Reddingius, Aaltje (1868-1949)

 
English | Nederlands

REDDINGIUS, Aaltje (1868-1949)

Reddingius, Aaltje (bekend onder de naam Aaltje Noordewier-Reddingius), concertzangeres en zangpedagoge (Deurne 1-9-1868 - Hilversum 6-4-1949). Dochter van Wibrandus Gerardus Reddingius, Ned. Herv. predikant, en Louisa Justina Margaretha Sibinga. Gehuwd op 11-7-1893 met Michiel Noordewier, leraar klassieke talen en kunstschilder. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

afbeelding van Reddingius, Aaltje

Aaltje Reddingius werd als oudste kind geboren in een uit Friesland afkomstig domineesgezin. Reeds vanaf haar zevende jaar ontving zij thuis pianolessen, en toen zij, na het overlijden van haar vader, met haar moeder in Arnhem woonde - waar zij de HBS volgde - kreeg zij onderricht in pianospel en muziektheorie van Frits Meijroos. Zij voelde zich toen al sterk tot de muziekbeoefening aangetrokken. Hierdoor en dank zij de morele steun van haar moeder koos Aaltje voor een muzikale loopbaan. Als 18-jarige vertrok zij naar Amsterdam, aanvankelijk met de bedoeling om aan het conservatorium door J.B.C. de Pauw tot pianiste opgeleid te worden.

Omdat zij een heel zuivere sopraanstem had - op school moest Aaltje altijd voorzingen en ook in intieme kring zong zij wel - ried de zanglerares Isabella Oppenheim haar aan, toen ze eens in Groningen vertoefde, zich bij het Amsterdamse conservatorium ook voor zanglessen in te laten schrijven. Daniel de Lange (directeur) en Joh. M. Messchaert (hoofdleraar solozang) waren bij het toelatingsexamen echter niet onder de indruk van Aaltjes stemmiddelen: zij lieten haar slechts voorwaardelijk toe met een proeftijd van drie maanden in afwachting van wat uit dit 'kleine stemgeluid' zou groeien. Zij kreeg les van Messchaert, die weldra ontdekte met welk een veelbelovende leerlinge hij te doen had, en deze stelde alles in het werk haar carrière te bevorderen. Zij staakte toen haar pianistenopleiding, ondanks haar goede vorderingen ook op dit gebied - zij had het al gebracht tot het Derde pianoconcert van Beethoven. Nog voordat zij haar zangstudie voltooid had stuurde Messchaert haar naar Hoorn (NH) om daar tijdens een concert enige liederen te zingen, en niet veel later ontving zij toestemming van de conservatoriumdirectie om in Utrecht tijdens een uitvoering van het Toonkunstkoor de sopraanpartij te vertolken in Mendelssohns oratorium Paulus, dat toen gedirigeerd werd door Richard Hol. In 1890 slaagde zij, mede dank zij haar sterke wils- en werkkracht, glansrijk voor het eindexamen van het conservatorium.

Hierna volgde een tijd van afwachten, waarin zij af en toe bij verschillende verenigingen en orkesten optrad. Daniel de Lange nam haar in 1891 op in zijn Amsterdamsch a Capella-Koor, dat hij nieuw leven had ingeblazen om, na een tournee door Nederland, op te treden bij de Internationale Tentoonstelling voor Muziek, die in Wenen gehouden werd. Dit koor, dat onder andere liederen van oud-Nederlandse meesters ten gehore bracht, oogstte hiermee zo'n succes dat in 1892 een tweede tournee door binnen- en buitenland volgde. Door deze optredens deed Aaltje Reddingius veel ervaring op met ensemblezang. Later heeft zij ook nog deel uitgemaakt van het eveneens vermaarde Klein-Koor a Cappella van Anton Averkamp. Vanaf de oprichting in 1896 vertolkte zij bovendien de sopraanpartijen in Messchaerts fameuze Amsterdamsch Vocaal Kwartet, dat voor vrijwel alle voorname Europese muziekfeesten gevraagd werd. Een lang leven was dit kwartet echter niet beschoren.

Vanaf 1893 - het jaar waarin zij huwde - veroverde Aaltje Noordewier-Reddingius voorgoed het concertpodium als oratoriumzangeres. In tal van oratoria in vrijwel alle steden klonk gedurende bijna veertig jaar haar kristalheldere, serene stem, die getuigde van haar groot kunstenaarschap. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere Europese landen en de Verenigde Staten (o.a. New York in 1926) maakten haar eenvoudige, maar indringende vertolkingen van de sopraanpartijen, o.a. in Bachs Passionen, de Missa Solemnis en de Negende Symfonie van Beethoven en de oratoria van Handel en Haydn, alom diepe indruk. In het voorjaar van 1900 trad zij voor het eerst op onder leiding van Willem Mengelberg, met wie zij veel en langdurig samengewerkt heeft; zij deed dat toen in de uitvoering van de Matthäus-Passion van Bach - een solistenpartij die zij in haar leven bijna 160 keer zou doen.

