Quay, Jan Eduard de (1901-1985)

 
English | Nederlands

QUAY, Jan Eduard de (1901-1985)

Quay, Jan Eduard de, politicus en bestuurder ('s-Hertogenbosch 26-8-1901 - Beers 4-7-1985). Zoon van Rudolph Balthazar Antoine Nicolas de Quay, luitenant-generaal, en Joanna Elisa Rosa van de Mortel. Gehuwd op 8-8-1927 met Maria Huberta Wilhelmina van der Lande. Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 4 dochters geboren.

afbeelding van Quay, Jan Eduard de

De Quay ging, na bij de jezuïeten in Katwijk het gymnasium doorlopen te hebben, psychologie studeren in Utrecht. Op het doctoraal examen in 1926 volgde een korte tijd van studie in de Verenigde Staten. Vervolgens vervulde hij een assistentschap te Utrecht, waar hij op 1 juli 1927 promoveerde bij prof. F. Roels op een experimenteel-psychologische studie. Het aandeel der sensorische componenten in het verloop van leer- en arbeidsproces. In dat zelfde jaar volgde de benoeming tot lector psychotechniek van het bedrijf en statistiek aan de RK Handelshoogeschool te Tilburg. Hij viel hier spoedig op als veelzijdig, helder en aimabel docent. Het lectorschap combineerde hij met psychotechnische adviseurschappen bij o.a. de PTT en C & A. In 1933 werd het lectoraat omgezet in een hoogleraarschap en werd de leeropdracht uitgebreid met bedrijfsleer. Sedert 1934 was De Quay tevens de eerste technische directeur van het Economisch-Technologisch Instituut (ETI), een stichting bij de hogeschool voor de bevordering van de studie van economische en technische vraagstukken, en sedert 1935 ook van het ETI voor Noord-Brabant. Toen in 1935 het Tilburgse Maandschrift Economie begon te verschijnen, trad hij toe tot de redactie en leverde hij diverse bijdragen.

Oratorisch talent en organisatiedrift paarde De Quay aan beminnelijk optreden. In en buiten de katholieke kring gold hij weldra als een van de bekwaamsten onder de katholieke jongeren, pleitend voor werkelijke nationale eenheid en tegen de schotjesgeest van de verlammende verzuiling. In de jaren '30 ambieerde hij geen politieke partijfunctie en was hij ook geen lid van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP). Door zijn grote belangstelling voor jeugdproblemen werd hij hoofdcommissaris van de Katholieke Verkennersbeweging en lid van de Nederlandsche Padvindersraad, waar hem tegen de achtergrond van crisis en malaise de combinatie van idealisme, gemeenschapszin en tucht bijzonder aansprak. Ook ijverde hij voor de oprichting van een arbeidsdienst voor werkloze jongeren. Grote zorg vervulde hem 's lands defensie, hetgeen hij o.m. uitte als voorzitter van de in 1936 opgerichte Vereeniging voor Nationale Veiligheid. In augustus 1939 werd hij gemobiliseerd als reservekapitein in algemene dienst; hij kreeg de taak de gemeenschapsgeest in het leger aan te kweken. Trouw lidmaat van de katholieke kerk en het katholieke gedachtengoed omtrent staat en maatschappij (corporatisme) koesterend, sloot hij zich allerminst op in de katholieke wereld. Het ideaal van de organische samenleving viel voor hem niet te rijmen met de werkelijkheid van de verzuiling. Hij behoorde dan ook tot de enthousiaste deelnemers aan de Woudschotenconferenties en hij publiceerde in een blad als Het Gemeenebest.

