Rooij, Maarten (1906-1986)

 
English | Nederlands

ROOIJ, Maarten (1906-1986)

Rooij, Maarten, journalist en hoogleraar perswetenschappen (Rotterdam 17-4-1906 - Haarlem 7-1-1986). Zoon van Maarten Rooij, ambtenaar, en Adriana Geers. Gehuwd op 19-7-1934 met Tine Aafke Hamstra. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Rooij, Maarten

In Rotterdam, waar zijn vader hoofdambtenaar was bij de gemeente, bezocht Maarten Rooij het Gymnasium Erasmianum. Daarna volgde aan de Rijksuniversiteit Leiden de studie rechten, die hij in 1928 met een doctoraal examen afrondde. Rooij vestigde zich in Rotterdam als advocaat-procureur en doceerde staatsinrichting aan de gemeentelijke handelsschool. Daarnaast studeerde hij economie aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in zijn woonplaats; in 1934 deed hij doctoraal examen in dit vak. Het toetreden tot de redactie van het onafhankelijke, liberale dagblad de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) in februari 1932 was het begin van een veelzijdige loopbaan in de Nederlandse pers. Rooij begon op de binnenland-redactie om 'het vak' te leren. In mei 1936 werd hij secretaris van de hoofdredactie én waarnemend hoofdredacteur. Ernstige ziekte van hoofdredacteur P.C. Swart in augustus 1939 zorgde ervoor dat de krant met Rooij aan de leiding de periode van mobilisatie en oorlogsdreiging inging.

In de meidagen van 1940 voldeed Rooij zijn militaire verplichtingen als reserve-officier. Onder andere werkte hij in het Algemeen Hoofdkwartier van het Nederlandse leger aan de radiorede waarin generaal H.G. Winkelman op 14 mei de capitulatie aan de bevolking bekendmaakte. Korte tijd was Rooij in Duitse krijgsgevangenschap. Terug op de krant had Rooij al snel door dat de Duitse bezetter weinig gelegen was aan de persvrijheid. Hij wilde geen strobreed wijken toen getracht werd ook hem in de richting van de 'nieuwe orde' te manipuleren en vroeg al in juli ontslag. Rooij werd opgevolgd door de spoedig veel gekritiseerde J. Huijts, die tegenover de bezetter een ingewikkeld spel van pro-Duitse commentaren ter camouflering van voor de Duitsers minder gunstige berichtgeving trachtte te verwezenlijken.

In november 1940 verliet Rooij de NRC en ging werken bij de verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845 in Amsterdam; Heemstede werd zijn nieuwe woonplaats. In 1943 moest hij onderduiken, eerst in Asten, later in Leiden, om krijgsgevangenschap in Duitsland te voorkomen. Na zijn vertrek bij de NRC bleef Rooij zich overigens met persproblemen en -plannen voor na de oorlog bezighouden. Hij was lid van twee commissies van pers- en verzetsmensen die zich bogen over de toekomst van de pers na de bevrijding. Eind 1944 vroeg de leiding van de NRC aan Rooij of hij na de bevrijding hoofdredacteur wilde worden. Na enige aarzeling stemde hij toe op voorwaarde dat er een nieuwe bedrijfsleiding zou komen. Aanvankelijk mocht de krant na de bevrijding in mei 1945 niet uitkomen, omdat alle persorganen die tijdens de bezetting waren blijven verschijnen een zuiveringsproces wachtte. Eind juli 1945 kreeg men toestemming, al mocht de oude naam voorlopig niet terugkeren. Tot in 1947 verscheen het blad als de Nationale Rotterdamsche Courant. Rooij zou tot 1958 hoofdredacteur blijven.

Rooijs beleid liet de redacteuren veel vrijheid. Hij was in veel rubrieken thuis, maar hij kon werk uit handen geven, respecteerde andere opinies en relativeerde zijn eigen werk. Zijn dominerend karakter werd nimmer autoritair, werkte eerder stimulerend en zijn enorme inzet was een voorbeeld voor anderen. Rooij vond dat de krant een duidelijk eigen mening kon hebben, onafhankelijk van wat lezers of adverteerders dachten. Soms ging dat een deel van het overwegend liberale lezerspubliek wat ver. Bijvoorbeeld het voor die tijd progressieve geluid inzake het netelige, slepende dekolonisatieproces van Nederlands-Indië, waarmee Nederland meteen na de bevrijding werd geconfronteerd, kostte de NRC abonnees. De gezaghebbende krant bleef echter bij haar mening.

