Schrieke, Jacobus Johannes (1884-1976)

 
English | Nederlands

SCHRIEKE, Jacobus Johannes (1884-1976)

Schrieke, Jacobus Johannes, ambtenaar in Nederlandsch-Indië, secretaris-generaal van het ministerie van Justitie (Pijnacker 19-10-1884 - Ede 15-4-1976). Zoon van Otto Schrieke, Ned. Her v. predikant, en Sara Hendrika Corts. Gehuwd op 18-8-1909 met Johanna Elsine Adriana Dorothea van Baarda. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (17-7-1921) gehuwd op 22-12-1924 met Adrienne Eugénie den Hamer. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Schrieke bezocht de lagere school in De Lemmer en Enschede en doorliep het gymnasium te Kampen. In november 1903 liet hij zich als student in de rechtswetenschappen inschrijven aan de universiteit van Leiden. Een karige toelage van zijn vader, die een voorkeur had voor zijn tweede zoon, Bertram Johannes Otto (later Indisch ambtenaar en hoogleraar), noopte hem tot zuinigheid. Door goede aanleg, ijver, nauwgezetheid en interesse wist hij, vooral na het kandidaatsexamen, mooie resultaten te bereiken. Zijn dissertatie. De ordonnantie met koninklijke medewerking, waarop hij op 2 april 1909 bij prof. C. van Vollenhoven promoveerde, toonde, aldus in 1946 prof. F.M. baron Van Asbeck, een 'opvallende scherpzinnigheid, kennis en overtuigingskracht'.

In oktober 1909 vertrok hij naar Indië. Na griffierswerkzaamheden te hebben verricht voor de president van de Raad van Justitie in Batavia, werd hij in december 1909 benoemd tot substituut-griffier bij het Hooggerechtshof, en in mei 1910 tot buitengewoon voorzitter van de landraad te Probolinggo, welke functie hij in juni 1910 verwisselde voor het voorzitterschap van de landraad te Kraksaan. Zijn aanstelling tot auditeur-militair bij de krijgsraad te Magelang volgde in juli 1911.

Zijn belangstelling voor staatkundige vraagstukken leidde ertoe dat hij in mei 1913 tewerk werd gesteld op de Algemeene Secretarie. Tijdens zijn Europees verlof (1917) werd hij toegevoegd aan de minister van Koloniën, Th.B. Pleyte, in wiens opdracht hij de memorie van toelichting voor de wet op het bestuursstelsel op Java en Madoera schreef. Tijdens spreekbeurten en in publikaties gaf hij blijk van markante denkbeelden ten aanzien van de ontwikkeling van Indië. Nederland diende 'Indië's hulpbronnen' zoveel mogelijk door 'Indische volkskrachten' te laten ontsluiten en het land te ontwikkelen tot een zelfbesturende eenheid binnen het Nederlands gemenebest. De regering moest de bevolking in staat stellen medezeggenschap uit te oefenen op het bestuur via een Koloniale Raad en gewestelijke en plaatselijke raden. Als Nederland zich in Indië wilde handhaven, dan moest de regering snel inspelen op de belangstelling en geestdrift die onder de bevolking voor der gelijke instellingen leefden. Het grote verschil tussen de praktijk en de theorie van zelfbestuur en autonomie vormde het onderwerp van een van de vier artikelen die hij onder de verzameltitel 'De staatshulk op de helling' op 6 februari, 26 april, 4 juni en 16 juli 1920 in het dagblad De Locomotief publiceerde. Het onzorgvuldig gebruik van de termen zelfbestuur en autonomie wekte verwachtingen, die de voedingsbodem konden worden van ontevredenheid en wantrouwen: 'Het stellen van perspectief aan een tot ontwikkeling komend volk is noodzakelijk. Maar men verdoezele niet de verschillende ontwikkelingsfasen door te veel belovende woorden! waarheid voor alles.' Een uitbrander van de toenmalige gouverneur-generaal, J.P. graaf Van Limburg Stirum, was het gevolg.

In december 1919 werd Schrieke adjunct-adviseur voor decentralisatie. In juli 1920 werd hij tijdelijk toegevoegd aan de directeur van Onderwijs en Eeredienst. Met ingang van 8 maart 1922 werd hij benoemd tot waarnemend regeringsgemachtigde voor Algemeene Zaken in de Volksraad.

