Reijmer, Paul Johan (1882-1952)

 
English | Nederlands

REIJMER, Paul Johan (1882-1952)

Reijmer, Paul Johan (bekend onder de naam Reymer), burgemeester en minister van Waterstaat (Renkum 11-4-1882 - Uden 26-2-1952). Zoon van Heinrich Gerhard Reijmer, steenfabrikant, en Arnolda Hermina van Wijck. Gehuwd op 1-7-1912 met Antonia Adriana Brouwer. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Reijmer, Paul Johan

Reymer bezocht de lagere school in Renkum en het St. Willibrordusgymnasium in Katwijk aan de Rijn, voordat hij rechten ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Deze studie sloot hij in december 1908 af met een promotie op stellingen. Na twee jaar op een Amsterdams advocatenkantoor gewerkt te hebben vestigde hij zich als advocaat en procureur in Hilversum. Daar verzamelde hij een aantal functies die bij een actieve katholieke notabel pasten: voorzitter van het comité van de Katholieke Sociale Actie, voorzitter van de vereniging Geloof en Wetenschap, vice-voorzitter van de RK Kiesvereeniging, secretaris-curator van het gymnasium te Hilversum, secretaris van de RK Pers vereniging De Gooische en Stichtsche Post, voorzitter van de RK Openbare Leeszaal en Bibliotheek, voorzitter van het bestuur van de Arbeidsbeurs en bestuurslid van de Vereeniging voor Vreemdelingen Verkeer. Hij publiceerde, mede in verband met zijn ervaringen in die functies, beschouwingen in De Tijd, De Gooische Post en het Katholiek Sociaal Weekblad.

Reymer kreeg een steeds grotere belangstelling voor de politiek. Hij werd in 1913 lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en in juli 1914 gemeenteraadslid; bovendien werd hij in 1918 voor de Algemeene Bond van RK Kiesvereenigingen in Nederland (de latere Roomsch-Katholieke Staatspartij) als lid van de Tweede Kamer gekozen. In het kamerwerk, dat hij tot september 1922 zou blijven verrichten, was hij de fractiedeskundige op het terrein van justitie en sociale zaken. Nadat hij in januari 1920 gekozen was tot wethouder van Hilversum, ontwikkelde hij zich tot een succesrijk gemeentebestuurder. Hij bevorderde de instelling van gemeentelijke afdelingen voor sociale zaken en voor volkshuisvesting en hij loodste, met wisselende meerderheden, al zijn voorstellen door de gemeenteraad. Buiten de voordracht van de commissaris der Koningin in Noord-Holland om werd Reymer door de katholieke minister van Binnenlandse Zaken, jhr. Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck, per 6 maart 1922 tot burgemeester van Hilversum benoemd. In die functie leidde hij de ontwikkeling van een snel groeiende gemeente (van 40.500 tot 53.500 inwoners). Hij verwezenlijkte de oprichting van een abattoir, bevorderde betere scheepvaartverbindingen in het Gooi en legde de eerste steen voor het nieuwe, door architect W.M. Dudok ontworpen, raadhuis. Ook als lid van de Eerste Kamer voor de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) (maart 1928-augustus 1929) toonde hij zich een echte gemeentebestuurder in de debatten over de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten, evenals in zijn pleidooien voor het opstellen van streekplannen. Een ernstige ziekte noodzaakte Reymer in september 1928 zijn financiën te laten beheren door zijn zwager notaris J.B. Luykx. Deze bemerkte dat Reymer aanzienlijke ongedekte schulden had die hij hielp saneren.

Daartoe aangezocht door kabinetsformateur Ruijs de Beerenbrouck, werd Reymer op 10 augustus 1929 minister van Waterstaat. Het bleek geen gelukkige keuze te zijn, omdat hij - ondanks de aanstelling op 1 april 1930 van J.A. Ringers als directeur-generaal van Waterstaat - weinig greep kreeg op het omvangrijke ambtelijke apparaat. H.W. Tilanus vond hem 'als bewindsman weinig constructief' en P.J. Oud noemde hem achteraf zelfs 'volkomen onministrabel'. Het zendtijdbesluit 1930 van Reymer, uitgesproken gunstig voor de confessionele omroepen KRO en NCRV, werd door een meerderheid van het parlement goedgekeurd, maar bracht de AVRO ertoe het overleg met de minister af te breken.