Sympathie voor Duitsland en het nationaal-socialisme was hem vreemd, maar zijn soepele aard en zin voor relativiteit deden hem na de meidagen 1940 gemakkelijk schikken in de nieuwe situatie. Secretaris-generaal H.M. Hirschfeld zag in hem de ideale figuur om met de bezetter de arbeidsvraagstukken te behandelen en benoemde hem medio mei 1940 tot regeringscommissaris voor de organisatie van de arbeid, later 'algemeen gemachtigde' genoemd. De Quay kreeg nu de kans om zijn idee van een arbeidsdienst te verwezenlijken, maar lang heeft hij de functie niet uitgeoefend. Spoedig ging De Nederlandsche Unie al zijn aandacht en tijd opeisen. In juni 1940 vonden o.a. De Quay, J. Linthorst Homan en L. Einthoven elkaar om in het ontstane politieke vacuüm een beweging te starten voor de opbouw van een nieuw Nederland, vrij van de smetten van de vooroorlogse democratie en gekenmerkt door een grotere eenheid en een krachtige volksgemeenschap, precies zoals zij al vóór 1940 bepleit hadden. De Unie, waaraan zij als Driemanschap leiding gingen geven, werd op 24 juli 1940 opgericht en was onmiddellijk een groot succes. Heel opzettelijk was juist De Quay als katholiek voorman gekozen binnen het Driemanschap waarvan Linthorst Homan (liberaal) en Einthoven (partijloos) waren. En zonder twijfel was het juist daaraan te danken dat ook van de zijde van het episcopaat of de RKSP weinig tegenstand of kritiek loskwam op de nieuwe Unie; onder de honderdduizenden die zich als lid aanmeldden, waren dan ook opvallend veel katholieken. Voor de massa gold de Unie als afgrenzing naar bezetter en NSB, en op bepaald autoritaire en antidemocratische strevingen in het partijprogram werd weinig gelet. Maar vanuit de verwachting dat de Duitse suprematie van lange duur zou zijn, betoonde het Driemanschap zich jegens de bezetter dusdanig tegemoetkomend - schrapping van een aanhankelijkheidsverklaring aan het Huis van Oranje in het oprichtingsmanifest, reclame voor o.a. Winterhulp, discriminatie en uiteindelijk zelfs wering van joden - dat het daarmee in de ogen van hen die ieder contact met de bezetter afwezen, het streven om de Nederlandse identiteit te behouden ongeloofwaardig maakte. Over de mate van tegemoetkomendheid groeide in het Driemanschap allengs verschil van mening: Einthoven was in wezen fel anti-Duits en krabbelde steeds meer terug van verdergaande collaboratie; Linthorst Homan was daarentegen, onder sterke druk ook van de bezetter, voortdurend bereid verdergaande concessies aan de Duitsers te doen. Als derde man poogde De Quay zich niet al te scherp bij één van de medeleiders aan te sluiten. Hij wilde vaak sussen, maar koos toch uiteindelijk ervoor, zonder naar buiten toe Einthoven te laten vallen, de Unie gaande te houden samen met Homan, terwijl Einthoven in de periode februari-juni 1941 zich van deelneming aan het beleid onthield. Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, zomer 1941, weigerde het Driemanschap duidelijk partij te kiezen. Daarop bemoeilijkte de bezetter, die toch al het werk van de Unie was gaan dwarsbomen, het werk van de beweging zo mogelijk nog meer, en eind 1941 verbood hij haar; de Unie bleek uiteindelijk geen bruikbaar instrument voor de gelijkschakeling en was voor de Duitsers daarom nutteloos en zelfs hinderlijk.

De Quay stortte zich weer geheel op zijn professoraat, maar juli 1942 werd hij opgepakt en naar het gijzelaarskamp Haaren getransporteerd, even later naar St. Michielsgestel (Beekvliet). Daar ging hij behoren tot de 'Heren Zeventien', een groep onder leiding van W. Schermerhorn en W. Banning, die zich bezon op de inrichting van het naoorlogse Nederland en de grondslag legde voor de latere Nederlandsche Volksbeweging NVB). De fouten van de vooroorlogse democratie, die De Quay als een der heftigste critici had gesignaleerd en bleef signaleren, dienden te worden weggesneden, en in de plaats van het verzuilde bestel behoorde er een systeem te komen waarin de mensen niet langer op basis van enkel godsdienstige of wereldbeschouwelijke overtuiging tegenover elkaar stonden, maar elkaar zouden vinden vanuit een meer programmatisch gerichte gezindheid.

Zomer 1943 vrijgelaten, dook De Quay onder. Hij wenste zich als reserveofficier niet te melden voor krijgsgevangenschap in Duitsland. Vanuit zijn onderduikadres hield hij contact met de illegaliteit, speciaal met de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en met Christofoor, het blad van doorbraakgezinde katholieke jongeren. Na de bevrijding van het Zuiden in de herfst van 1944 benoemde de chef staf van het Militair Gezag H.J. Kruls hem tot voorzitter van het College van algemeene commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid, welk college de economische bedrijvigheid in de bevrijde gebieden weer op gang moest brengen. Dat was tegen het zere been van enkele ministers in Londen, die vonden dat ten aanzien van leidende figuren uit De Nederlandsche Unie een afwachtende houding moest worden aangenomen. Maar Kruls zag in De Quay de bekwame voorzitter, die bovendien in het Zuiden, ook bij de illegaliteit, populair was, en drukte de benoeming door.

