Schaper, Johan Hendrik Andries (1868-1934)

 
English | Nederlands

SCHAPER, Johan Hendrik Andries (1868-1934)

Schaper, Johan Hendrik Andries, politicus (Groningen 12-2-1868 - Voorburg 31-8-1934). Zoon van Niklaas Schaper, behanger, en Annegiena Battruda van Braam. Gehuwd op 5-5-1898 met Alberdina Hendriëtta Meijer. Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren. Na haar overlijden (29-7-1928) gehuwd op 1-10-1930 met Sophia Maria Philomena Goethals. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Schaper, Johan Hendrik Andries

Schaper ontving slechts tot zijn tiende jaar lager onderwijs; na korte perioden als leerling-behanger en winkelbediende ging hij werken als huisschilder. Door zelfstudie heeft hij zich na het verlaten van de lagere school een behoorlijke algemene ontwikkeling verworven, die echter veel minder groot was dan die van zijn socialistische medestrijder W.H. Vliegen; vooral zijn kennis van vreemde talen bleef uiterst gebrekkig. Al vroeg werd hij, door het lezen van propagandageschriften, voor het socialisme gewonnen, en op zijn achttiende verjaardag werd hij lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Van zijn lutherse vader had Schaper een vrijzinnig godsdienstige opvoeding gekregen, maar als jongen reeds verloor hij zijn geloof; in zijn nog te noemen autobiografie (I, 96) vertelt hij overigens: '... ondanks dit alles ben ik nooit - was het atavisme? - absoluut losgeworden van het godsgeloof.' In een in 1907 door hem geschreven brochure. Het groote leven in. Een woord aan de jongelieden uit het volk ('s-Gravenhage, [ca. 1907]), waarin hij het vrij uitvoerig over de godsdienst heeft, toont hij zich eerder agnosticus dan atheïst. In de sociaal-democratische beweging is hij later altijd opgekomen voor uiterste tolerantie jegens religieuze gevoelens.

In de Groningse afdeling van de SDB ontplooide Schaper direct een grote activiteit. Hij werd secretaris en later voorzitter van de afdeling. In 1888/1889 vervulde hij zijn militaire dienstplicht (eerst bij de Jagers in Den Haag, vanwaar hij echter - als straf voor het zingen van socialistische liederen -werd overgeplaatst naar het 6e Regiment Infanterie in Breda), doch daarna hervatte hij zijn werk voor de SDB, nu niet alleen in zijn woonplaats: als debater op openbare vergaderingen werd hij vanaf 1889 in heel Groningen en Drenthe ingezet. Verder ontwikkelde Schaper zich ook van een gretige lezer tot een gretige schrijver: hij werd een redelijk goede en in ieder geval zeer produktieve journalist en schrijver van brochures (van tijd tot tijd publiceerde hij ook socialistische gedichten, waarvan het literaire niveau doorgaans niet hoog was, maar de inhoud zijn geestverwanten uit het hart gegrepen bleek te zijn). In 1891 gaf Schaper samen met Tjerk Luitjes in Groningen De Socialist. Geïllustreerd weekblad voor humor en satyre uit, waarvan twaalf nummers verschenen (23 mei 1891-15 augustus 1891). Vanaf 4 maart 1893 verscheen onder de redactie van Schaper (die tevens administrateur was) De Wachter. Socialistisch Weekblad voor Groningen en Noordelijk Drenthe. Dit blad, dat door Schaper grotendeels volgeschreven (en ook nog bezorgd!) werd, bleef verschijnen tot december 1895, toen het werd opgenomen in De Sociaaldemokraat (Utrecht) dat aanvankelijk van 4 januari 1896 af als weekblad verscheen.

Inmiddels had Schaper toen al, met medeneming van De Wachter, de 'oude beweging' verlaten. Van jongs af combineerde hij een heftig temperament met een grote mate van nuchterheid, die hem steeds het haalbare in het oog deed houden en hem wars maakte van revolutionaire romantiek. De ontwikkeling in antiparlementaire en zelfs anarchistische richting die de SDB onder leiding van F. Domela Nieuwenhuis doormaakte, vervulde hem met ergernis. Op het Groninger congres van 1893 verdedigde hij de parlementaire activiteit en bestreed hij de motie-Hoogezand-Sappemeer, waarin werd voorgesteld onder geen voorwaarde hoegenaamd aan de verkiezingen deel te nemen ook niet als agitatiemiddel, en in augustus 1894 behoorde hij - met Pieter Jelles Troelstra, Vliegen en negen anderen, tot de oprichters van de nieuwe Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP); hij werd ook tot lid van het eerste hoofdbestuur der nieuwe partij gekozen.

