 vervangen door een geheel nieuwe dienstplichtwet, die de scheiding tussen militie, landweer en landstorm zou opheffen. Belangrijker was echter dat de duur der eerste oefening drastisch zou worden verlaagd, terwijl Pop voorts onderscheid wilde maken tussen kerntroepen, die in volle oefeningstijd zouden dienen, en reservetroepen, die korter voor eerste oefening onder de wapenen zouden blijven. In maart 1921 diende hij een desbetreffend wetsontwerp in, dat op 15 juni van dat jaar bij de openbare behandeling in de Tweede Kamer sneuvelde, omdat twee regeringspartijen, antirevolutionairen en christelijk-historischen, tegen een bepaald artikel van het ontwerp stemden, dat daardoor, met de steun van de oppositie - sociaal-democraten, vrijzinnig-democraten en communisten - werd verworpen. Minister Pop vroeg toen schorsing van de beraadslagingen, waarna het hele kabinet zijn ontslag indiende. Na reconstructie daarvan keerde Pop niet in het kabinet terug, en werd hij, zelf partijloos zijnde, opgevolgd door de antirevolutionair J.J.C. van Dijk.

Pop was lid van de Centrale commissie voor de statistiek, ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad en sinds 1925 voorzitter van een bezuinigingscommissie op defensiegebied, doch leidde overigens tot zijn dood in 1931 een teruggetrokken bestaan.

A: Gegevens W.F. Pop aanwezig op de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf te 's-Gravenhage.

P: De regeeringsvoorstellen met betrekking tot de kustverdediging ('s-Gravenhage, 1911).

L: Behalve herdenkingsartikelen in Het Vaderland, 13-6-1928 av; 25-7-1931 ocht.; De Telegraaf, 25-7-1931 ocht.: V.E. Nierstrasz, 'De strijd op Nederlands grondgebied tijdens Wereldoorlog II. De voorgeschiedenis van 1922-1939. (Het Nederlandse leger tussen de 1e en 2e Wereldoorlog)' ['s-Gravenhage, s.a.]. Manuscript aanwezig op de Sectie Militaire Geschiedenis; Hondervijftig jaar Generale Staf, 1814-11 Maart-1964. Overzicht van de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht ('s-Gravenhage, 1964) 101-103; G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie. De geschiedenis van de kabinetsformaties 1918 -1924 (Kampen, 1969).

I: R.P.F. Bijkerk, 'W.F. Pop (1858-1931)', in Kopstukken uit de krijgsmacht. Nederlandse vlag- en opperofficieren 1815-1955. Onder red. van G. Teitler en W. Klinkert (Amsterdam 1997) 282. ('s-Gravenhage 1964) 102.

H.L. Zwitzer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013