Smallenbroek, Jan (1909-1974)

 
English | Nederlands

SMALLENBROEK, Jan (1909-1974)

Smallenbroek, Jan, antirevolutionair politicus (Assen 21-2-1909 - Leiden 29-9-1974). Zoon van Albert Smallenbroek, architect, en Grietje Vos. Gehuwd op 18-4-1935 met Janna Harmina Buning. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (9-11-1940) gehuwd op 11-7-1945 met Anje Willemina Stoker. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Smallenbroek, Jan

Smallenbroek volgde, na het behalen van het diploma HBS-B te Assen, een opleiding registratie en notariaat. Met zijn aanstelling als surnumerair bij de Registratie en Domeinen in 1931 ving zijn ambtelijke loopbaan aan. In 1936 werd hij ontvanger bij die dienst, aanvankelijk te Oldeberkoop, later dat jaar te Elburg. Dezelfde functie oefende hij van 1941 tot 1945 in zijn geboortestad uit. Na de bevrijding werd hij bevorderd tot inspecteur van 's Rijks belastingen te Assen (met terugwerkende kracht tot 1942), terwijl hij in 1947 - als gevolg van zijn lidmaatschap van Gedeputeerde Staten van Drenthe - hoofdinspecteur op non-actief werd.

In politiek opzicht had Smallenbroek reeds op jonge leeftijd van zich doen spreken. In de jaren twintig en dertig ging hij in debat met landelijk bekende politici als G.H. Kersten, C.A. Lingbeek en H.P. Marchant. In 1929 behoorde hij, samen met onder meer J.H. Scheurer en L.W.G. Scholten, tot de initiatiefnemers bij de oprichting van de Anti-Revolutionaire Jongeren Actie (Arja), waarin jongeren uit de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) studie maakten van de beginselen van hun partij. Tijdens zijn verblijf in Elburg werd hij voor de ARP in de gemeenteraad gekozen; hij was er tevens wethouder en waarnemend burgemeester (1939).

In de oorlog weigerde Smallenbroek als een der zeer weinige ambtenaren in het gehele land de 'ariërverklaring' te tekenen, werd echter niet ontslagen, maar liep wel om die reden een benoeming tot belastinginspecteur te Zwolle mis. Vanaf dat tijdstip - april 1942 - was hij bijna voortdurend ondergedoken. In het verzet behoorde Smallenbroek, sinds de oprichting van die krant in januari 1943, tot de Trouw -groep, nadat hij aanvankelijk aan Vrij Nederland had meegewerkt. Onder de naam 'Van Andel' reisde hij door het gehele land om contacten tussen de redactie en de verspreiders van het illegale blad Trouw te onderhouden. Op 12 januari 1945 werd hij, na verraad, gearresteerd. Als 'Todeskandidat' werd hij eerst in de Weteringschans te Amsterdam, later in het 'Oranje-Hotel' te Scheveningen opgesloten. Over zijn lot bestond vlak na de bevrijding in mei 1945 enige tijd onzekerheid. Op verschillende bijeenkomsten werd hij reeds herdacht, omdat werd aangenomen dat hij door de Duitsers ter dood was gebracht.

Na de oorlog werd Smallenbroek, op grond van zijn werk in de illegaliteit, benoemd tot lid van het noodparlement voor de ARP (10 november 1945 tot 3 juni 1946). In die periode kreeg hij een functie op het departement van Financiën en trad hij in juli 1946 tot Gedeputeerde Staten van Drenthe toe, van welks college hij tot aan zijn ministerschap deel uitmaakte. Bij de uitbreiding van de Staten-Generaal in 1956 werd hij opnieuw lid van de Tweede Kamer voor de ARP. In 1963 werd hij, toen zijn vriend J.A.H.J.S. Bruins Slot niet meer terugkeerde en de nieuwe fractieleider, H. van Eijsden, al spoedig kwam te overlijden, tot voorzitter van de AR-Tweede-Kamerfractie gekozen. Hij bleef dat tot april 1965, toen hij als minister van Binnenlandse Zaken in het ministerie-Cals ging optreden. Samen met de politieke leiders van de overige in het kabinet participerende partijen, W.K.N. Schmelzer - Katholieke Volkspartij (KVP) - en A. Vondeling - Partij van de Arbeid (PVDA) - en met de formateur, de KVP'er J.M.L.Th. Cals, had Smallenbroek in relatief korte tijd de nieuwe ministersploeg bij elkaar gebracht.