In 1890 was Schaper wegens zijn politieke activiteiten door zijn baas ontslagen. Daarmee begon voor hem een moeilijke periode van telkens terugkerende werkloosheid; daar het hem moeilijk viel als schilder werk te vinden, probeerde hij zijn geluk een paar keer in de handel (eerst met een boekwinkeltje, daarna met een schoenwinkel). Pas in januari 1896 kwam aan de ergste zorgen een einde, toen hij door de SDAP werd aangesteld tot 'reizend agent en propagandist', met een salaris van acht gulden per week.

In juli 1897 werd Schaper (als enige socialist) gekozen tot lid van de gemeenteraad van Groningen. Ter ondersteuning van zijn werk in de raad verscheen vanaf januari 1898 in Groningen het door hemzelf geredigeerd blad De strijd. Weekblad van de Arbeiderspartij (in 1900 omgedoopt in weekblad De Volksstrijd). In 1898 werd hij ook lid van de Provinciale Staten van Groningen. Zowel raads- als statenlidmaatschap moest hij opgeven toen hij in 1905 naar de omgeving van Den Haag (eerst Voorburg, later Rijswijk, ten slotte Voorschoten) verhuisde.

Het werk in de raad, waar hij - als nog geen dertig jaar oude arbeider - moest omgaan met en optornen tegen de goed ontwikkelde en zelfverzekerde vertegenwoordigers der 'burgerlijke' partijen, is voor Schaper ongetwijfeld een belangrijke leerschool geweest, die zowel zijn zelfbewustzijn als zijn begrip voor het politiek mogelijke heeft versterkt; een leerschool die hem te pas zou komen in wat zijn hoofdfunctie en het hoofdbestanddeel van zijn openbare leven zou worden: het lidmaatschap van de Tweede Kamer.

Op 16 maart 1899 werd Schaper tot kamerlid gekozen in het district Veendam, waar hij tot veler verrassing de bekende liberale kandidaat E.A. Smidt versloeg. In 1901 werd hij gekozen in het district Appingedam, dat hem daarna zou blijven afvaardigen tot de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1918. Het Tweede-Kamer-lidmaatschap van Schaper heeft ononderbroken geduurd van 1899 tot zijn dood in 1934. In 1901/1902 trad hij op als fractievoorzitter voor de SDAP; nadat in 1902 Troelstra opnieuw kamerlid geworden was, was Schaper vice-voorzitter van de fractie. Voorts werd hij in 1915 eerste ondervoorzitter van de Tweede Kamer.

Aanvankelijk, toen de SDAP-fractie klein was, hield Schaper zich in de Kamer met de meest uiteenlopende onderwerpen bezig. Later ging hij zich meer specialiseren. Vooral de arbeidswetgeving en de sociale verzekeringen werden toen zijn terrein. Met de Indische zaken hield hij zich in zoverre bezig dat hij jarenlang hardnekkig vocht voor afschaffing van de poenale sanctie - een bepaling waarbij een koelie strafrechtelijk gedwongen kon worden zijn contractverplichtingen met de cultuurmaatschappij na te komen. Verder behandelde hij voor de fractie ook lange tijd de zaken betreffende de volksgezondheid, waarbij hij vooral opkwam voor de tuberculosebestrijding; over dat onderwerp schreef hij ook de brochure De tering en het arbeidende volk (Amsterdam, [1907]), terwijl hij voorts bestuurslid was van de Centrale Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose.

Als kamerlid werd Schaper ten volle datgene waartoe zijn aangeboren nuchterheid, gevoegd bij zijn ervaringen als arbeider, hem van jongsaf voorbestemde: een 'reformist' in hart en nieren. Het spreekwoord 'één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht' zou als populaire samenvatting van zijn denkwijze kunnen dienen. Wat haalbaar was, moest binnengehaald worden. Verder weg gelegen doeleinden zag hij vaak als irreële fantasieën. Een belangrijk punt daarbij was dat hij bij de Nederlandse arbeidersklasse geen echt revolutionair sentiment aanwezig achtte. Revolutionaire marxisten als Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst zag hij als 'kinderlijke' romantici, die de arbeidersklasse, van welker werkelijke situatie zij geen flauw benul hadden, idealiseerden. Met de jaren nam zijn afkeer van 'revolutionaire frazen' steeds toe, en kort voor zijn dood schreef hij in het laatste hoofdstuk van zijn autobiografie pessimistisch: 'Steeds echter, knaagt aan de arbeidersbeweging een worm: het extremisme.' (II, 399.)

