Ruijs, Anna Charlotte (1898-1977)

 
English | Nederlands

RUIJS, Anna Charlotte (1898-1977)

Ruijs, Anna Charlotte (bekend onder de naam Charlotte Ruys), bacteriologe (Dedemsvaart, gem. Avereerst 21-l2-1898 - Amsterdam 8-2-1977). Dochter van Bonne Ruijs (bekend onder de naam Ruys), planten- en boomkweker, en Engelina Gijsberta Fledderus. Gehuwd op 22-6-1945 met Maria André Antoine August Defresne, toneelschrijver en -regisseur. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Ruijs, Anna Charlotte

Anna Charlotte Ruys werd in 1898 als tweede kind en oudste dochter geboren in Dedemsvaart. Het gezin Ruys zou later acht kinderen tellen. De streng Nederlands-Hervormde traditie die de opvoeding kenmerkte, sloot een zekere 'moderne geest' niet uit. Bonne Ruys, de vader van Charlotte, experimenteerde, als kweker van vaste planten, met nieuwe variëteiten. Zijn kwekerij Moerheim werd hierdoor wereldberoemd. Moeder Ruys had als een van de eerste vrouwen in Nederland het examen voor postbeambte afgelegd en voor zij trouwde ook als zodanig gewerkt. Na haar huwelijk organiseerde zij een christelijke wijkverpleging. Het zal mede hieraan te danken zijn geweest dat ook van de dochters Ruys werd verwacht dat ze 'iets' zouden 'worden'. Charlotte ging op 13-jarige leeftijd uit huis om in Zwolle het gymnasium te volgen, waar ze vanuit de vijfde klas staatsexamen deed. Daarop ging zij in Utrecht studeren, leerde daar haar vriendin Marie Anne Tellegen kennen, die een vooraanstaande rol in de vrouwenbeweging zou spelen, en kwam in aanraking met o.a. Frans Coenen en Carry van Bruggen. Zij werd in deze periode kritischer, raakte meer en meer links-liberaal georiënteerd en verbrak ook de banden met de kerk.

Na het doctoraal examen in 1922 besloot Anna haar artsenopleiding te voltooien in Groningen - op 21 februari 1924-omdat enkele Utrechtse hoogleraren de naam hadden grof tegen vrouwelijke studenten te zijn. Omdat zij gekozen had voor een wetenschappelijke loopbaan viel het niet mee aan de slag te komen. Gelukkig mocht zij bij de uit Duitsland afkomstige hoogleraar W.A.P. Schüffner op het Instituut voor Tropische Hygiëne van de Vereeniging ,,Koninklijk Koloniaal Instituut" te Amsterdam als volontair komen werken. Omdat het Instituut in het Laboratorium voor Volksgezondheid en gehuisvest was leerde zij hier spoedig ook J.J. van Loghem, hoogleraar in de gezondheidsleer aan de Universiteit te Amsterdam, kennen, met wie zij later zou gaan samenwerken.

Onder Schüffner werd hard gewerkt aan methoden van bloedonderzoek en onderzoek naar leptospira, een bepaald soort micro-organisme. Bovendien viel vrij snel het besluit dat Charlotte onderzoek zou doen naar De verwekker van de rattebeet-ziekte, op welke proefschrift zij op 3 juli 1925 promoveerde. Inmiddels betaald assistente geworden, aanvaardde zij in april 1925 een opdracht van de GG en GD voor een onderzoek bij scheeps- en havenratten op de aanwezigheid van pest onder leiding van pestdeskundige Van Loghem. In september kwam zij bij hem in dienst als assistente, waar zij, naast het verrichten van onderzoek en het behulpzaam zijn bij practica, ook een leergang opzette voor de opleiding van hygiënisten, en hiervoor zelf als eerste in 1926 het diploma behaalde. In 1928 vroeg zij op aanraden van Van Loghem toelating tot privaatdocent in de bacteriologie der infectieziekten. De openbare les waarmee zij deze functie aanvaardde was getiteld: Wisselende opvattingen over besmetting.

