Rutgers, Abraham Arnold Lodewijk (1884-1966)

 
English | Nederlands

RUTGERS, Abraham Arnold Lodewijk (1884-1966)

Rutgers, Abraham Arnold Lodewijk, plantkundige en vice-president van de Raad van State (Amsterdam 24-7-1884 - Wassenaar 26-9-1966). Zoon van Frederik Lodewijk Rutgers, Ned. Herv. predikant, hoogleraar in kerkgeschiedenis en kerkrecht, en Cornélie Catherine Hermance Guye. Gehuwd op 14-11-1910 met Rosine Alexandrine Frédérique Idenburg. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Rutgers, Abraham Arnold Lodewijk

Bram Rutgers groeide, evenals zijn oudere broer Victor, op in het gezin van de eerste hoogleraar in de kerkgeschiedenis van de Vrije Universiteit (VU) in jaren van kerkelijke strijd en van inspanning om deze jonge universiteit een eigen plaats te geven in de wetenschappelijke wereld van Nederland. De levensstijl van dat gezin werd gekenmerkt door een sterke nadruk op de persoonlijke omgang met God en op de roeping daarvan ook in het leven van beroep en bedrijf blijk te geven. Beide karakteristica hebben Rutgers' leven gestempeld.

Hij bezocht het Gereformeerd - later Woltjer - Gymnasium te Amsterdam en werd in 1901 als student in de wis- en natuurkunde zowel aan de Universiteit van Amsterdam als aan de Vrije Universiteit ingeschreven. De laatste had geen faculteit der natuurwetenschappen. Niet zelden lieten echter gereformeerde studenten zich aan beide universiteiten inschrijven. Aan de VU volgden zij dan enkele algemene colleges. Bij zijn erepromotie aan die universiteit getuigde hij dankbaar van de vormende invloed die de classicus prof. J. Woltjer op hem had gehad. In zijn studententijd was Rutgers een actief lid van het Studentencorps aan de VU en van de Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging.

Zijn eigenlijke studierichting was de plant- en dierkunde. Op 4 oktober 1910 promoveerde hij cum laude bij F.A.F.C. Went op het proefschrift De invloed der temperatuur op den praesentatie-tijd bij geotropie (Utrecht, 1910) aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In dat zelfde jaar vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij eerst een functie vervulde bij 's Lands Plantentuin te Buitenzorg. Van 1916 tot 1923 was hij directeur van het proefstation van de Algemeene Vereeniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra te Medan. In 1923 werd hij directeur van Landbouw, Nijverheid en Handel wederom in Buitenzorg. Zijn Indische periode eindigde in 1928, toen hij benoemd werd tot gouverneur van Suriname.

Naast zijn beroepsbezigheden, die hij naar algemeen oordeel voortreffelijk vervulde, heeft Rutgers in Indië veel tijd gegeven aan kerkelijke arbeid en aan het christelijk onderwijs. Zijn vrouw en hij waren lid van de Gereformeerde kerken in Nederlands-Indië, een in ledental niet grote kerkgemeenschap, die niettemin in de Indische samenleving een plaats van betekenis heeft ingenomen. Jarenlang was hij ouderling en verving de predikant, wanneer - en dat kwam herhaaldelijk voor - geen predikant beschikbaar was. Hij was iemand die voor vrijwel alle van die kerken veel betekend heeft (A. Algra).

Als gouverneur van Suriname ervoer Rutgers dezelfde teleurstellingen als zijn voorgangers. De economie kwijnde, pogingen de landbouw te stimuleren mislukten veelal, het bestuursapparaat was zwak bezet en weinig inventief, Nederland was niet bereid extra middelen ter beschikking te stellen voor verbetering en diversificatie van de economie. Ook in dit land gaf hij blijk van zijn belangstelling voor de kerk, met name de Evangelische Broeder Gemeente, en het onderwijs.

Aan het gouverneurschap kwam een einde in 1933. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer dat jaar werd Rutgers voor de Anti-Revolutionaire Partij gekozen. Na zovele jaren bestuurder te zijn geweest kon hij echter aan de in die dagen veelal controlerende taak van de volksvertegenwoordiger niet wennen. In 1936 deed zich de mogelijkheid voor van een benoeming tot lid van de Raad van State. Rutgers greep de kans om van Binnenhof 1A naar Binnenhof 1 te verhuizen graag aan.