Tegelijkertijd bevalen anderen hem bij de Koningin aan als voorman van de vernieuwing. Had hij niet in St. Michielsgestel mee de basis gelegd voor de NVB? Was hij niet ten tijde van zijn onderduik in contact gekomen met het Verzet? Moesten deze twee feiten de kritiek op het Driemanschap niet doen verbleken, kritiek die, althans volgens deze apologeten, juist De Quay het minst trof? Gesprekken met hem, waartoe De Quay rond de jaarwisseling tweemaal naar Londen overkwam, versterkten de Koningin in haar opinie in hem inderdaad iemand te hebben die aan de opbouw van het nieuwe Nederland leiding zou kunnen geven. Het is niet uitgesloten dat zij hem tot minister-president wilde maken, toen zij het ruziënde kabinet-Gerbrandy wilde vervangen door een ploeg waarin de 'vernieuwers' de overhand zouden hebben. Uiteindelijk werd De Quay in het laatste door Gerbrandy in februari 1945 geformeerde kabinet minister van Oorlog, niet onmiddellijk, maar pas in april, omdat De Quay aanvankelijk zijn werk in het Zuiden niet in de steek wilde laten. Ook tegen deze benoeming rezen bezwaren, en de Parlementaire Enquêtecommissie heeft er later een negatief oordeel over geveld: er had eerst een onderzoek moeten plaatsvinden naar de faits et gestes van het Driemanschap.

Deze opvatting heeft De Quay na de bevrijding van het gehele land parten gespeeld. Bij de niet-katholieke ex-illegaliteit en bij de sociaal-democratie was hij persona non grata. Het was de SDAP'er Willem Drees die hem uit het eerste naoorlogse kabinet weerde. Van meer belang was dat de leiding van de NVB, beducht voor repercussies, hem aanvankelijk buiten het hoofdbestuur hield. Deze verstoting van een man die in het Zuiden een ongekende populariteit genoot, zowel onder vernieuwers als onder herstellers, betekende dat de NVB zichzelf beroofde van het middel bij uitstek om daar te wortelen. Overigens was in het Zuiden het tij inmiddels gekeerd ten gunste van de herstellers, onder meer doordat men met de oprichting van de NVB gewacht had tot de bevrijding van het gehele land. Dat was geschied op dringend advies van ... De Quay. Hij vreesde dat een start in het Zuiden op de NVB een katholiek stempel zou drukken en de NVB zo voor het Noorden wel eens weinig aantrekkelijk kon maken. De voorbereiding van de oprichting van de NVB kwam nu in het nog bezette Westen te liggen, en daar had juist de sociaal-democratie, die niets moest hebben van De Nederlandsche Unie en nog minder van het Driemanschap, een overwicht. Op deze wijze heeft De Quay in dubbel opzicht invloed uitgeoefend op het mislukken van de doorbraak. In de gegeven omstandigheden was het voor de herstellers van de katholieke eenheid als C.P.M. Romme en J.G. Stokman, gesteund door het episcopaat, geen moeilijke opgave om hem aan hun zijde te krijgen. Zij hadden zeer goed in de gaten, van welk eminent belang het was welke kant De Quay zou kiezen. De Quay liet zich strikken voor het voorzitterschap van een commissie die advies moest uitbrengen over het electoraal optreden van de katholieken. Dit advies luidde dat de katholieken in de politiek voorlopig zelfstandig moesten optreden, en daarmee was het pleit beslecht.

