Schuiling, Roelof (1854-1936)

 
English | Nederlands

SCHUILING, Roelof (1854-1936)

Schuiling, Roelof, geograaf (Annen, gem. Anloo 27-5-1854 - Deventer 21-6-1936). Zoon van Jan Wanders Schuiling, landbouwer, en Hinderkien Houwing. Gehuwd op 17-8-1878 met Johanna Rodenburg. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

De jonge Schuiling had zijn bestemming moeten vinden in het bloeiende ouderlijke boerenbedrijf. Sinds de dag echter waarop de schrandere en wakkere leerling voor het eerst door de dorpsschoolmeester bij het lesgeven werd ingeschakeld - het eenmansschooltje had 's winters soms over de 100 leerlingen -, heeft hij de roeping gevoeld het onderwijs te dienen: een taak die hij zijn hele lange leven trouw zou vervullen.

Het waren vooruitziende schoolinspecteurs die Schuilings weg naar het onderwijzerschap hebben geopend; hijzelf heeft zijn weg naar het leraarschap gebaand. Na in drie jaar niet minder dan zes LO-akten en bovendien de zg. hoofdakte te hebben behaald, werd hij in 1879 benoemd tot leraar aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Deventer. Zijn beide lievelingsvakken waren aardrijkskunde en Nederlands, waarvoor hij resp. in 1888 en 1892 de MO-akte verwierf. Het lijdt geen twijfel dat hij ook een academische studie met elan zou hebben volbracht, waarna hij een serieuze kanshebber op een universitaire benoeming zou zijn geworden.

Het moet wel een diepe overtuiging zijn geweest die Schuiling, in weerwil van aandrang van wetenschappelijke zijden, tevreden heeft gesteld met het leraarschap aan de Deventer Kweekschool. Gaarne had hij deze functie tot zijn 70e vervuld, maar hij heeft zich genoopt gezien met ingang van 1 december 1909 eervol ontslag te vragen. Hij behoefde toen niet tevens van woonplaats te veranderen: van 1909 tot 1924 is hij aan de HBS en het gymnasium in Deventer leraar aardrijkskunde (en aanvankelijk ook geschiedenis) geweest. Hij kon overigens daarnaast, als directeur van diverse hoofdaktecursussen, en als opleider (en incidenteel examinator) voor beide al genoemde MO-akten, op de vorming van leerkrachten voor het lager zowel als het middelbaar en gymnasiaal onderwijs een onuitwisbaar stempel blijven drukken.

Schuiling moet een begenadigd docent zijn geweest, die zijn talrijke leerlingen voor het leven met liefde voor het onderwijs, en inzonderheid voor dat in de aardrijkskunde en aangrenzende vakken zoals de geologie, heeft bezield. Dit is evenwel niet de voornaamste reden waarom hij in brede kringen aanzien heeft genoten. Hij is met recht herhaaldelijk in één adem genoemd met zijn tijdgenoten A.A. Beekman en H. Blink: alle drie hebben, ieder op zijn eigen wijze, in het laatst van de vorige eeuw de schoolaardrijkskunde in én van Nederland vernieuwd, alsmede in het begin van deze eeuw de ontplooiing van de universitaire geografiebeoefening gestimuleerd.

Schuilings roem berustte primair op een groot aantal schoolboeken en andere leermiddelen (atlassen, kaarten, enz.). Zijn naam heeft o.m. (samen met die van Beekman) gestaan voor een gewaardeerde schoolatlas: de enige die bijna 30 jaar de concurrentie van de zg. Bosatlas heeft volgehouden. Zijn naam heeft ook gestaan (aanvankelijk samen met die van J.M. de Feyter) voor een nimmer geëvenaarde reeks van schoolwandplaten van Nederlandse landschappen. Aan de bijbehorende monografieën hebben eerst E. Heimans en, na diens dood, Jac.P. Thijsse medewerking verleend. De Wandplaten ten gebruike bij het onderwijs in de aardrijkskunde (Groningen, 1912-ca. 1919) vormen, met de uitvoerige toelichtingen, een sprekend getuigenis van drie beginselen die Schuiling steeds voor ogen heeft gehouden. Deze betreffen resp. de inhoud, de methode en de vormgeving van zijn onderwijs.

