Prins, Arij (1860-1922)

 
English | Nederlands

PRINS, Arij (1860-1922)

Prins, Arij, letterkundige en industrieel (Schiedam 19-3-1860 - Schiedam 3-5-1922). Zoon van Pieter Cornelis Anne Prins, industrieel, en Maria Jacoba Gijsberti Hodenpijl. Gehuwd op 12-1-1894 met Petronella Alida Goudkade. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Prins, Arij

Doordat het gezin in 1870 naar Voorburg verhuisde, voltrok de vorming van Prins zich grotendeels als leerling van de 'dagschool' van een Voorburgs pensionaat. Aan zijn carrière in het bedrijfsleven begon hij in 1877 op het kantoor van zijn vader in Schiedam, maar hij bleef woonachtig te Voorburg, een omstandigheid die zijn omstreeks 1882 ontstane omgang met de toenmalige jonge Haagse schilders en schrijvers uiteraard vergemakkelijkt heeft. Jacques van Santen Kolff had zijn geestdrift voor het Franse naturalisme al op Prins overgedragen toen deze op 27 november 1882 voor de eerste maal schriftelijk contact zocht met Lodewijk van Deyssel en zich bij die gelegenheid een bewonderaar noemde van Balzac, Stendhal, Zola, Flaubert en de gebroeders De Goncourt. Het was het begin van een briefwisseling [uitg., ingel. en van aant. voorzien door Harry G.M. Prick ('s-Gravenhage, 1971)] die tot 1912 zou voortduren en die het mogelijk maakt Prins in alle stadia van zijn literaire ontwikkeling van nabij te volgen.

In november 1885 debuteerde Prins als een der eerste Nederlandse naturalisten, onder de schuilnaam A. Cooplandt, met een bundel schetsen Uit het leven. Onder hetzelfde pseudoniem was hij in het weekblad De Amsterdammer van 1 februari 1885 een reeks beschouwingen begonnen over 'De jonge naturalisten'. Ten tijde van zijn debuut was Prins al enkele maanden woonachtig te Hamburg, waar hij als agent voor de stearinekaarsenfabriek Apollo van zijn vader, samen met Friedrich Ebeling, aan het hoofd kwam te staan van de firma Ebeling und Prins, die in 1892 - toen Ebeling zich terugtrok en Prins zich associeerde met Alfred Stürcken - Prins und Stürcken ging heten. Prins slaagde erin deze agentuur van zijn vader uit te breiden tot een groot en winstgevend commissie- en exporthuis. In 1905 evenwel verhuisde hij naar Schiedam om daar zijn vader als mededirecteur terzijde te staan.

Al in zijn vijfde artikel over 'De jonge naturalisten' (De Amsterdammer, 16-8-1885) bleek Prins sterk onder de indruk gekomen te zijn van de roman En ménage (Parijs, 1881) door Joris-Karl Huysmans, een auteur die hem daarvóór slechts matig had aangesproken. Hij zocht nu ook contact met Huysmans, wat weer leidde tot een intensieve briefwisseling, waaraan eerst Huysmans' overlijden, op 12 mei 1907, een einde zou maken en die eenzijdig (de brieven van Prins aan Huysmans lijken verloren) werd uitgegeven door Louis Gillet als J.-K. Huysmans, Lettres inédites à Arij Prins (Genève, 1977). Evenals Huysmans, die zich van het naturalisme had afgekeerd en zich in de richting van een spiritualistischer levenshouding ontwikkelde, evolueerde ook Prins - mede onder invloed van zijn kennismaking met het werk van Edgar Allan Poe, in de vertaling van Charles Baudelaire - in de richting van een romantisch-visionaire kunst. In het werk uit deze periode, veelal in het voetspoor van Lodewijk van Deyssel aangeduid als de 'Poe-iaanse', heeft Prins maar zeer ten dele zijn bedoelingen kunnen realiseren. Dit werk verscheen tussen augustus 1887 en april 1889 in De Nieuwe Gids en werd nimmer door de auteur herdrukt, met uitzondering van 'Een executie', dat van september 1888 dateert en een plaats zou krijgen in de bundel Een koning (1897).