Wederzijdse bewondering en artistieke beïnvloeding was er tussen de jonge zangeres en Alphons Diepenbrock, die, evenals Bernard Zweers en anderen, verscheidene composities aan haar opdroeg. Door de invloed van Diepenbrock slaagde zij erin, nadat zij aanvankelijk een strakke zangstijl had, meer gevoel voor ritmische expressie te ontwikkelen. Tijdens liederenavonden wijdde zij zich met evenveel overtuiging aan composities van haar jongere tijd- en landgenoten als aan romantische liederen van oude meesters.

Vanaf 1908 gaven Aaltje Noordewier, de alt Pauline de Haan-Manifarges en de pianist-organist A.B.H. Verhey (later Anthon van der Horst en anderen) gedurende tal van jaren in de maanden september en oktober ter opening van het concert-seizoen een reeks kerkconcerten, die binnen en buiten de landsgrenzen grote belangstelling genoten. Nadat mevr. De Haan zich had teruggetrokken trad Aaltje Noordewier op met haar jongste zoon Michiel, die fluitist was. Na zijn overlijden in 1930 heeft mevr. Noordewier het concertpodium vaarwel gezegd. Tijdens haar carrière heeft zij veel gezongen onder het impressariaat van haar broer, de dichter Joannes Reddingius, die ook haar correspondentie en administratie verzorgde. Aan het einde van haar actieve loopbaan is haar stem nog op grammofoonplaten vastgelegd.

Ook als zangpedagoge heeft mevr. Noordewier een goede reputatie opgebouwd. Vanaf 1903 was zij hoofdlerares aan het Amsterdamse conservatorium. Haar drukke concertpraktijk dwong haar in 1907 ontslag te nemen, wat overigens niet betekende dat zij daarna geen zanglessen meer gaf. Veel aankomende zangers en zangeressen heeft zij in de loop der jaren opgeleid. In de jaren twintig kreeg zij weer meer tijd voor de pedagogie. Zo was zij verscheidene jaren als lerares verbonden aan het Amsterdams Muzieklyceum en leidde zij in de jaren 1923-1937 een solistencursus aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, terwijl zij ook in haar woning 'Klein Deurne' in Hilversum veel leerlingen heeft laten profiteren van haar uitgebreide vakkennis. Daarnaast gaf zij ook stem consulten. Ofschoon zij altijd een zwakke gezondheid had en op latere leeftijd steeds erger leed aan reumatische aandoeningen - waarvoor zij jaarlijks een kuuroord bezocht - heeft mevr. Noordewier het geven van zanglessen tot haar overlijden in 1949 volgehouden.

Aaltje Noordewier is Nederlands beroemdste sopraan uit het begin van de twintigste eeuw geweest en heeft veel roem en hoge onderscheidingen geoogst.

A: Archief - A. Noordewier-Reddingius in het Nederlands Muziek Instituut en bij Donemus afd. muziekhistorische documentatie, beide te 's-Gravenhage.

P: Zie voor haar grammofoonplaten onder L genoemd werk van H. Schouwman, 109-113.

L: J.H. Letzer, 'Aaltje Noordewier-Reddingius', in Muzikaal Nederland 1850-1910 (Utrecht, 1911) 127; 'Mevr. Noordewier-Reddingius 60 jaar', in Algemeen Handelsblad, av. 31-8-1928; Tine Lepoutre, 'Het feest van mevr. Noordewier', ibidem; W. Paap, 'Bij de tachtigste verjaardag van Mevrouw A. Noordewier-Reddingius', in Mens en Melodie 3 (1948) 289-293; G. Hoekman, 'Mevrouw Noordewier-Reddingius als paedagoge', ibidem, 293-295; H. Schouwman, Aaltje Noordewier-Reddingius en haar zangkunst ('s-Gravenhage, [1959]); W. Paap, 'Aaltje Noordewier-Reddingius. Musiceren met de stem', in Mens en Melodie 23 (1968) 261-263; Rutger Scheute, 'Aaltje Noordewier-Reddingius 1868-1949', in Preludium 39 (1981) 8 (april) 12-14.

I: Website Dutch Divas in Opera & Concert: http://www.dutchdivas.net/frames/tenoren.html [6-3-2007].

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013