Reuther, Anthonie Ernst (1819-1889)

 
English | Nederlands

REUTHER, Anthonie Ernst (1819-1889)

Reuther, Anthonie Ernst, minister van Oorlog en Tweede-Kamerlid ('s-Gravenhage 16-5-1819 - 's-Gravenhage 27-4-1889). Zoon van Jan Pieter Reuther, generaal-majoor, en Marguerite Louise Papon. Gehuwd in 1847 met Françoise Christine Marianne List. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (31-10-1849) gehuwd op 11-1-1854 met Adriana Antonia Barbara Helena Camp. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Anthonie Ernst was afkomstig uit een rooms-katholieke familie van beroepsmilitairen. Zijn vader had eerst in het leger van Napoleon gediend en was daarna overgestapt in dienst van koning Willem I. Nauwelijks acht jaar oud verloor Anthonie Ernst zijn moeder, die met hem zeven jonge kinderen achterliet. Zijn vader stierf voordat Anthonie vijftien jaar werd. Enkele maanden na diens dood nam de wees geworden zoon in september 1834 als kanonnier dienst in het korps Nationale Militie, dat het kaderpersoneel leverde voor het leger. In de praktijk kreeg hij aldus de opleiding tot officier bij het wapen der artillerie. In mei 1839 volgde de afsluiting ervan met de benoeming tot tweede luitenant. Gewaardeerd om zijn technische en praktische kennis werd hij in 1846 overgeplaatst naar de Staf van de Artillerie en ingedeeld bij de Artillerie Stapel en Constructie Magazijnen in Delft.

Na zijn huwelijk eind 1847 met de dochter van minister van Oorlog F.C. List - hetgeen zijn carrière niet geschaad zal hebben - kreeg hij de interessante opdracht in Zweden nieuw geschut te beproeven, dat krachtens een in mei 1848 gesloten contract door de geschutgieterij te Aker aan Nederland geleverd zou worden. In Stockholm overleed zijn vrouw, waarop Reuther in mei 1850 naar Nederland terugkeerde. Hij werd nu gedetacheerd bij de Inspectie der draagbare wapenen tot hij in januari 1853 benoemd werd tot 'opzigter' bij de Geweerwinkel in Delft. In maart 1860 werd hij bevorderd tot kapitein en hoofd der wapenkeuringscommissie te Maastricht voor de aanschaf van geweren uit de werkplaatsen van P. Stevens en E.F.J. De Beaumont. In augustus 1864 keerde hij op eigen verzoek terug naar de vestingartillerie, waar hij zich o.a. bezighield met het schrijven van een studie over ijzer als grondstof voor vuurmonden. In 1868 werd hij ter bestudering van de nieuwste ontwikkelingen bij de artillerie naar o.a. Engeland en Frankrijk gezonden en daarop tot lid benoemd van de 'Commissie van proefneming'. Deze in 1866 ingestelde commissie was het belangrijkste keurings- en adviesorgaan van de minister op het gebied van de artillerie.

Reuthers visie op de toenmalige geschutstechniek werd bevestigd door de gebeurtenissen van de Frans-Duitse oorlog. Na afloop ervan werd hij in maart 1871 bevorderd tot voorzitter van de commissie van proefneming. Bronzen achterlaadkanonnen werden daarop bij de artillerie ingevoerd en het stalen veldgeschut van Krupp werd beproefd. Bovendien werden de grensvestingen opgeheven en werd de nationale defensie geconcentreerd op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze snelle veranderingen op militair gebied ontmoetten veel kritiek bij kamerleden en artillerieofficieren, maar in twee brochures verdedigde Reuther in 1875 het mede op zijn advies door minister A.W.P. Weitzel gevoerde artilleriebeleid. Tevergeefs, want de minister moest onder een stortvloed van kritiek op de uitgaven, die hoger waren dan hij de Kamer had verteld, in april 1875 toch aftreden. Dit was Reuthers eerste kennismaking met de politiek.

In april 1878 werd de in oktober 1876 tot kolonel benoemde Reuther aangesteld als sous-chef van de Afdeeling Artillerie op het departement van Oorlog, waar hij allereerst werkte aan de reorganisatie van de vestingartillerie. Na de val van het liberale kabinet-Kappeyne van de Coppello medio 1879, werd hij als enige rooms-katholiek in augustus aangezocht voor het kabinet-Van Lynden van Sandenburg. Dit kleurloos kabinet van vakmensen was door de Koning gewild en door de interne verdeeldheid onder de liberalen mogelijk. Reuther was, net als C.Th. baron Van Lynden, in de eerste plaats een pragmaticus. Hij bemoeide zich zo min mogelijk met politiek gevoelige kwesties en trachtte orde op militaire zaken te stellen. In één decennium was hij al de zeventiende minister van Oorlog. De meesten van zijn voorgangers waren wel in staat gebleken bevelen te geven, maar nauwelijks opgewassen tegen het parlementaire debat en politieke intriges. Ook maakte de grillige bemoeizucht van Willem III met militaire aangelegenheden de taak van de minister er niet gemakkelijker op. Reuthers zakelijk, serieus en welwillend optreden in de Kamer bezorgde hem al na zijn maidenspeech een hartelijk applaus, hetgeen uitzonderlijk was. In 1880 reorganiseerde hij allereerst het ministerie-Willem III honoreerde dit met zijn benoeming tot generaal-majoor - en het jaar daarop het leger zelf. Overtuigd van de waarde van de Vesting Holland, verhief hij het daarmee samenhangende defensiesysteem tot leidend beginsel. Het aantal eenheden in het leger bracht hij aanzienlijk terug met behoud van de totale sterkte. Hij bezuinigde door vereenvoudiging van de organisatie en door harmonisering van het vestingstelsel met het systeem van landsverdediging. Persoonlijke dienstplicht of verlenging van de verplichte krijgsdienst achtte hij niet noodzakelijk. Verbetering van de schutterijen in de 87 gemeenten waar die al bestonden en uitbreiding ervan tot 86 andere gemeenten met meer dan 4.000 zielen vond hij voor zijn defensiestelsel dringend gewenst. Deze volkswapening wilde hij tot stand brengen door zijn wetsontwerpen tot regeling der Nationale Militie en der Schutterijen. Deze zijn echter niet tot behandeling gekomen, wat minder aan de kundige bewindsman lag dan aan het kabinet. Het ontbrak het kabinet-Van Lynden aan samenhang. Bovendien had deze regering een slechte verhouding met de Kamer. Wel bracht Reuther, naast vele organisatorische en technische verbeteringen in het leger (bijv. invoering van stalen Krupp-kanonnen), een wet op de geneeskundige dienst van de landmacht tot stand.