Dat boek luidt Prins' derde, opmerkelijkste en ook belangrijkste periode in: de 'middeneeuws-monumentale', met als eerste hoogtepunt de in die tweede bundel opgenomen schets 'Sint Margareta' (1890). Voortaan excelleerde Prins in de zo plastisch mogelijke weergave van alle aspecten van de hem omgevende werkelijkheid. Hij dacht die plasticiteit alleen te kunnen bereiken door het loslaten van de normale zinsbouw, of, zoals Albert Verwey het formuleerde; 'men moet ieder woord toestaan zijn werking te doen op ons voorstellingsvermogen' (Proza (Amsterdam, 1921) III, 72). Dit geldt in nog sterkere mate voor dat hoogtepunt van beschrijvingskunst De heilige tocht, een tussen januari 1898 en november 1910 moeizaam tot stand gebrachte evocatie van een kruistocht. Het boek zag eerst in 1912 het licht, dank zij de bemoeienis van P.C. Boutens, die ook vrijwillig de taak van tekstbezorger op zich nam. Hoe Boutens zich daarvan heeft gekweten, werd door Harry G.M. Prick onderzocht in de door hem bezorgde vijfde druk (Amsterdam, 1976) met 'Nawoord', 181-196 en 'Varianten', 197-250.

Na de verschijning van De heilige tocht wilde het Prins maar niet lukken weer, anders dan zeer fragmentarisch, op gang te komen. Het geweld van de Eerste Wereldoorlog deed hem vrijwel geheel verstommen. Eerst in 1919 voltooide hij het in 1905 begonnen verhaal De bode, dat, samen met het tussen 1913 en 1915 tot stand gekomen fragment De ondergang, werd opgenomen in de tweede vermeerderde druk van Een koning (Amsterdam, 1924). Tekenend voor de altijd betrekkelijk blijvende waardering, alsook de geringe bekendheid van het werk van Prins, is wel dat de bezorgers van die herdruk De bode fragmentarisch afdrukten omdat het hun was ontgaan dat Prins nog bij zijn leven het voltooide verhaal openbaar had gemaakt in De Nieuwe Gids 34 (1919) I, 661-676, voorzien van een opdracht 'Aan Willem Kloos'.

A: Het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage beschikt over een uitgebreide collectie handschriften en brieven van en aan Arij Prins.

P: Zie behalve de reeds genoemde werken de Mededelingen Documentatiedienst Nederlands Letterkundig Museum.

L: Herman Robbers, 'Charles-Marie-Georges (dit: Joris-Karl) Huysmans. Een gesprek met Ary Prins', in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 18 (1908) I, 36-50; H.F.W. Jeltes, 'De collectie-Arij Prins', ibidem, 33 (1923) 1-13; Herman Robbers, in Handelingen Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afgestorven medeleden 1924-1925, 38-48; herdr. als voorwoord bij de 2e dr. van De heilige tocht (Amsterdam, 1927); S.P. Uri, Leven en werken van Arij Prins. Een bijdrage tot de studie van de Beweging van Tachtig (Delft, [1935]); P. Valkhoff, 'Joris-Karl Huysmans en Arij Prins', in De Gids 101 (1937) II, 43-62; J. de Graaf, Le réveil littéraire en Hollande et le naturalisme français (1880-1900) (Amsterdam, 1937) 73-87; S.P. Uri, 'Arij Prins als schilder', in Pen en penseel, bijzondere aflevering van Critisch Bulletin 14 (1947) 58-71; J.L. Goedegebuuren, 'Joris-Karl Huysmans en Arij Prins', in Spiegel der Letteren 16 (1974) 3-4 (,) 187-213.

I: De briefwisseling tussen Arij Prins en Lodewijk van Deyssel. Uitg. door H. Prick (Den Haag 1971) 219.

Harry G.M. Prick


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013