Als kamerlid was Schaper nooit bang in zijn reformisme tegen de meerderheid van zijn partijgenoten in te gaan. Zo verwekte hij al in juni 1899 deining door als enige socialist in de Kamer voor subsidieverlening aan een Groningse tramonderneming te stemmen (dat leverde hem een reprimande in Het Volk en een motie van afkeuring van de SDAP-afdeling Winschoten op). Eind 1901 kreeg hij opnieuw een deel van de partij over zich heen, toen hij in de Kamer het verwijt van minister Abraham Kuyper dat de socialisten 'vaderlandloos' waren beantwoordde met de verklaring dat, bij gevaar voor het vaderland, de sociaal-democraten 'de eersten zullen zijn om aan de grenzen het vaderland te verdedigen'. Aan die twee voorbeelden zou men nog vele kunnen toevoegen.

Kan men Schaper dus om zijn politieke doelstellingen een 'gematigd' socialist noemen, die gematigdheid hield bepaald geen zachtzinnige houding tegen de 'klassetegenstander' in het parlement in. Integendeel, weinig socialistische kamerleden zijn zo fel en vaak ook zo onparlementair van leer getrokken als Schaper. Vooral met jhr. A.F. de Savornin Lohman, een even temperamentvol man als hijzelf, kwam hij herhaaldelijk in botsing. In maart 1910 introduceerde hij, bij de behandeling van Talma's verzekeringswetten, voor het eerst het middel van de parlementaire obstructie, nl. door stemming te vragen over elk onbelangrijk voorstel. In september 1911 herhaalde zich de obstructietactiek, toen de rechtse kamermeerderheid weigerde een voorstel tot een adres van antwoord op de troonrede zelfs maar in behandeling te nemen; nu werd, met Schaper aan het hoofd, door de SDAP-fractie de tactiek van de eindeloze debatten toegepast; na één dag kreeg de SDAP haar zin.

Wij willen hier nog enkele hoofdmomenten uit Schapers werkzaamheden in de Tweede Kamer en in de SDAP aanduiden. Hij was een der voornaamste drijvers achter het uit de SDAP stoten van de groep rond het marxistische oppositieblad De Tribune (D. Wijnkoop c.s.); in december 1908 trad hij, samen met W.P.G. Helsdingen, uit het partijbestuur van de SDAP uit protest tegen een 'wapenstilstand' met de Tribunegroep; daarmee lokte hij het congres van Deventer uit, dat binnen 1909 de redactie van De Tribune royeerde.

In 1913 kwam hij fel op voor deelneming van de SDAP aan de regering. Nadat een formatiepoging van de vrijzinnig-democraat D. Bos mislukt was door de afwijzende houding van een SDAP-conferentie, nam Schaper samen met Vliegen achter Troelstra's rug opnieuw contact op met Bos; vervolgens dwongen Schaper en Vliegen een nieuwe partijconferentie af, die overigens hun standpunt verwierp.

De gebeurtenissen van 1913 wierpen een schaduw over de verhouding tussen Schaper en zijn fractievoorzitter Troelstra, en dat werd er niet beter op door wat zich in en na november 1918 afspeelde. Op zich zelf was ook Schaper er niet principieel afkerig van om in een revolutionaire situatie snelle hervormingen af te dwingen, maar hij beoordeelde de toestand veel nuchterder dan Troelstra. In de kritieke dagen tot 15 november heeft hij overigens weinig gedaan om Troelstra te matigen; nadat de 'revolutiepoging' onmiskenbaar mislukt was, heeft Schaper de ondankbare taak gehad in de Kamer 'de terugtocht te dekken' en de onbezonnenheden van de psychisch ingestorte Troelstra recht te praten, wat hij bekwaam en met grote loyaliteit gedaan heeft; in een artikel in Het Volk van 4 december 1918: 'Troelstra en de S.D.A.P.'heeft hij de fractievoorzitter echter scherp gekritiseerd. Op het partijcongres van april 1919 heeft Schaper, samen met Vliegen, tegenover een hem merendeels vijandig gezind publiek de uitsluitend parlementaire tactiek moedig verdedigd; hij wist het congres niet te overtuigen, maar zijn moed werd niettemin gewaardeerd, want met 910 van de 952 werd hij in het partijbestuur herkozen.