Met vrijwel alle belangrijke staatszaken krijgt de Raad van State te maken, en het lidmaatschap van de afdeling voor de geschillen van bestuur biedt de mogelijkheid invloed uit te oefenen op de praktijk van het binnenlands bestuur. Rutgers heeft zich in de Raad zeer thuis gevoeld en er zich door zijn wijsheid een belangrijke plaats verworven, zó dat zijn benoeming tot vice-président in 1956 in en buiten het college algemene instemming vond. Het bereiken van de leeftijdsgrens maakte met ingang van 1 augustus 1959 een einde aan zijn vice-presidentschap.

Naast zijn lidmaatschap van de Raad van State bleef hij werkzaam op kerkelijk en maatschappelijk terrein. Zo was hij bestuurslid van het Zeister Zending Genootschap, waardoor de band met Suriname behouden bleef. Hetzelfde gold, mede wat de andere overzeese rijksdelen betreft, voor zijn voorzitterschap van de Christelijke Militaire Bond voor Oost- en West-Indië. Deze hield zich vooral bezig met de stichting en instandhouding van militaire tehuizen overzee.

Tijdens de bezetting heeft Rutgers belangrijk werk in het verzet verricht, in politiek maar vooral in kerkelijk opzicht. Politiek in het Vaderlandsch Comité, waarin vertegenwoordigers van de grote politieke partijen samenwerkten en waarin hij na hun gevangenneming J. Donner en J. Schouten verving. Ook hij zat enige tijd als gijzelaar gevangen, nl. van eind januari 1941 tot december 1942, eerst in Schoorl, daarna in Sint-Michielsgestel.

Als vertegenwoordiger van de Gereformeerde Kerken had hij zitting in het Convent van (protestantse) Kerken (later, na de toetreding van de Rooms-Katholieke Kerk, Inter Kerkelijk Overleg (IKO) geheten). In de latere oorlogsjaren was hij daarvan de voorzitter. Hij had een belangrijk aandeel in het redigeren van de van het IKO betrokken bij de onderhandelingen met de Duitse autoriteiten in de laatste oorlogsmaanden over het toelaten van de van de Geallieerden afkomstige zendingen voedsel. Op aanwijzing van de regering in Londen door het College van Vertrouwensmannen belast met de waarneming van het ambt van commissaris van de Koningin in Zuid-Holland fungeerde hij enkele maanden na de bevrijding als zodanig.

Op 20 oktober 1959 verleende de Vrije Universiteit hem een eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid 'wegens zeer uitstekende verdiensten in de uitoefening van hoge functies, die bij de ontwikkeling van het staatsrecht in het Koninkrijk der Nederlanden ten nauwste betrokken zijn'.

Rutgers was een man van een voorname, hoffelijke levensstijl, zowel in de ambtelijke sfeer als in de persoonlijke omgang. Treffend juist typeerde hem staatsraad A.L. de Block na zijn verscheiden: 'een door en door nobel man,'van een grote stijl, uiterlijk en innerlijk'.

A: Verzameling - A.A.L. Rutgers in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden), Vrije Universiteit te Amsterdam.

P: Artikelen in Algemeen Landbouwweekblad van Nederlandsch-Indië, De West-Indische Gids en Anti-Revolutionaire Staatkunde.

L: H.C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk (Den Haag, 1946. 2 dl.); Opdat wij niet vergeten. Samengest. door Th. Delleman. Met medew. van G. Brillenburg Wurth, J.A.H.J.S. Bruins Slot [et al.] (Kampen, 1949); M. Ruppert, in Anti-Revolutionaire Staatkunde 36 (1966) 249-250; L. W. G. Schölten, in Jaarboek Vrije Universiteit Amsterdam (1967) 35-38; A. Algra, De Gereformeerde Kerken in Nederlands-Indië/Indonesië (1877-1961) (Franeker, [1967]); G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941 ([Utrecht, [1973]); Briefwisseling Kuyper-Idenburg. Verzorgd, ingel. en toegel. door J. de Bruijn en G. Puchinger (Franeker, 1985).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1266.

W.F. de Gaay Fortman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013