Buiten de krant was Rooij zeer actief. In 1946 werd hij gekozen tot voorzitter van de Nederlandsche Journalisten-Kring (NJK), de grootste van de drie verenigingen van journalisten. Van de Federatie van Nederlandse Journalisten, waarin de drie samenwerkten, werd Rooij ook voorzitter. In deze functies - die hij tot 1951 bekleedde - streefde Rooij ernaar het journalistieke vak meer erkenning en aanzien te geven. De rechtspositie van de journalist diende verbeterd, en in 1948 kwam dan ook de eerste Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) met werkgevers tot stand, waarin de arbeidsvoorwaarden waren vastgelegd voor de hele bedrijfstak. Ook was er aandacht voor de verbetering van de vakbekwaamheid van journalisten. Rooij werkte daar persoonlijk aan mee door het opstellen van cursussen van het Instituut voor Perswetenschap in Amsterdam en later voor de School voor de Journalistiek in Utrecht.

In deze periode zien we Rooij, wegens zijn juridische achtergrond ook nauw betrokken bij de perswetgeving, eerst als lid van de Persraad - een adviescollege voor de regering - en vanaf 1947 als lid van de zogenaamde Commissie-Pompe, een staatscommissie die een alomvattende perswet moest ontwerpen. Rooij produceerde leidraden en complete wetsvoorstellen. Het thema was in politiek en pers echter te controversieel; elke vorm van wetgeving leek bovendien te botsen met de grondwettelijke persvrijheid. Een wettelijke regeling van aan de pers te stellen eisen, waarvoor de legalistische Rooij sterk had gepleit, kwam er niet. Eind 1959 vormde de journalistenfederatie de intern bestaande Raad van Tucht om tot de Raad voor de Journalistiek, waarin klachten tegen handelingen van journalisten werden behandeld los van de vraag of die georganiseerd waren. Sancties kon deze Raad evenmin opleggen.

De hardwerkende Rooij zag daarnaast kans in 1956 aan de Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam cum laude te promoveren bij H.W. Lambers tot doctor in de economische wetenschappen. Zijn proefschrift. Het economisch-sociale beeld van het dagbladbedrijf in Nederland, was een gedegen systematische studie van actuele exploitatievraagstukken in de naoorlogse pers. Niet alleen had de moderne persondernemer daar behoefte aan, ook wilde Rooij aantonen dat economisch gezonde bedrijven de beste waarborg waren voor de onafhankelijkheid van de pers, en dat was dé voorwaarde voor zuivere, onafhankelijke journalistiek. Om een juist evenwicht te creëren van journalistieke en economische eisen hield Rooij een warm pleidooi voor afbakening van bevoegdheden tussen redactionele en commercieel-technische leiding. De hoofdredactie diende de inhoud van de krant te bepalen, een uitgangspunt dat tegen het einde van Rooijs carrière gemeengoed was geworden in de Nederlandse pers.

In december 1957 verliet Rooij de NRC , omdat hij K. Baschwitz aan de Universiteit van Amsterdam opvolgde als gewoon hoogleraar in de leer der communicatiemiddelen, in het bijzonder van de pers. In zijn inaugurale rede, maart 1958, zei hij over de stap van de pers naar de wetenschap: 'De jaren waarin ik de eer heb gehad in leidende organisatorische functies in het perswezen werkzaam te zijn, zijn voor mij een leerschool geweest, waarin ik enerzijds allerlei fundamentele problemen heb leren onderkennen, anderzijds ten diepste overtuigd ben geraakt van de noodzaak, dat de wetenschapsbeoefening vooral aan de bevordering van een goede beroepsuitoefening ten goede zal komen.' Hij wilde de maatschappelijke functie van de pers aangeven en verdedigen, evenals het belang voor de samenleving van een vrije onafhankelijke pers. Nieuwe ontwikkelingen in de media hielden hem bezig, bijvoorbeeld de opkomst van de televisie.