Ondanks haar goede verstandhouding met Van Loghem, besloot Charlotte Ruys in 1928 te solliciteren naar de functie van hoofd van de laboratoria van de afdeling volksgezondheid van de GG en GD, waar zij, geheel tegen de verwachtingen in, werd aangenomen. Zij verlangde naar een zelfstandige werkkring, terwijl ze daarbij in deze functie meer recht kon doen aan haar opvattingen over het medische beroep, zoals ze die, in 1958, heeft geformuleerd in The médical proffession. Anna verrichtte liever wetenschappelijk onderzoek in dienst van een sociale organisatie als de GG en GD, dan in die van de op zuiver wetenschappelijk onderzoek gerichte universiteit. Medische studenten die zich hun toekomst niet konden voorstellen tussen 'buisjes en preparaten', wees zij op het belang van nauwkeurig laboratoriumonderzoek. Zij placht deze bewering dan vaak te ondersteunen met een voorbeeld uit de praktijk, namelijk haar vondst in haar beginperiode bij de GG en GD, dat een grote groep vrouwen, die ten onrechte gebrandmerkt was als besmet met gonorroe, slechts aan een onschuldige vulvovaginitis (vagina-infectie) leed. Niet alleen werden de desbetreffende vrouwen en meisjes door deze diagnose ontslagen van een langdurige en onplezierige behandeling en verlost uit een inrichting, maar ook was het van belang dat de vrouwen door dit oordeel voor de 'schande' van een geslachtsziekte tegenover haar omgeving werden gespaard.

Haar indiensttreding bij de GG en GD betekende niet een definitief afscheid van de universiteit. Op voorstel van Van Loghem werd zij in april 1940 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, nadat ze twee keer voor vacatures van hoogleraar in haar vak, te Groningen en te Utrecht, was gepasseerd. Haar inaugurele rede luidde Ziektekiemen (Amsterdam, [1940]). In 1948 volgde zij Van Loghem op en werd zij hoogleraar in de bacteriologie, epidemiologie en de immuniteitsleer. Daarnaast doceerde zij tot 1952 sociale geneeskunde en tot 1958 hygiëne. Charlotte Ruys heeft zich ook in bestuurlijke en organisatorische functies energiek betoond, o.a. als lid van de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1945-1948), de Nederlandse Unesco Commissie (1947-1951), de organisatie van het Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek en het bestuur van het Toegepast-Natuurkundig Onderzoek. Van 1949 tot 1953 was zij voorzitter van de medische faculteit. Toen ze besloot haar maatschappelijke activiteiten te beperken, bleef zij alleen nog tot 1966 lid van de Gezondheidsraad. Ook op ruimer maatschappelijk terrein bleek dat Charlotte zich sterk bewust was van haar verantwoordelijkheid als arts en wetenschappelijk onderzoeker. Tijdens een studiereis naar de VS in 1947 was zij geconfronteerd met discussies over de rol van het wetenschappelijk onderzoek in dienst van de oorlogvoering, vooral op bacteriologisch terrein. In lezingen en artikelen wees zij sindsdien op de noodzaak van het verzet hiertegen. Een verzoek van het ministerie van Oorlog om te adviseren over de bouw van een laboratorium, wees zij af. In een rede in 1961 voor de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, getiteld Verzet van vandaag, zou zij haar protest tegen het verlenen van wetenschappelijke medewerking aan bacteriologische oorlogsvoering vergelijken met het verzet van mensen tijdens de oorlog. Zij wist waar ze over sprak. In de bezettingstijd had zij zich onmiddellijk aangesloten bij het artsenverzet, dat in de zomer van 1941 met de oprichting van het Medisch Contact begonnen was en zich half legaal en half illegaal de daaropvolgende jaren had geweerd. Nadat tijdens een van haar colleges in februari 1943 de mannelijke studenten door de Duitse politie waren weggehaald, leidde een hardnekkig volgehouden weigering nog colleges te geven uiteindelijk tot 'oneervol' ontslag in 1944. Zij negeerde daarbij tot drie keer toe een dreiging met de doodstraf door de SD. In februari 1945 werd zij toch nog gearresteerd onder verdenking de leiding te hebben over geheime zenders in Amsterdam. Op 6 mei volgde haar bevrijding uit het 'Oranjehotel' (de gevangenis in Scheveningen).