Conform een aan hem gegeven opdracht verdedigde hij in het kader van het gevoerde bezuinigingsbeleid de 'economische eischen' in een college dat, naar hij constateerde, 'mijlenver' afstond van de inlandse bevolking. Hij wees erop hoezeer in de Indonesische samenleving het sentiment prevaleerde en pleitte ervoor het tegen het regeringsbeleid gerezen wantrouwen weg te nemen door, waar mogelijk, concessies te doen. Zo stelde hij voor de vergaderbeperking in de residenties Soerakarta en Jogjakarta (de Vorstenlanden) op te heffen. De beperking had een ongunstig effect op de intellectuelen, die als gevolg van hun opleiding hadden leren onderscheiden tussen 'oud-inheemsch persoonlijk vorstenbestuur en den Europeeschen rechtsstaat'. Schriekes adviezen droegen bij tot het opheffen van de beperking in september 1925.

Tijdens zijn Europees verlof (juli 1928 - oktober 1929) schreef Schrieke De Indische politiek (Amsterdam, 1929), waarin hij de ethische politiek aan kritische beschouwingen onderwierp. Deze politiek werd in de Indonesische samenleving niet algemeen geaccepteerd, er lag geen weloverwogen plan aan ten grondslag, en bij de tenuitvoerlegging werd te weinig rekening gehouden met de financiële draagkracht van de bevolking. Bij het integreren van het inlands in het Europees bestuur behoorde recht gedaan te worden aan de positie van de regent en de zelfbesturende landschappen, die een stuk 'nationale kracht' vertegenwoordigden. Om de saamhorigheid tussen de bevolkingsgroepen te bevorderen pleitte hij voor het verwijderen uit de wetgeving van het rascriterium en voor het invoeren van de begrippen 'Indonesiër' en 'Indonesië'. Een economische en politieke unie tussen Nederland en Indië achtte hij voor beide partijen wenselijk. In de samenwerking tussen Oost en West zou het koninkrijk 'beter dan wie ook tusschenpersoon' kunnen zijn.

Na zijn terugkeer in Indië werd hij op 11 november 1929 benoemd tot directeur van Justitie. Een strafrechtelijke vervolging van ir. Soekarno en drie andere leiders van de Partai Nasional Indonesia (1930) achtte hij, gezien het bewijsmateriaal, onverantwoord. De brochure van prof. J.M.J. de Schepper Het vonnis in de P.N.I.-zaak (Batavia, 1930), waarin de procesgang werd bekritiseerd, gaf Schrieke aanleiding tot het voorstel het Hooggerechtshof te laten onderzoeken of geen gratie of remissie van straf kon worden verleend. Gouverneur-generaal jhr. A.C.D. de Graeff verleende deze gratie, tot ongenoegen van de minister van Koloniën, S. de Graaff.

De Raad van Indië plaatste hem in 1933 als eerste op de voordracht voor het ambt van lid, tevens vice-president van dit college. Gouverneur-generaal jhr. B.C. de Jonge roemde tegenover minister De Graaff Schriekes begaafdheid, kennis en inzicht, maar droeg, tegen zijn 'persoonlijke voorkeur' in, de toenmalige voorzitter van de Volksraad, J.W. Meyer Ranneft, voor, omdat deze hoger in aanzien stond bij 'de publieke opinie', hetgeen De Jonge in deze 'zoo moeilijke tijden' van groot belang achtte.

In juni 1934 nam Schrieke ontslag uit de Indische dienst. Bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1934 nr. 21 werd hij belast met het geven van onderwijs in het staats- en administratief recht van Nederlandsch-Indië aan de universiteit van Leiden. Op 2 april 1935 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar met dezelfde leeropdracht, als opvolger van zijn leermeester Van Vollenhoven. In zijn inaugurele rede, Een nieuw bestek (Haarlem, 1935), en in tal van voordrachten en artikelen wees hij op de noodzaak Indië minder afhankelijk te maken van de 'opperste nederlandse bemoeizucht' . Hij riep op tot stimulering van de economische ontwikkeling; slechts een goed georganiseerde, weerbare Indonesische samenleving zou Japan kunnen weerstaan.