Deze hoogleraarsfunctie bracht hem in talloze nationale en internationale commissies en adviesraden. Hier volgt slechts een selectie van die activiteiten. Hij was directeur van het Instituut voor Perswetenschap en van de Nederlandse Persbibliotheek in Amsterdam van 1958 tot 1971. Van 1965 tot 1970 was hij lid van het curatorium van de School voor de Journalistiek in Utrecht. Vanaf 1956 verrichtte Rooij veel werk voor de UNESCO, onder andere als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering op conferenties over de media in ontwikkelingslanden. Wetenschappelijke contacten over de grens waren zoal gastdocentschappen in de Verenigde Staten en Canada in 1960, werk voor de International Association for Mass Communication Research, het hoofdredacteurschap van Gazette. International Journal for Mass Communication Studies en betrokkenheid bij het International Press Institute te Zürich.

Zijn reputatie en vakkennis maakten dat Rooij vaak werd gevraagd als adviseur bij bedrijfsfusies en arbeidsconflicten in de pers. Ook trad hij op als vertrouwensman bij CAO-onderhandelingen en werd hij als deskundige bij commissies betrokken die zich bogen over persvraagstukken. In 1971 nam hij afscheid als hoogleraar, hij was toen 65 jaar. In dat zelfde jaar werd hij voorzitter van de Commissie-Bedrijfsfonds voor de Pers, waarvoor hij het nodige voorwerk had verricht. Hij bleef de media volgen, reisde en publiceerde en deed regelmatig advieswerk.

Maarten Rooij heeft zich gedurende zijn veelzijdige carrière met een tomeloze werkkracht en met veel overtuiging op tal van terreinen voor de Nederlandse pers en journalistiek ingespannen. Hij heeft daarmee onmiskenbaar een blijvend stempel gedrukt op de naoorlogse ontwikkelingen in deze maatschappelijke sector. Oud-collega's typeerden hem als een 'intellectuele bulldozer' en als iemand die door zijn inzet een voorbeeld was voor anderen. NRC Handelsblad sprak bij zijn overlijden in januari 1986 over een 'Leidersfiguur die redacteuren de vrijheid gaf'; De journalist schreef: 'De georganiseerde journalistiek is prof. Rooij veel dank verschuldigd.' Rooij werd meermaals onderscheiden, onder andere was hij erelid van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

A: Enig documentatiemateriaal betreffende zijn activiteiten is aanwezig in het Nederlands Persmuseum te Amsterdam. Een collectie persoonlijke archivalia is in familiebezit.

P: Een uitgebreide bibliografie van Rooij in Selectiviteit in de massacommunicatie.... Onder red. van H. Daudt [et al.] (Deventer, 1971) 253-256. Daarna publiceerde hij onder andere nog het boek Kranten, dagbladpers en maatschappij (Amsterdam, 1974).

L: A. Stempels, 'Maarten Rooij, 'intellectuele bulldozer' voor krant en vakorganisatie', in De Journalist 22 (1971) 18 (15 september) 48-51; M. van Rooy, 'De journalist blijft een produkt van zijn tijd' (interview), in NRC Handelsblad, 6-12-1980; H. van den Heuvel, De vrijheid van de pers. De overheid en het commerciële handelen van de pers 1944-1949 (Baarn, 1981) 32-33, 74-77, 82-85; J. Brauer en J. Driever, Perszuivering. De Nederlandse pers 1944-1951 (Weesp, 1984) 52-55, 115-116; J.L. Heldring, 'Leidersfiguur die redacteuren de vrijheid gaf', in NRC Handelsblad, 8-1-1986; G. Schuijt, in De Journalist 37 (1986) 2 (27 januari) 28-29; H.J. Evers, Journalistiek en ethiek (Delft, 1987). Proefschrift VU Amsterdam; René Vos, Niet voor publicatie. De legale Nederlandse pers tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam, 1988). Proefschrift Leiden.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1255.

J.L.M. Brauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013