In 1920/1921 maakte Schaper deel uit van de commissie-Ruijs de Beerenbrouck, die voorstellen tot herziening van de Grondwet uitwerkte. Hij achtte de voorstellen in het rapport van de commissie volstrekt onvoldoende en voegde bij dit rapport een eigen nota, waarin hij o.a. afschaffing van de adelstand en de ridderorden, opheffing van de Eerste Kamer en invoering van volksinitiatief en referendum bepleitte.

Nadat hij al in 1918 tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland gekozen was, liet Schaper zich in april 1925 overhalen om zich tot lid van Gedeputeerde Staten te laten kiezen (het was de eerste keer dat Zuid-Holland een socialistische gedeputeerde kreeg). Deze nieuwe functie werd geen succes: de agitator Schaper was niet opgewassen tegen de rompslomp van een bestuurdersbaan, en de combinatie met het kamerlidmaatschap was een te zware belasting; hij raakte overwerkt en trad in 1932 af als gedeputeerde. Nadien was zijn gezondheid slecht en moest hij zich uit het meeste werk terugtrekken; de zeer arbeidzame man had jarenlang blijkbaar te veel van zichzelf gevergd. Zijn overlijden kwam toch nog plotseling.

In zijn laatste levensjaren schreef Schaper zijn reeds vermelde autobiografie Een halve eeuw van strijd (Groningen, 1933-1935. 2 dl.); het eerste deel, waarin hij zijn kritiek op Troelstra (vooral op diens onstandvastigheid op cruciale momenten en op zijn geringschatting voor het parlement) nog eens breed uitmeet, verscheen nog tijdens zijn leven; het tweede en omvangrijkste deel is na zijn dood door zijn zoon F.J. Schaper uitgegeven. Het voornaamste euvel van dit werk is de wijdlopigheid (waarbij Schaper door hem belangrijk geachte redevoeringen en artikelen van zijn hand vaak volledig heeft opgenomen). Zijn voornaamste waarde voor het historisch onderzoek ligt in de treffende anekdoten waarmee de schrijver vaak interessant licht werpt op het leven in de Tweede Kamer en in de socialistische beweging. (Ook als spreker in en buiten de Kamer lag Schapers kracht vooral in de pittige en vaak humoristische anekdote; een magistraal redenaar was hij bepaald niet.)

Vaak is Schaper met Vliegen in één adem genoemd (de twee voornaamste 'reformisten' binnen de SDAP-leiding). In autodidactische ontwikkeling was hij echter verre Vliegens mindere, en anders dan deze had hij geen belangstelling voor theoretische problemen; zijn onvermogen vreemde talen te lezen zal daar wel mee samengehangen hebben. Schaper was een man van de dagelijkse praktijk, als strijdbaar arbeidersleider en tegelijk als parlementariër in hart en nieren. Zijn nuchterheid werd door sommigen wel als eng-Nederlandse bekrompenheid beschouwd en zijn stijl van optreden was naar veler smaak wat erg ongepolijst; zijn kundigheid, zijn moed van zijn volstrekte eerlijkheid werden evenwel door vriend en vijand geroemd.

A: Lijst met archivalia in Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

P: Behalve de reeds genoemde werken schreef Schaper tal van brochures, waarvan de belangrijkste zijn: Op de bres. Alfabetisch strijdschrift voor de sociaal-demokratie (Den Haag, 1905); Strijdzangen voor het volk ('s-Gravenhage, [1906]); De Zwolsche beslissing (Amsterdam, 1913); De politieke strijd. Sociaaldemocratisch handboekje voor de verkiezingen van 1913 (Amsterdam, 1913); De volksstrijd van 1925 (Amsterdam, 1925). Verder talrijke artikelen in kranten en tijdschriften.

L: W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed (Amsterdam, [1924]-1938. 3 dl.); idem, in De Socialistische Gids 19 (1934) 625-629; A.C. Josephus Jitta, in De Groene Amsterdammer, 8-9-1934; H. J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging (Amsterdam, 1968); H. van Hulst, A. Pleysier [en] A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij ('s-Gravenhage, [1969]); H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme (Leiden, 1974); G. Bruintjes, Socialisme in Groningen (Amsterdam, 1981).

I: Website Parlementair Documentatie Centrum te Leiden: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [29-10-2008].

A.A. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013