De vraag in welke supranationale economische 'ordening' de betrekkingen tussen Nederland en Indië het best tot hun recht zouden komen, de bolsjewistische, de Anglo-Amerikaanse dan wel de Duits-Europese, beantwoordde Schrieke met een keuze voor een Duits-Europese 'ordening', mede omdat hij het nationaal-socialisme 'van hooger zedelijk gehalte' achtte 'dan de meedoogenlooze Amerikaansche big-business principes, die van de Amerikaansche ordening scheering en inslag zijn'. Na de Duitse inval werd hij wegens gebleken sympathieën voor de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) korte tijd geïnterneerd. In juni 1940 trad hij toe tot de NSB, deels uit gekrenktheid over zijn internering, maar meer nog in de hoop zelf een bijdrage te kunnen leveren aan de ontplooiing van de NSB tot een volksbeweging. Hij hield op partijbijeenkomsten enkele voordrachten en richtte in oktober 1940 met enkele anderen de Nederlandsche Stichting tot Bestudeering van het Nationaal-Socialisme op, die zich - overigens zonder resultaat te bereiken - ten doel stelde aan de Leidse universiteit twee leerstoelen te vestigen voor de economie en de filosofie van het nationaal-socialisme. In 1942 werd hij lid van het voor juristen opgerichte NSB-gilde 'Rechtsfront'.

Op instigatie van A.A. Mussert bood de Duitse Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, F. Wimmer, hem in 1941 het ambt van secretaris-generaal van het ministerie van Justitie aan. Schrieke aanvaardde deze functie op 1 juli 1941 voor de duur der bezetting. Een jaar later werd hij tevens benoemd tot waarnemend secretaris-generaal van het ministerie van Algemeene Zaken en in 1943 tot waarnemend directeur-generaal van politie.

Als secretaris-generaal van het ministerie van Justitie wilde Schrieke ertoe bijdragen dat het Nederlands bestuursapparaat zo ongestoord mogelijk zou kunnen blijven functioneren. Van hem opgelegde politieke inmenging in departementsaangelegenheden toonde hij zich afkerig. De eed op Mussert legde hij niet af. Hij duldde geen NSB-propaganda op het departement en wist te voorkomen dat Mussert een gemachtigde op het ministerie aanstelde. Fricties met het Duitse civiele bestuur poogde hij te voorkomen door ambtelijke aangelegenheden mondeling te regelen met de commissarissen-generaal Wimmer, H.A. Rauter (Sicherheitswesen) en F. Schmidt (zur besonderen Verwendung) alsmede met de Rijkscommissaris, A. Seyss-Inquart. Laatstgenoemde karakteriseerde hij in 1945 als 'een echte Oostenrijker... met volmaakte vormen', die 'zonder program in Nederland [was] gekomen en... zich dat ook niet gevormd [heeft], zoodat van een lukraak bestuur gesproken mag worden'. Door overleg wist Schrieke o.a. de aanstelling van een Duits gemachtigde te voorkomen.

In het begin van de bezetting voerde hij enkele malen besprekingen met de voorzitter van de Joodsche Raad, prof. D. Cohen, met wie hij indertijd samen gestudeerd had, en bracht hij bij de Duitsers voorstellen ter sprake waarmee beoogd werd joodse notarissen en joodse advocaten te laten praktiseren voor joodse clientèle. Hij hield zich afzijdig van het ten aanzien van de joodse Nederlanders gevoerde beleid, nadat Seyss-Inquart hem had gewaarschuwd dat hij anders 'de behandeling van de zaken van het Departement van Justitie in het algemeen' zou benadelen. Toen het hoofd van de afdeling wetgeving, J.P. Hooykaas, hem eind 1941 bezwoer voor de joodse belangen op te komen reageerde Schrieke hierop met de mededeling dat iedere poging zijnerzijds een averechts effect zou hebben: 'hier was eenvoudig niets te bereiken.' Op 10 juli 1942 smeekte de oud-gouverneur van de Molukken, J. Tideman, hem pogingen in het werk te stellen om het leed, de joden aangedaan, te verzachten: '.. .mijn gansche gemoed komt in opstand tegen de wijze, waarop weerlooze menschen ingevolge raciale opvattingen langzaam te gronde worden gericht.' Vier dagen later antwoordde Schrieke dat de inhoud van deze brief 'zich... zoozeer buiten de huidige werkelijkheid [beweegt], dat ik er niet op in kan gaan'.

