Schlegel, Gustaaf (1840-1903)

 
English | Nederlands

SCHLEGEL, Gustaaf (1840-1903)

Schlegel, Gustaaf, sinoloog (Oegstgeest 30-9-1840 - Leiden 15-10-1903). Zoon van Hermann Schlegel, directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, en Cornelia Buddingh. Gehuwd op 9-5-1878 met Catharina Elisabeth Gezina Buddingh. Dit huwelijk, waaruit geen kinderen werden geboren, werd ontbonden op 3-12-1890. afbeelding van Schlegel, Gustaaf

Aanleg en een bijzonder veelzijdige opvoeding zouden Schlegel tot een universele geleerde op zijn vakgebied, de sinologie, maken. Aanvankelijk werd hij door zijn vader zelf onderwezen, en in het ouderlijk huis aan de Vliet kwam hij van jongs af aan met vele eminente geleerden in aanraking. Huisvrienden als de sterrenkundige Friedrich Kaiser, de latere hoogleraar Japans, Johann Joseph Hoffmann, en de eminente Japan-kenner Ph.F. von Siebold vormden, zoals uit Schlegels latere loopbaan blijkt, een blijvende bron van inspiratie.

Op negenjarige leeftijd begon hij, aanvankelijk buiten medeweten van zijn ouders, lessen in het Chinees bij Hoffmann te volgen. Toen deze in de herfst van 1853 vanwege het Nederlands-Indisch gouvernement verzocht werd enige jongelieden op te leiden tot 'translateur voor de Chineesche taal', diende hij niet alleen een volledig studieprogramma in, maar gaf de minister van Koloniën, C.F. Pahud, tevens in overweging zijn veelbelovende, dertienjarige leerling een maandelijkse toelage van 25,- toe te kennen om hem in staat te stellen 'het tijdroovende onderwijs op het stedelijk gymnasium door privaatlessen te vervangen'. Aan dit verzoek werd gehoor gegeven, en kort daarna nam de tolkenopleiding, waaraan ook twee leeftijdgenoten van Schlegel, J.J.C. Francken en M. Schaalje, en de militaire apotheker C.F.M. de Grijs deelnamen, een aanvang. Het studieprogramma voorzag in een basisopleiding in het klassiek Chinees te Leiden. Gezien het ontbreken van goede woordenboeken en grammatica's was de studie buitengewoon zwaar. Hierop aansluitend zouden de jongelui gedurende enkele jaren naar China gestuurd worden om daar praktijkervaring op te doen in één of twee van de zuidelijke kustdialecten, die het meest gesproken werden door de Chinezen in Nederlands-Indië.

Op 24 oktober 1857 vertrokken Francken en Schlegel, die zich een maand daarvoor als student aan de Leidse universiteit had ingeschreven, naar Amoy, waar De Grijs inmiddels tot vice-consul was benoemd. De laatstgenoemde had als bijzondere opdracht het determineren van de Chinese flora. De leerlingen moesten zich bekwamen in de spreektaal, materiaal verzamelen voor een Nederlands-Chinees, Chinees-Nederlands woordenboek en verder De Grijs in zijn werk bijstaan. Schlegel was voor deze laatste taak als gevolg van de biologielessen van zijn vader uitnemend geschikt en verzamelde bovendien een collectie zeldzame vogels voor het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Toch was het leven weinig idyllisch in Amoy. De studenten werden zo kort gehouden dat Schlegels ouders hun beklag bij de minister deden over het magere inkomen van hun zoon, die 'de schoonste jaren zijner jeugd nagenoeg, op eene eenzame, ongezellige en allesbehalve aangename plaats [Amoy] moest slijten'. Getuige een gedegen, in 1866 verschenen, studie over de prostitutie in Canton, had Schlegel meer armslag toen hij van juli 1861 tot juni 1862 zich daar in het lokale dialect bekwaamde.