Een door de regering op verzoek van het Driemanschap ingestelde commissie van onderzoek bracht voorjaar 1946 een positief eindoordeel uit over het Driemanschap. Hoewel niet zonder fouten, werd het optreden ervan over het geheel genomen in het belang van Nederland geacht. Dit oordeel maakte de weg vrij voor De Quays benoeming tot commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Voor De Quay brak nu, naar later bleek, de gelukkigste en ook succesvolste periode uit zijn loopbaan aan. Als rasechte Brabander voelde hij zich in deze functie in zijn element. Hij groeide uit tot een wijs bestuurder, een goed manager van een uitdijend provinciaal bestuur en een bekwaam onderhandelaar, in dienst van een explosief groeiende bevolking en een snel industrialiserend gewest. Hij verpersoonlijkte het van vóór de oorlog daterende streven van de pressiegroep van jonge Brabantse intellectuelen om de eigen aard te behouden, maar tegelijkertijd nationale erkenning te vinden. Hij ontwierp energiek industrialisatie- en welvaartsplannen, op de uitvoering waarvan hij een stimulerende werking had. Ook ijverde hij met succes voor de komst van een Technische Hogeschool, die in 1957 in Eindhoven geopend werd en waarvan hij president-curator werd, en voor de ontplooiing van het culturele leven (Brabants Orkest, Zuidelijk Toneel, Culturele Raad). De Quay was een regent, een autoritaire magistraat, maar wel een die door vriend en menige tegenstander op handen werd gedragen. Onder zijn leiding moderniseerde en emancipeerde Brabant zich.

In 1959 werd De Quay door de Katholieke Volkspartij (KVP) naar Den Haag geroepen om premier te worden van het eerste naoorlogse kabinet zonder socialisten. Plichtsbesef bracht hem tot het aanvaarden van het ambt, dat niet zijn keuze was. Het politieke handwerk lag hem niet; hij beheerste het ook niet. Dat was al tijdens de formatie gebleken, toen hij als formateur een weinig gelukkige hand had. Het optreden in het parlement ging hem aanvankelijk slecht af; hij stond er vaak hulpeloos tegenover een bijtende oppositie van de Partij van de Arbeid (PvdA). Onder het ontbreken van harmonieuze verhoudingen in de politiek leed De Quay zichtbaar, en dat bracht hem tot openlijke twijfel aan zijn geschiktheid voor het premierschap. Juist om hem in deze weinig begeerde rol van premier enige steun te geven zorgde de fractieleider Romme, die nauw bij de kabinetsformatie betrokken was, ervoor dat een van Rommes jonge politici, die deze als een 'coming man' in de KVP zag, W.K.H. Schmelzer, in een functie van staatssecretaris De Quay als het ware ging 'coachen'. Maar in het kabinet was De Quay een gewaardeerd teamleider; al was zijn moreel gezag niet al te groot, hij toonde zich een meester in het masseren van dreigende conflicten tussen bewindslieden. Hoe weerloos hij ook in de politiek mocht staan, zijn gemoedelijkheid, zijn mildheid en zijn vaderlijke charme bezorgden hem nationale populariteit, niet het minst doordat hij de eerste premier was op wie royaal tv-camera's gericht konden worden. De populariteit nam toe na de kortstondige kabinetscrisis rond kerstmis over de woningbouw; cabaretier Wim Kan maakte De Quay onsterfelijk met zijn lied 'Lijmen Jan' in zijn oudejaarsconférence van 1960. Befaamd is De Quay eveneens geworden doordat hij op een cocktailparty op 5 september 1960, georganiseerd door G.L. Lammers van de Rijksvoorlichtingsdienst, hoorbaar voor journalistenoren sprak van internationalisatie van Nieuw-Guinea en daarmee indruiste tegen het officiële kabinetsbeleid in een slepende en netelige kwestie. Deze uitspraak op een onbewaakt ogenblik was eerder kenmerkend voor zijn politieke onervarenheid dan dat zij getuigde van wijs staatsmanschap om getimed een impasse te doorbreken.

Dat De Quay de na de voor de KVP succesvol verlopen Tweede-Kamer verkiezingen van 1963 niet meer terugkeerde, lag aan hemzelf. Hij wilde niet nog een keer gebukt gaan onder de last van het premierschap. Hij werd voorzitter van de katholieke fractie in de Eerste Kamer. Dit kamerlidmaatschap onderbrak hij in 1966/1967 voor enkele maanden; in het tussenkabinetje-Zijlstra, dat na de val van het kabinet-Cals de zaak waarnam tot aan de vervroegde verkiezingen, was hij vice-premier en minister van Verkeer en Waterstaat. In 1969 verliet hij de politiek. Hij trok zich terug op het familielandgoed 'Den Hiersen Hof' te Beers in zijn geliefde Brabant, al vervulde hij daarnaast nog vele commissariaten bij grote bedrijven.