Na zijn aftreden als minister in mei 1933 bleef Reymer ambteloos tot 1 januari 1935, toen hij burgemeester van Roermond werd. In deze gemeente van 17.000 inwoners beheerde hij de portefeuilles van financiën en onderwijs. Een groot succes is dit latere burgemeesterschap niet geworden. Hij kreeg als noorderling weinig voeling met de bevolking, wat hem vooral na de Duitse bezetting in mei 1940 parten zou spelen. Ook al beschuldigde het illegale blad Oranjepost van 21 september 1941 hem er ten onrechte van geheim lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) te zijn, hij ging wel vrij ver in zijn samenwerking met Duitse instanties en met de nationaal-socialistische commissaris van de provincie Limburg, M.V.E.H.J.M. graaf De Marchant et d'Ansembourg. Dit bleek bijvoorbeeld bij het ontslag dat Reymer de gemeentesecretaris, H.L.M. Kramer, eigenmachtig verleende op 6 december 1941, en uit het bijwonen van een demonstratie van de Hitlerjugend en de Nationale Jeugdstorm op 12 juli 1942. Onder overlegging van een medisch attest vroeg Reymer eind juli 1943 ontslag als burgemeester van Roermond en als waarnemend burgemeester van Maasniel (sinds december 1941 had hij die waarneming op zich genomen); dat ontslag werd hem met ingang van 6 september eervol verleend.

Op 6 oktober 1945 werd Reymer - na zijn aanhouding op 3 oktober 1945 in Haarlem - te Roermond in bewaring gesteld, verdacht van verraad en samenwerking met de Duitse bezetter. De betaling van zijn pensioen werd gestaakt. De procureur-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch besloot in 1946, waarschijnlijk op grond van een psychiatrisch rapport, Reymer buiten vervolging te stellen onder oplegging van beperkende voorwaarden voor een proeftijd van drie jaar (zie o.a. Maas en Roerbode van 26 en 27 september 1946). Na een lange procedure nam de minister van Binnenlandse Zaken op 25 maart 1949 het besluit Reymer alsnog krachtens het Zuiveringsbesluit 1945 te ontslaan en hem vervallen te verklaren van de pensioenrechten die hij als burgemeester opgebouwd had.

Dit was het trieste einde van een loopbaan die veelbelovend begonnen was en haar hoogtepunt vond in het burgemeesterschap van Hilversum (1922-1929). Het ministerschap ging de bestuurlijke krachten van Reymer te boven, en als burgemeester van Roermond mislukte hij, vooral toen hij de bezettingsmoeilijkheden niet aankon. Eind 1942 schreef Reymer een brochure Het eigen recht van het staatsgezag (Maastricht, [1943]), waarin hij het katholicisme in Limburg 'geclericaliseerd' noemde en een strikte scheiding van kerk en staat bepleitte. Zowel door de inhoud als door het tijdstip van verschijnen van deze brochure zal hij nog meer katholieken van zich vervreemd hebben dan tevoren door het maken van schulden in zijn Hilversumse tijd en door zijn drankgewoonten.

A: Gemeentearchieven van Hilversum en Roermond, persoonsdossier P.J. Reymer. Verder archief Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck (nrs. 31, 32 en 43) in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Staatspensioen (Hilversum, [1912]); Staatssocialisme en sociale hervorming (Leiden, [1916]); 'De volkshuisvesting van voorheen en thans', in Gedenkboek Hilversum 1424-1924. Onder red. van P.J. van Ravesteijn, Jan Boerhout en C. L. Heek (Hilversum, 1924) 420-431.

L: Onder P vermeld Gedenkboek...; G . Puchinger, Tilanus vertelde mij zijn leven (Kampen, 1966); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1940 2e dr. (Assen, 1968) IV, passim; Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954). Uitg. door Joh. de Vries (Groningen, 1970. 3 dl.); J.H.J. van den Heuvel, Nationaal of verzuild. De strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947 (Baarn, [1976]); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie II (Kampen, 1980).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1219.

W.J.M. Klaassen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013