Op 20 augustus 1862 werd Schlegel benoemd tot tolk in de Chinese taal bij het Hooggerechtshof te Batavia, een dienstverband dat tien jaar zou duren. Een buitengewoon vruchtbare periode van studie brak aan, die deels verband hield met zijn functie als middelaar in juridische kwesties tussen het gouvernement en de Chinese bevolkingsgroep en deels met zijn persoonlijke passies voor de astronomie en de vergelijkende taalstudie, waarin Kaiser en zijn vader hem de weg hadden gewezen. In 1866 verscheen te Batavia op basis van door de autoriteiten in beslag genomen Chinees materiaal zijn studie Thian Ti Hwui. The Hung-League or Heaven-Earth-League. A secret Society with the Chinese in China and India, waarin voor het eerst het ritueel van de Chinese geheime genootschappen geopenbaard en geanalyseerd werd. Pas na het verschijnen van deze studie kon de overheid de Chinese onderwereld bij de horens vatten. Dit standaardwerk is vele malen herdrukt, laatstelijk nog in 1966 te Singapore. De Sinico-aryaca... (1872), een vergelijkende studie van het Chinees en het Sanskriet, waarin Schlegel een poging ondernam de darwinistische theorieën op de vergelijkende talenstudie toe te passen, kreeg een zeer kritische ontvangst. De eminente taalgeleerde H.N. van der Tuuk ontkende niet de eruditie die uit het werk sprak, maar karakteriseerde het als 'Een fancy op taalkundig gebied'. Brede waardering ondervond echter Sing Chin Khao Youen. Uranographie Chinoise ou preuves directes que l'astronomie est primitive et originaire de la Chine... (1875). Hoewel de hoofdthese van het boek tegenwoordig niet langer wordt onderschreven, geldt het nog steeds als het belangrijkste naslagwerk op het gebied van de Chinese positionele astronomie. De promotie op Chinesische Braüche und Spiele in Europa (1869), waarmee Schlegel langs schriftelijke weg de doctorstitel verwierf bij de Universiteit van Jena, lijkt niet anders dan een formaliteit te zijn geweest.

In 1872 keerde hij met ziekteverlof naar Nederland terug. Op eigen verzoek werd hij weldra belast met de opleiding van Chinese tolken te Leiden. Benoemd tot hoogleraar in de Chinese taal en letterkunde hield hij op 27 oktober 1876 zijn inaugurele rede Over het belang der Chineesche taalstudie (1877). Twee publikaties uit de Leidse periode dwingen ook nu nog bewondering af. Allereerst het monumentale vierdelige Hô Hoâ Bûn-Gí Lui-Ts'am, Nederlandsch-Chineesch Woordenboek, waarvoor de auteur de prix Stanislas Julien à l'Institut de France heeft ontvangen. Dit tussen 1886 en 1890 te Leiden verschenen werk, de neerslag van meer dan 25 jaar studie, geldt als toonaangevend op het studiegebied van het in de provincie Fukien gesproken Minnan dialect. La loi du parallélisme en style Chinois... (1896) wordt eveneens als een mijlpaal in de westerse tekstkritiek van het klassiek Chinees beschouwd. Schlegel heeft gepubliceerd over zeer uiteenlopende onderwerpen. Zijn werk onderscheidt zich door een scherpzinnigheid, die bij tijd en wijle wat geforceerd aandoet, meegesleept als de auteur werd door de overtuiging van zijn eigen gelijk. Schlegel kon het maar moeilijk verkroppen dat tegen het einde van zijn leven bepaalde deelgebieden van de sinologie, zoals taalvergelijking en topografie, zich zo snel ontwikkelden dat een universeel geleerde als hij het niet meer bij kon benen.

Schlegels laatste levensjaren werden vergald door suikerziekte, als gevolg waarvan hij het licht in beide ogen verloor. Een en ander weerhield hem er niet van zijn krachten te geven aan het tijdschrift T'oung pao, dat hij met de Franse sinoloog Henri Cordier in 1889 had opgericht. Samen breidden zij het uit tot een der meest gezaghebbende vaktijdschriften op het gebied van de oriëntalistiek. Zijn vele verdiensten vonden erkenning in binnen- en buitenlandse onderscheidingen. Op 21 april 1888 werd hij lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam.

A: Koloniaal Archief, in 2e afdeling, Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de bovengenoemde grotere werken heeft Schlegel nog meer dan 250 artikelen gepubliceerd. Zij zijn opgenomen in de Liste chronologique des ouvrages et opuscules publiés par [lui] (Leiden, 1902).

L: H. Cordier, in T'oung pao. Série 2 vol. IV (1903) 407-415; H. Kamerlingh Onnes, in Jaarboek der Rijks-Universiteit te Leiden 1903 -1904, 36-38; A.F.P. Hulsewé, 'Chinese en Japanse studies in Holland', in The Journal of Asian Studies 7 (1957-1958) 355-360.

I: Website University of Massachusetts Amherst: http://www.umass.edu/wsp/sinology/persons/schlegel.html [4-11-2008].

J.L. Blussé van Oud Alblas


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013