Het lidmaatschap van het Driemanschap van De Nederlandsche Unie heeft De Quay tot het laatst toe achtervolgd. Toen hij in 1959 premier werd, was de kritiek nog beperkt; alleen de Utrechtse historicus P.C.A. Geyl liet van zich horen. Maar tussen 1968 en 1971, toen een nieuwe generatie publicisten zich stortte op het oorlogsverleden van Nederland, trok een vijf tiendelige serie in Vrij Nederland, 'Een zondagskind in de politiek', sterk de aandacht. De auteur. Jan Rogier, schetste een uiterst negatief portret, waarin de bezettingstijd centraal stond. Halverwege de jaren zeventig viel de publiciteit nog eens genadeloos over hem heen naar aanleiding van de delen vier en vijf van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, waarin L. de Jong een hard oordeel velde over het Driemanschap. De twee andere driemannen hebben zich toen in memoires geweerd. De Quay deed zulks niet, maar de publiciteit raakte hem diep. Hij vond het oordeel van De Jong fout en trachtte een andere geschiedschrijving van De Nederlandsche Unie te initiëren, zoals hij ook via een interventie bij de regering De Jongs oordeel poogde te beïnvloeden. In deze kwestie liet hij zich wederom meeslepen door zijn gemis aan politieke feeling, maar De Quays gehele loopbaan beoordelen op deze, zij het belangrijke, zwakte zou een miskenning betekenen van zijn kwaliteiten als organisator, bestuurder en inspirator. Zijn rol in het begin van de bezettingsjaren bestempelt hem evenwel tot een omstreden politicus. Het is welhaast een paradox dat hij desondanks een van de populairste politici na 1945 is geweest.

A: Archief-De Quay in Rijksarchief in Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch met inventaris van J. Vriens.

P: Behalve de in de tekst genoemde dissertatie o.a.: Psychotechniek in het bedrijf (Nijmegen, 1931); Personeel-selectie (Purmerend, 1932); De bescherming van het zelfstandig kleinbedrijf in den detailhandel ['s-Gravenhage, 1939]; De dwang der moderne onderneming naar economische ordening (Tilburg, 1939).

L: H.M. Ruitenbeek, Het ontstaan van de Partij van de Arbeid (Amsterdam, 1955); F. J. F. M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); A.F. Manning, 'Geen doorbraak van de oude structuren', in De confessionelen. Ontstaan en ontwikkeling van hun politieke partijen (Utrecht, 1968) 61-87; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969-); Robbert Ammerlaan, Het verschijnsel Schmelzer. Uit het dagboek van een politieke teckel (Leiden, [1973]); J.L.G. van Oudheusden en J.A.M. Verboom, Herstel- en vernieuwingsbeweging in het bevrijde zuiden. Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945 (Tilburg, 1977); Jan Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging (NVB) (Deventer, 1978); Hans Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg. Deel I. 1927-1954. Economie-ethiek-maatschappij (Baarn, 1978); Madelon de Keizer, De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (Alphen aan den Rijn, 1979); Jaap Hoek, Herstel en vernieuwing. De Nederlandse politiek in de jaren 1945-1955 (Alphen aan den Rijn, 1979); Jan Rogier, Een zondagskind in de politiek en andere christenen (Nijmegen, 1980); Henri Lenferink, 'De terugkeer van een katholieke eenheidspartij na de tweede wereldoorlog', in Jaarboek Katholiek Documentatie Centrum (1980) 80-117; A.F. Manning, 'Prof dr. J.E. de Quay 80 jaar', in Brabants Dagblad, 24-8-1981 (met reactie van Jan Rogier op 22-9-1981); P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); necrologieën van: B.C.L. Waanders, in NRC , 5-7-1985; Jan Joost Lindner, in de Volkskrant, 6-7-1985; Max de Bok, in De Gelderlander, 6-7-1985; Anet Bleich, in De Groene Amsterdammer, 10-7-1985; Jan Bank, in De Tijd, 12-7-1985; Jan Rogier, in Vrij Nederland. 13-7-1985; H.J.A. Hofland, in de Haagse Post, 13-7-1985.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1192.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013