Het ministerschap van Smallenbroek stond evenwel niet onder een gelukkig gesternte. Weliswaar verliepen de eerste maanden niet ongunstig - de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en de afschaffing van de aftrek in verband met gemeenteclassificatie voor ambtenaren werden in deze periode verwezenlijkt -, veel kritiek daalde op hem neer bij zijn beleid ten aanzien van het optreden van de Amsterdamse politie bij de onlusten tijdens en in de maanden na de huwelijksvoltrekking tussen prinses Beatrix en prins Claus in maart 1966 in de hoofdstad. Smallenbroek - samen met zijn ambtgenoot van Justitie, I. Samkalden (PVDA), eerst verantwoordelijk - werd verweten onvoldoende leiding te hebben gegeven en vooral aan de slechte verstandhouding tussen burgemeester G. van Hall en de hoofdcommissaris van politie, H.J. van der Molen, niet tijdig consequenties te hebben verbonden.

Ten gevolge van een betrekkelijk onschuldig incident - hij had in de nacht van 15 en 16 juli 1966 in Den Haag een geparkeerde auto aangereden en zich pas de volgende ochtend bij de gedupeerde eigenaar gemeld - besloot de in opspraak gekomen Smallenbroek af te treden als minister. Het gevraagde ontslag werd hem op 31 augustus van dat jaar verleend. In 1967 werd Smallenbroek lid van de Raad van State, hetgeen echter de teleurstelling over zijn niet-kandidaatstelling door de ARP voor de kamerverkiezingen in hetzelfde jaar niet kon doen wegnemen.

Gedurende vele jaren bekleedde hij diverse openbare functies, zoals het voorzitterschap van de Stichting 1940-1945 en het voorzitterschap van de Dr. Kuyperstichting, het wetenschappelijke bureau van de ARP. Zijn overlijden in 1974 kwam na een ernstige ziekte. Hij werd in Wassenaar begraven.

Zijn voortijdig aftreden als minister heeft verhinderd dat de minder goede indruk van zijn beleid rond de gebeurtenissen van 1966 in Amsterdam ontstaan, kon worden weggenomen. Zijn standvastige en onverschrokken houding in de oorlog werd door vrijwel iedereen uit zijn omgeving geroemd. En uit nagenoeg alle reacties bij het sterven van Smallenbroek spreekt diens trouw: trouw aan zijn christelijke overtuiging, trouw aan zijn vaderland en 'zijn' Drenthe en vooral trouw aan zijn partij, zelfs nadat deze hem had laten vallen. Bij alle liefde voor de ARP ontbrak bij hem vals sentiment: als een der weinigen van de 'oude garde' pleitte hij voor de christen-democratische samenwerking, ook al zou dat het einde van de ARP als zelfstandige evangelische volkspartij betekenen.

A: Het persoonlijk archief van Smallenbroek is nog in familiebezit.

L: Naast interviews in Nieuwsblad van het Noorden , 31-12-1965; met Bibeb, in Vrij Nederland , 5-11-1966; necrologieën van Gesina H.J. van der Molen, in Trouw, 30-9-1974; van [H. Algra], in Friesch Dagblad, 30-9-1974; in NRC Handelsblad, 30-9-1974; Evert Werkman, in Het Parool, 30-9-1974; van A. Veerman en W. Aantjes, in Nederlandse Gedachten, 5-10-1974; van W.C.D. Hoogendijk, in Anti-Revolutionaire Staatkunde 44 (1974) 281-282; I.A. Diepenhorst, 'Jan Smallenbroek (1909-1974)', in Nederlandse Gedachten. 19-5-1979:

F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); P.F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 ('s-Gravenhage, 1982); P.L. van Enk, De aftocht van de ARP. Jaren van strijd tussen macht en beginsel (Kampen, [1986]) passim.

I: P. Bak, Een 'meneer' van een krant. Trouw en Bruins Slot 1943-1968 (Kampen 1999) fotokatern.

W. Slagter


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013