De auteur is er prat op gegaan als eerste bij de behandeling van de Nederlandse geografie consequent te zijn uitgegaan van 'natuurlijke landschappen' in plaats van provincies; dit principe zou in de toen toonaangevende Duitse geografie eerst enkele jaren later in praktijk worden gebracht. Hij heeft zich reeds in 1884 op het standpunt gesteld 'dat de aard van den bodem de diepstliggende oorzaak is van het verschillend voorkomen der afzonderlijke deelen van ons vaderland'. Schuilings visie zou later door vele vakgenoten als verouderd worden afgedaan. De laatste tijd is echter de belangstelling voor het landschap onder hen weer sterk toegenomen en heeft ook het inzicht weer veld gewonnen dat het menselijk bestaan sterk door fysische factoren wordt beïnvloed.

Wat de methode betreft, heeft Schuiling niet nagelaten te pleiten voor aanschouwelijk onderricht in het landschap; zijn wandplaten moesten ook tot 'veldwerk' opwekken. Zijn sinds 1906 in verschillende streken georganiseerde vakantiecursussen kunnen het eerste postacademiale onderwijs in de geografie worden genoemd. Schuiling huldigde tevens het beginsel dat de taal en de verluchting van zijn uitgaven niet alleen didactisch maar ook esthetisch verantwoord moesten zijn. Zo heeft hij zijn wandplaten alle door gerenommeerde kunstenaars, zoals F. Hart Nibbrig en L.W.R. Wenckebach, laten vervaardigen.

Wat Schuiling als zijn levenswerk heeft beschouwd, is zijn leerboek, later handboek, van de geografie van Nederland. De eerste druk daarvan is verschenen onder de titel Aardrijkskunde van Nederland (Zwolle, 1884). Telde deze reeds een kleine 400 bladzijden, de vijfde druk, onder de titel Nederland. Handboek der aardrijkskunde (Zwolle, 1915), was al bijna tweemaal zo dik. De schrijver heeft nog de voltooiing van de zesde (en laatste) 'verbeterde en vermeerderde' druk mogen beleven, die tot niet minder dan 1900 bladzijden was uitgedijd (Zwolle, 1934-1936). De auteur werd op het laatst geassisteerd door twee leerlingen, H.J. Moerman en G.J.A. Mulder, die ook nog twee supplementdelen hebben verzorgd (Zwolle, 1938 en 1941).

Het is een raadsel hoe Schuiling naast alle genoemde tijdrovende activiteiten nog gelegenheid heeft gevonden tot verschillende vaktijdschriften bij te dragen. Hij is o.m. redacteur geweest van het Tijdschrift voor Geschiedenis, dat in zijn tijd de titels Geschiedenis en aardrijkskunde. Tijdschrift voor lager en middelbaar onderwijs (1892-1893) en Tijdschrift voor geschiedenis, land- en volkenkunde (1894-1919) heeft gevoerd.

De 'stoere Drent', zoals hij vaak genoemd werd, is voor alles wat hij verricht en aangericht heeft, in zijn levensavond enkele malen gehuldigd. Bij een van die gelegenheden heeft hij getuigd in een volgend leven opnieuw schoolmeester te willen worden, en een andere maal dat als iets aan zijn leven waarlijk glans had gegeven, dit de achting van zijn leerlingen was.

A: Oud-archief van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in het Rijksarchief te Utrecht.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties: Tien vacantie-cursussen voor geografen 1906-1924 (Zutphen, [1924]); Overijssel. Samengest. onder red. van G.A.J. van Engelen van der Veen, G.J. ter Kuile en R. Schuiling (Deventer, [1931]).

L: Gedenkboek ter herinnering aan den 70sten verjaardag van R. Schuiling 27 Mei 1924 (Groningen, [1924]); W.E. Boerman, in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Tweede serie 41 (1924) 442-447; H.E. Becht, in Weekblad voor het gymnasiaal en middelbaar onderwijs 30 (1933-1934) 1151-1154; W.E. Boerman, in Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1941-1942, 130-135; H.J. Moerman, 'Roelof Schuiling', in Nieuwe Drentse volksalmanak (1955) 16-17; M.W. Heslinga, 'Anton Albert Beekman en de vaderlandse aardrijkskunde in het laatst van de negentiende eeuw', in Geografisch Tijdschrift. NR 11 (1977) 324-338.

M.W. Heslinga


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013