Six, jhr. Pieter Jacob (1895-1986)

 
English | Nederlands

SIX, jhr. Pieter Jacob (1895-1986)

Six, jhr. Pieter Jacob, verzetsstrijder (Amsterdam 5-4-1895 - 's-Graveland 27-4-1986). Zoon van jhr. Jan Six, archeoloog en kunsthistoricus, en Hieronijma Maria Antonia Fortuna Bosch Reitz. afbeelding van Six, jhr. Pieter Jacob

Six, afkomstig uit een Amsterdams patricisch geslacht, groeide op in een kunstminnende omgeving. Hij bezocht het Barlaeus-gymnasium in Amsterdam. Na de afkondiging van de mobilisatie in 1914 meldde hij zich als vrijwilliger bij het Wapen der Cavalerie. Op 8 juli 1916 werd hij benoemd tot reserve-tweede luitenant. In 1918 gedetacheerd in Zuid-Limburg, raakte hij nauw betrokken bij de internering van de Duitse kroonprins Wilhelm (1882-1951), die op 11 november 1918 de Nederlandse grens overschreden had. Met een sectie wielrijders begeleidde hij hem van de grens naar Maastricht. Na zijn demobilisatie volgden kantoorwerkzaamheden: eerst korte tijd bij een cargadoorskantoor in Amsterdam, spoedig daarna als secretaris van de Nederlands-Italiaanse Kamer van Koophandel en van de Nederlands-Amerikaanse Kamer van Koophandel. Naast dit dagelijkse werk beoefende Six de ruitersport, daarmee binnen de hippische wereld tal van vrienden verwervend. Door vriendschap met de Nederlandse vliegtuigontwerper ir. A.G. von Baumhauer trok ook de vliegsport zijn belangstelling - van 1928 tot 1930 werd hij zelfs invlieger van de eerste Nederlandse helicopter. Ook op kunstgebied was hij belangstellend actief. Veel zorg kon hij besteden aan het beheer van de beroemde kunstcollectie-Six, die was ondergebracht in zijn woning Amstel 218 in Amsterdam, en het was aan zijn initiatief te danken dat de glazenier Joep Nicolas de opdracht kreeg voor het maken van het gebrandschilderde raam gewijd aan Hugo de Groot dat werd aangebracht in de Nieuwe Kerk in Delft.

Tijdens de meidagen van 1940 bevond Six zich als reserve-ritmeester met zijn eskadron op de Noord-Veluwe, vanwaar hij de terugtocht meemaakte naar de Vesting Holland. Hij kreeg niet de gelegenheid aan feitelijke gevechtshandelingen deel te nemen. Na zijn demobilisatie verdeelde hij zijn tijd tussen het beheer van de kunstcollectie in Amsterdam en het familiegoed 'Jagtlust' in 's-Graveland bij Hilversum, waar hij zich aan de landbouw wijdde. In de zomer van 1941 werd Six benaderd door luitenant-kolonel van de Koninklijke Marechaussee P.M.R. Versteegh, chef-staf van de verzetsorganisatie de Ordedienst (OD), met het verzoek of hij daarin een functie wilde bekleden. Deze OD was in oorsprong een van de illegale organisaties van Nederlandse ex-militairen die reeds vroeg na mei 1940 waren ontstaan en zich in het bijzonder tot doel stelden zich voor te bereiden op de bevrijding van Nederland, waarbij met het vertrek van de bezetter de orde gehandhaafd en eventueel strijd geleverd zou worden tegen de terugtrekkende Duitse troepen. Door vroege arrestaties in de leiding werd de organisatie, die inmiddels vele kleinere ex-militaire illegale organisaties in zich opgenomen had, zwaar getroffen en in de zomer van 1941 was de OD nog in het stadium van voorzichtige (meest nog ongewapende) opbouw. Six ging op Versteeghs verzoek in en werd chef-staf van het Gewest Amsterdam van de OD.