Tijdens zijn verhoor verklaarde hij dat hij tegen Seyss-Inquart kritiek had geuit op het optreden van de Sicherheitsdienst bij de stakingen in april-mei 1943. Met zijn brochure Bezet Nederland en het Haagsche Landoorlogsreglement van 1907 (Amsterdam, 1944) trachtte hij de voorlichting aan de bevolking over 'de aard der bezetting',... 'de wettelijke bevoegdheid der bezettende macht' en ... de hieruit voor 'ambtenaren en burgerij' voortvloeiende plichten te verbeteren en uitte hij kritiek op de Nederlandse regering in Londen, die, 'zelf buiten schot blijvend', orders gaf 'die voor hen die ze opvolgden den dood beteekenen'. De Duitsers brachten in zijn manuscript enkele wijzigingen aan, die hij accepteerde nadat zijn broer de Amsterdamse hoogleraar B.J.O. Schrieke in oktober 1943 was gearresteerd. Bemiddelingspogingen ten behoeve van arrestanten brachten hem in ernstig conflict met de Sicherheitsdienst. Aan de toekenning van het Kriegsverdienstkreuz 1e klasse, dat hij in oktober 1944 ontving, lag, aldus zijn verklaring na de oorlog, de opzet ten grondslag met hem 'af te rekenen' als hij deze onderscheiding geweigerd zou hebben.

Na de bevrijding meldde Schrieke zich bij de Nederlandse autoriteiten. Tijdens zijn proces verklaarde hij dat zijn bijdrage aan de handhaving van 'een beperkte rechtsorde in de Nederlandsche sfeer van het bezet gebied, ondanks duitsche willekeur', het resultaat vormde van zijn ambtsvoering. Het Bijzonder Gerechtshof te 's-Gravenhage achtte bewezen dat hij in tijd van oorlog opzettelijk hulp had verleend aan de vijand en veroordeelde hem op 2 april 1946 tot de doodstraf. Op 22 juli 1946 wijzigde de Bijzondere Raad van Cassatie de doodstraf in een gevangenisstraf van twintig jaar: het college wees in dit verband op Schriekes 'goede ambtelijke diensten, vóór den oorlog bewezen, [op] datgene wat hij aan het Departement van Justitie, in de oorlogsjaren, naast het strafbare, in het algemeen technisch goed en correct en zelfs in verschillende gevallen ook in het belang van het Nederlandsche volk heeft tot stand gebracht, alsook [op] de omstandigheid, dat materieele baatzucht hem kennelijk vreemd is geweest'. Krachtens de uitspraak van het Tribunaal van het arrondissement 's-Gravenhage van 12 februari 1948 werd een groot deel van zijn bezittingen verbeurd verklaard. Tijdens zijn detentie ging Schrieke over tot de RK kerk. Bij KB van 30 september 1955 nr. 56 en de beschikking van de minister van Justitie van 15 oktober 1955 werd hij om medische redenen in vrijheid gesteld met een proeftijd tot 25 december 1961.

Schrieke was een rationeel man, die een grote kennis van zaken combineerde met een scherp analytisch vermogen. Bestuursvoering was voor hem gebaseerd op zakelijkheid en doelmatigheid. Op politiek gebied zette hij zich in voor hetgeen hij haalbaar achtte, zonder daarbij de grenzen van zijn bevoegdheden te overschrijden. Zijn optreden was hoffelijk en zeer verzorgd, soms gemaniëreerd. Door afstandelijkheid in de omgang met anderen geraakte hij, mede als gevolg van zijn met de jaren toenemende doofheid, geïsoleerd. Zijn politieke keuzen waren weloverwogen en hij aanvaardde de consequenties zonder voorbehoud.

A: Archief van het voormalig ministerie van Koloniën (gegevens over zijn ambtelijke loopbaan, brieven, adviezen), collectie-J.W. Meyer Ranneft en collectie-F.M. van Asbeck in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Archief van het directoraat-generaal der Bijzondere Rechtspleging (procesdossier) alsook brieven en nota's van de secretaris-generaal 1938-1944 in het Archief van het ministerie van Justitie te 's-Gravenhage.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties: A. Hartmann [et al.]. Repertorium op de literatuur betreffende de Nederlandsche koloniën... ('s-Gravenhage, 1866-1934. 8 dl.); De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Eerste stuk 1891-1926. Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1964); De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië. Bew. door R.C. Kwantes (Groningen, 1975-1982. 4 dl.).

L: Tribunalen in Nederland en andere na-oorlogsche rechtspraak. Red. G.C.M, van Nijnatten [et al.] (Zwolle, 1945 -1950. 5 dl.); Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1955) 7c, 614-618; L.G. Karper, 'De secretarissen-generaal van het ministerie van Justitie', in Vox Iustitiae 39 (1983) 4 (april) 17-19.

Mw. F. van Anrooij


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013