Taalingen, Hermanus Rutger van (1894-1975)

 
English | Nederlands

TAALINGEN, Hermanus Rutger van (1894-1975)

Taalingen, Hermanus Rutger van, directeur van De Nederlandsche Bank NV (Meester-Cornelis (Ned.-Indië) 16-1-1894 - Leiden 20-3-1975). Zoon van Hendrik van Taalingen, koopvaardij officier en reder, en Elisabeth Juliana Carolina Bello. Gehuwd op 16-10-1922 met Louise Marie Isabelle Lucie Dois. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Van Taalingen behaalde het einddiploma HBS in Batavia in 1912. Hij liet zich daarna aanvankelijk aan de Technische Hoogeschool te Delft inschrijven voor de studierichting elektrotechniek. Het beviel hem daar niet; de rechtenstudie trok hem meer aan. Het daarvoor benodigde staatsexamen, ter aanvulling van het HBS-diploma, deed hij in 1914. Na zijn militaire dienstplicht vervuld te hebben ging Van Taalingen op 16 februari 1915 rechten in Leiden studeren, waar hij op 22 mei 1919 doctoraal examen deed.

Op 2 januari 1920 trad hij in dienst bij de Uniebank voor Nederland en Koloniën, waarvoor hij nog in juni van hetzelfde jaar naar het toenmalige Nederlands-Indië werd uitgezonden. Hij bleef bij de Uniebank werkzaam tot 1924, toen solliciteerde hij bij de Javasche Bank. Dat leverde de afspraak op dat hij bij die bank zou kunnen komen werken als hij wat meer internationale bankervaring had opgedaan. Van Taalingen trad eerst in dienst bij het effectenkantoor van de heren Fabre, Lovenbach & Cie te Parijs. Hij bleef daar negen maanden om vervolgens in dezelfde stad een klein jaar te gaan werken op de Relations Etrangères van het Comptoir National d'Escompte. Na de Parijse tijd ging hij naar Frankfort a.d. M. om op de wisselarbitrageafdeling van de firma I. Dreyfus & Co gedurende enkele maanden werkzaam te zijn. Van 22 november 1926 tot 30 april 1927 werkte hij bij Barclay's Bank (Overseas) Ltd. te Nice. Die drie jaar buitenlandse bankervaring achtte de directie van de Javasche Bank voldoende om Van Taalingen een functie bij haar instelling aan te bieden. Op 15 mei 1927 trad hij in dienst. In juni 1931 volgde zijn benoeming tot adjunct-secretaris.

Toen in mei 1940, na het uitbreken van de oorlog, door de overheid, in samenwerking met De Nederlandsche Bank, het Bureau Amsterdam van het Deviezeninstituut werd opgericht, kreeg Van Taalingen het verzoek zich te belasten met de organisatie daarvan. Hij deed dat op voortreffelijke wijze. Toch meende hij na twee jaar zijn functie ter beschikking te moeten stellen. De benoeming door de Duitsers van M.M. Rost van Tonningen tot president van De Nederlandsche Bank in 1941 en de steeds verdergaande bemoeienis van de Duitse bezetters met het Nederlandse economisch leven zullen aan die beslissing niet vreemd zijn geweest. Het feit bovendien dat mevrouw mr. L.M.I.L. van Taalingen-Dols - advocate te Haarlem - zich bij de bezettingsautoriteiten beijverde om joodse landgenoten, en dan speciaal Portugese joden, te redden van de ondergang, heeft er bij Van Taalingen toe geleid zich van elk contact met de Duitsers te onthouden, zeker toen zijn vrouw in september 1942 in Scheveningen vast werd gezet. Van Taalingen keerde terug naar de Javasche Bank, waar hij tot het eind van de oorlog bleef. Per 15 juni 1945 ging hij weer naar de deviezen. Hij werd namelijk per die datum benoemd tot onderdirecteur van De Nederlandsche Bank, speciaal belast met de afdeling deviezen vergunningen. En wederom, evenals vijf jaar daarvoor, toonde hij zijn organisatorische kwaliteiten op dit voor de toentertijd in uiterst slechte toestand verkerende Nederlandse economie, zo belangrijke terrein. Het destijds door hem uitgewerkte systeem hield in grote lijnen in dat het bedrijfsleven er belang bij kreeg goederen in sterke valuta te verkopen en in zwakke valuta te kopen. De resultaten hiervan werden spoedig merkbaar. Het door Van Taalingen opgestelde regime was in principe strak en streng opgezet, doch door het zakelijke aspect dat hij tegelijkertijd hanteerde heeft het zowel de staat als de ondernemingen veel voordeel gebracht. Op 6 november 1946 werd Van Taalingen benoemd tot directeur van De Nederlandsche Bank als opvolger van A.J. d'Ailly, die burgemeester van Amsterdam werd. Hij bekleedde die functie tot zijn pensionering op 5 november 1958. Per 5 september 1958 werd Van Taalingen commissaris van het bankiershuis H. Albert de Bary & Co NV. Hij is dat tot 28 maart 1960 gebleven.

Van Taalingen was een hard werkende, zeer zakelijk ingestelde man die op de Bank niet altijd als een makkelijke baas werd beschouwd. Toch was hij het voorbeeld van de oud-liberaal. Het is daarom eens te verwonderlijk dat juist hij erin slaagde het Nederlandse deviezenregime tot zo'n succes te maken. Zijn streven was en bleef de ook naar zijn mening onnodige bemoeienis van de overheid met het deviezenverkeer zo snel als mogelijk te beëindigen. Helemaal was hij daar bij zijn pensionering nog niet in geslaagd, maar wel had hij toen al een begin gemaakt met het langzaam afbreken van het systeem. Naast zijn werkzaamheden op de Bank was Van Taalingen een enthousiast aanhanger van Njord. Het roeien, tijdens zijn studententijd in Leiden begonnen, bleef hij nog jarenlang, eerst actief en daarna passief, trouw. Zijn band met de universiteit behield hij sinds de jaren '50 door zijn lidmaatschap van de Raad van het Leidsch Universiteits Fonds en van 1955 tot 1960 van het College van Gecommitteerden van deze instelling. Vermeld dient zeker ook te worden dat Van Taalingen een collectioneur was van moderne kunst en op bescheiden schaal jonge kunstenaars heeft geholpen.

L: I. de Bree, Gedenkboek van de Javasche Bank 1828 - 24 Januari 1928 (Weltevreden, [1928-1930]. 2 dl.).

W.D. Voorthuysen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013