Toen de Sicherheits Dienst (SD) in 1941 en 1942 vrijwel de gehele top van de OD oprolde en Versteegh en diens opvolgers uitschakelde, zag Six zich voor de noodzaak gesteld om in augustus 1942 chef-staf van de zwaar gehavende organisatie te worden. In feite werd hij hiermee de leider van de OD, omdat de commandant, luitenant-generaal b.d. W. Röell, zich in Duitse gevangenschap bevond. Hoewel de Duitse bezetter, die in de OD een gevaarlijke tegenstander zag, een felle jacht op deze organisatie maakte, slaagde Six erin de OD uit te breiden tot een efficiënt werkend geheel. Zijn schuiladres werd het huis van de weduwe van Von Bamhauer in de Van Eeghenstraat 177. Vanuit zijn geheime hoofdkwartier in de Amsterdamse Koepelkerk (25 maart 1943 - 5 mei 1945) onderhield hij contacten met de Nederlandse regering in Londen. Met H.M. van Randwijk, hoofdredacteur van het illegale Vrij Nederland, kwam hij in conflict naar aanleiding van diens berichtgeving naar Londen, die naar Six' mening de OD in een onjuist daglicht stelde. Men heeft wel beweerd dat dit conflict in feite was ontstaan door politieke tegenstellingen. Six streefde echter geen politieke doelstellingen na. Wat hem voor ogen stond was de opbouw van een illegale organisatie ten dienste van de regering in Londen en ter bestrijding van de bezetter. Het ging hem om het herstel en het behoud van de democratie zoals de wettige regering die voorstond. Door de sfeer waarbinnen illegale organisaties moesten opereren ontstonden gemakkelijk misverstanden en wrijvingen. Daarin ligt de verklaring van het conflict. Hij onderhield goede betrekkingen met het College van Vertrouwensmannen, waarvan de leden op 2 augustus 1944 door koningin Wilhelmina waren aangewezen. Van belang waren zijn bemoeienissen met de bundeling van het verzet. Bij dit alles dient men te bedenken dat Six, uit veiligheidsoverwegingen, steeds werkte met schuilnamen of tussenpersonen, zodat zijn ware identiteit slechts bij zeer weinigen bekend was.

Toen op aandringen vanuit Londen ten slotte de in bezet Nederland aanwezige gewapende verzetsgroepen binnen de ene organisatie van de zogenaamde Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werden gebracht, viel te verwachten dat juist de militair-georiënteerde gerichtheid van de OD daarin een belangrijke, soms overwegende rol ging spelen. De reserve-kolonel H. Koot werd in september 1944 commandant van de BS, en de uit de OD afkomstige ex-militairen J.J.F. Borghouts, schuilnaam Peter Zuid, en Six werden beiden ondercommandant. In deze belangrijke positie werkte Six er ten volle aan mee dat deze BS volgens militair-hiërarchische orde werd georganiseerd, binnenkomende wapens werden verdeeld en de bevelvoering nauwkeurig vastgesteld. Hij zou ook degene zijn die namens de BS samen met de consul-generaal van Finland, A.J.Th. van der Vlugt, op 12 en 13 april 1945 besprekingen voerde met de Duitse rijkscommissaris A. Seyss-Inquart, waarvan het doel was een einde te maken aan verdere executies en vernielingen.

Na de bevrijding werd Six, inmiddels bevorderd tot reserve-kolonel der Cavalerie, souschef van de staf van het Militair Gezag, in welke kwaliteit hij samenwerkte met luitenant-generaal H.J. Kruls. In deze functie was hij belast met de afwikkeling van de BS. Hij had een aandeel in de organisatie van de inhuldigingsplechtigheden van koningin Juliana in 1948. In het naoorlogse Nederland vervulde hij bovendien bestuursfuncties bij verenigingen en organisaties zoals de Vereniging Officieren Cavalerie, het Nationaal Instituut Steun Wettig Gezag, de Stichting 'Door de Eeuwen Trouw' en oud-strijdersorganisaties.

Na de oorlog bestond bij diverse groeperingen de idee dat de OD een zeer behoudende organisatie was, die haar stempel op de nieuwe tijd had proberen te drukken. Six zelf heeft echter de OD onmiddellijk na de bevrijding opgeheven, omdat er toen geen taak meer was. Wat betreft zijn politieke opvattingen stond hij rechts van het midden, maar een politieke rol heeft hij nimmer willen spelen. Als erkenning van zijn daden van moed, beleid en trouw werd hij in 1948 benoemd tot Ridder der 4e klasse der Militaire Willemsorde en ontving hij hoge Amerikaanse en Britse dapperheidsonderscheidingen. In 1987 werd zijn naam gegeven aan een kazerne in Amsterdam.

L: G.J. van Ojen jr.. De Binnenlandse Strijdkrachten ('s-Gravenhage, 1972); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1974-1982. dl. 5-10); G.J. van Ojen jr., Leven en werken van Henri Koot (1883-1959) ('s-Gravenhage, 1978); C.M. Schulten, Jhr. P.J. Six RMWO (1895-1986), Amsterdammer en verzetsstrijder (Nijmegen, 1987).

I: Nederland’s Adelsboek 63 (1970) (’s-Gravenhage 1970) afbeelding tegenover pagina 287.

C.M. Schulten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013