Ook in haar huwelijk speelde dit maatschappelijk engagement een rol. August Defresne, regisseur, toneel- en romanschrijver, had zij in 1924 leren kennen. Hij was toen nog getrouwd met de toneelspeelster Charlotte Köhler, maar er ontstond al spoedig tussen hem en Charlotte Ruys een blijvende intieme relatie. Aanvankelijk was een huwelijk niet mogelijk, maar toen in 1937 Charlotte Köhler toch wilde scheiden was het voor Charlotte Ruys onmogelijk geworden te huwen wegens een artikel in het Algemeen Rijksambtenaren Reglement (ARAR) van 19-1-1934 dat bepaalde dat wanneer een ambtenares die jonger dan 45 jaar was in het huwelijk trad, zij eervol ontslagen werd op de dag van haar huwelijk. Het werk vond zij evenwel belangrijker. Geheimhouding bleef echter geboden, omdat het ARAR concubinaat gelijkstelde met een huwelijk. Pas na de bevrijding traden zij in de echt. Hun relatie betekende veel voor beiden. Kwam zij door hem in aanraking met de psychoanalyse en de toneelwereld, omgekeerd ging van haar wetenschappelijke arbeid een stimulans uit. Zijn roman Professor Kasper (Amsterdam, [1950]) bijvoorbeeld gaf het door haar gestelde morele probleem van de bacterioloog tegen de achtergrond van de biologische oorlogvoering weer. Na Defresnes overlijden in 1961 woonde Charlotte nog 16 jaar samen met haar jongste zuster.

Een vrouw als Charlotte Ruys moest wel betrokken geraken bij de vrouwenbeweging. Zij heeft ongetwijfeld deelgenomen aan het verzet tegen de maatregelen waarmee de arbeid van vrouwen in de jaren dertig werd beperkt. Haar vriendin Marie Anne Tellegen had de leiding van de feministische protestmeeting in 1938 tegen het wetsvoorstel van minister C.P.M. Romme om de arbeid van gehuwde vrouwen geheel te verbieden. Zelf concentreerde zij zich vooral op de belangen van vrouwelijke artsen, die vanaf 1933 behartigd werden door de Vereeniging van Nederlandsche Vrouwelijke Artsen. Van 1947 tot 1950 nam Charlotte Ruys het voorzitterschap van de Médical Women's International Fédération op zich. In deze functie had zij de leiding over het roerige internationale congres in 1950, waarin mede door haar invloed werd besloten de Duitse vrouwelijke artsenvereniging weer toe te laten tot de internationale organisatie.

A: Collectie - Defresne-Ruys in particulier beheer. Autobiografie van Charlotte Ruys in fotokopie in het Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (IIAV) te Amsterdam, alsmede 'Herinneringen aan A. Defresne' in machineschrift, o.a. op het Nederlands Theater Instituut te Amsterdam en in het IIAV, en ten slotte 'Anna Charlotte Ruys 21-XII-1898 ' als fotokopie in het IIAV.

P: Lijst van publikaties van 1925 tot 1968 in de bibliotheek van het Laboratorium voor de gezondheidsleer van de Universiteit van Amsterdam.

L: W.B.F. Schaper, 'Prof. Anna Charlotte Ruys', in In het eerste gelid. Twaalf vooraangaande Nederlanders (Meppel, [1955]) 117-133; F. Dekking en J.J. van Loghem sr., 'Prof.dr. A. Charlotte Ruys 25 jaar hoogleraar', in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (Ned. T. Geneesk.) 109 (1965) 1131-1132; E. Pereira-d'Oliviera, Vrouwen feministen die van genezen wisten (Amsterdam, 1973) 118; Tom de Greef en Max Hirsch, '1940-1975', in Folio civitatis 28 (1975) 34 (31 mei) 11; B. Turksma-Heijmann, 'Prof. A. Charlotte Ruys: Woekeren met talenten', in Mededelingen van de Vereniging van vrouwen met academische opleiding 42 (1976) 1 (febr.) 12-14; J.W. van den Blink-Rolder, De krant van de V.N.V.A. 5 (1977) 2 (april) 6-9; J.R. Prakken, in Ned. T. Geneesk. 121 (1977) 427; H. C. Zanen, in Folia Civitatis 30 (1977) 23 (26 februari) 2.

I: Dr. E. Pereira-d'Oliveira, Vrouwen feministen die van genezen wisten. Over de vrouwelijke arts in Nederland (Amsterdam 1973) fotokatern [Foto: Eddy Posthuma de Boer].

Mineke Bosch


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013