In februari 1883 kwam het kabinet ten val over een kieswetsontwerp. Na het ontslag van de ministers in april liet Reuther zich in mei pensioneren om aan de verkiezingsstrijd voor de Kamer mee te kunnen doen. Hij werd door het kiesdistrict Nijmegen kandidaat gesteld en gekozen ter opvolging van Ch.J.A. Heydenrijck, die lid van de Raad van State geworden was. Evenals zijn voorganger behoorde Reuther tot de conservatief, niet-Schaepmanniaans gezinde kamerleden. Zo verzette hij zich tegen grote uitbreiding van het kiesrecht en tegen algemene, persoonlijke dienstplicht. Bij zijn medeleden werd hij gewaardeerd om zijn rustig, vriendelijk en doordacht optreden.

Na de grondwetsherziening van 1887, die de verkiezing van vele confessionele kamerleden door uitbreiding van het kiesrecht inluidde, werden H. Schaepman, P.G.J. van der Schriek (ook gepensioneerd generaal) en hij gekozen tot het leidende driemanschap van de katholieke kamerfractie (de zg. Katholieke Club). Tevens werd hij tweede voorzitter van de Kamer. Het was de derde maal dat hij in het presidium gekozen werd. In juni 1888 werd hij door minister J. W. Bergansius in de Staatscommissie benoemd ter voorbereiding van de militaire dienstplicht. Met zijn twee katholieke medeleden, H. J. Brouwers (Roermond) en W. P. A. Mutsaers (Eindhoven), bracht hij een minderheidsnota uit bij het verslag van de commissie. In deze nota werd persoonlijke dienstplicht afgewezen en Reuthers oude stelsel van volkswapening aangeprezen. Kort na de publikatie in februari 1889 van verslag en nota stierf Reuther.

Reuther was een kundig militair en een bekwaam bewindsman. Zijn legerorganisatie heeft enkele decennia goed gefunctioneerd. Politiek moet hij gerekend worden bij de conservatieve katholieken, die de katholieke fractie in de Kamer zouden beheersen tot begin 20e eeuw.

A: Een archief-Reuther is niet bewaard gebleven.

P: Het ijzer. Meer bepaaldelijk beschouwd als grondstof, bestemd tot vervaardiging van vuurmonden ('s-Gravenhage [etc.], 1867); De beraadslagingen over afdeeling XVII van de begrooting van Oorlog, toegelicht door een artillerie-officier ('s-Gravenhage, 1875); Een woord naar aanleiding van den open brief van C.E.A. Vigelius, majoor der artillerie, tot opschrift voerende: ,,Ons artillerie-materieel" ('s-Gravenhage, 1875); De dienstplicht in verband met de voorstellen van de Staatscommissie uit de nagelaten papieren van generaal Reuther ('s-Gravenhage, 1889).

L: Behalve herdenkingen in De Tijd, 30-4 en 1-5-1889 en Algemeen Handelsblad, 30-4-1889: W. B. Westhoff, De oorsprong, ontwikkeling en tegenwoordige toestand der artillerie-inrichtingen te Delft... ('s-Gravenhage, 1880); Castoretpollux, In de Tweede Kamer. Portretten (Sneek, 1881) 139-142; J.E.N. Schimmelpenninck van der Oye, De nota van de heeren Reuther, Brouwers en Mutsaers contra het verslag der staatscommissie... ('s-Gravenhage, 1889); F. Netscher, 'Leger en vloot', in Uit ons parlement. Portretten en schetsen uit de Eerste- en Tweede Kamer (Amsterdam, [1890]) 89-105; W.E. van Dam van Isselt, De stelling van Amsterdam (Haarlem, 1905); J. Witlox, Schaepman als staatsman (Amsterdam, 1960. 3 dl.); Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814 - 11 Maart-1964. Overzicht van de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht ('s-Gravenhage, 1964) 62-70; P.H. Kamphuis, 'Het Nederlandse veiligheidsbeleid in de negentiende eeuw', in Mededelingen sectie militaire geschiedenis 5 (1982) 157-201; H. Amersfoort, 'The Nineteenth Century', in Revue Internationale d'Histoire Militaire No 58 (1984) 47-72.

G.A.M. Beekelaar


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013