Tas, Salomon (1905-1976)

 
English | Nederlands

TAS, Salomon (1905-1976)

Tas, Salomon (Sal), publicist (Amsterdam 31-8-1905 - Neuilly-sur-Seine (Frankrijk) 19-7-1976). Zoon van Mozes Tas, broodbakker, later handelsreiziger, en Branca Polak. Gehuwd op 7-9-1928 met Maria Johanna Duchateau. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (11-8-1932) gehuwd op 18-7-1945 met Judith Jacoba van Wamelen, verpleegster. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Sal Tas groeide op in een Amsterdams gezin van eenvoudige komaf, dat zich enigszins had losgemaakt van joodse tradities en overtuigd socialistisch gezind was geworden. De ouders slaagden er weliswaar in hun beide zoons de middelbare school te doen volgen maar voor studie daarna was er geen geld. Of Sal dat toen na zijn eindexamen HBS (1924) betreurde is de vraag. In zijn voor zijn levensloop informatieve, maar niet altijd betrouwbare memoires (Wat mij betreft [Baarn, 1970]) vertelt hij enthousiaster over korfbalspel dan school en zonder enige rancune over zijn daarop volgende banen in handel en bedrijf. Toch zette hij zich al spoedig tot een avondstudie Indisch recht zonder daarvoor in Leiden college te hoeven lopen.

Maar verder dan een kandidaatsexamen (13-7-1928) bracht Tas het niet; andere, vooral politieke besognes namen hem steeds meer in beslag. Zo kwam Tas van 1928 af in nauwer contact met Indonesische studenten die in Nederland waren komen studeren en hier een eigen nationalistische studentenvereniging, de Perhimpunan Indonesia, hadden georganiseerd. Vooral een vriendschap met S. Sjahrir - de oudere M. Hatta leerde Tas meer op een afstand kennen - wekte bij Tas een volledig en blijvend begrip voor dit antikoloniale nationalisme. Toen Sjahrir eind 1931 naar Indië terugkeerde, verloor Tas met hem niet alle contact. Sjahrir zou in 1934 als nationalistisch agitator door het Indisch gouvernement geïnterneerd worden, eerst in het kamp Boven Digoel op Nieuw-Guinea gedurende een jaar, later tot 1942 toe op het eiland Banda. In 1936 trouwde Sjahrir met Tas' ex-echtgenote, Mies Duchateau, en via haar hoorde Tas wel eens hoe het met Sjahrir ging. Na 1945 zou Tas als reizend journalist herhaalde keren Sjahrir ontmoeten op een amicale, zij het vluchtige, wijze.

In diezelfde 'Leidse' studietijd was Tas actief lid van de Sociaal-Democratische Studentenclub in Amsterdam geworden. Deze club stond kritisch tegenover het bestuursbeleid van de eigen SDAP. Zo geraakte ook Tas betrokken bij een interne partij-oppositie van de linkervleugel, die onder leiding stond van P.J. Schmidt en de uit communistische partijruzies naar de SDAP overgestapte Jacques de Kadt. Die oppositie vond dat de SDAP in de crisistijd strijdbaarder voor de arbeidersbelangen moest opkomen. Tas volgde Schmidt en De Kadt toen dezen in 1932 een eigen links-radicale Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) oprichtten. Als junior partijganger viel Tas bij zijn toetreden niet direct op, maar binnen de nieuwe partijorganisatie klom hij al gauw omhoog: hij reisde stad en land af voor spreekbeurten, schreef veel propagandamateriaal en werd ten slotte, naast De Kadt als eerste partijsecretaris, de tweede. Tegen alle verwachtingen in echter slaagde de OSP er niet in bij de kamerverkiezingen van 1933 ook maar één kamerzetel te bemachtigen, en spoedig ontstond binnen het OSP-bestuur onenigheid over de verder te volgen koers. Het Amsterdamse Jordaanoproer (4 - 8 juli 1934) bracht die interne twist naar buiten. Al is het niet duidelijk of De Kadt en Tas reeds vóór dit verzet tegen de overheid een zelfde voorzichtige tactiek hadden voorgestaan, tijdens de onlusten distantieerden zij zich in elk geval uitdrukkelijk van steun en aanmoediging, terwijl Schmidt en zijn aanhang van de Amsterdamse ongeregeldheden een algemene landelijke revolutie wilden maken. De overheid, die met harde hand het oproer liet neerslaan, vaardigde arrestatiebevelen uit wegens opruiing, ook tegen De Kadt en Tas. Dezen onttrokken zich aan gevangenschap door naar België uit te wijken, een ruziënd OSP-bestuur achterlatend. Voor de OSP was dit een van de aanleidingen nu beide partijsecretarissen te royeren, maar het duurde niet lang of ook de OSP zelf hield op te bestaan. De Kadt zou langer dan Tas buitenslands blijven. Tas keerde begin 1935 naar Nederland terug en zat daar zijn verstekvonnis van één maand in het Amsterdamse huis van bewaring uit.

De vlucht naar Antwerpen betekende voor Tas en De Kadt een beslissende wending in hun politieke activiteiten. Zij bleven lange tijd principieel partijloos, fel anticommunistisch, maar zich ook afzettend tegen het volgens hen verkalkte socialisme van de SDAP. Zij kozen voor een ondogmatisch en pragmatisch socialisme, waartoe allereerst een intellectuele elite en een politiek kader ideologisch gevormd moest worden om de 'massa' van de arbeiders- en de middenklasse te bezielen. Voor deze scholing richtten zij het socialistische maandblad voor politiek, cultuur en wetenschap De Nieuwe Kern op, dat van einde 1934 tot mei 1940 onder beider redactie zou verschijnen. Het tijdschrift, dat van de redacteuren vrijwel een volle dagtaak vergde (zelf schreven zij er veel in), telde nooit meer dan 200 abonnees en was bepaald geen vetpot. Tas hield het vol dank zij het feit dat zijn vriendin die later zijn tweede vrouw zou worden, als verpleegster de kost verdiende.

In De Nieuwe Kern bleef De Kadt de bekendste auteur. Maar Tas werd toch spoedig - hij was vlotter en brutaler, kwieker en vrolijker dan zijn mentor - van een pupil van De Kadt een zelfstandig en ook theoretisch belezen publicist. De Kadt en Tas stemden overigens in veel overeen: in hun soms betweterig geachte eigenwijsheid, hun raspend-bijterige toon van schrijven en hun publicistische ijver. Van Tas' hand verscheen ook het boek Intellect en macht (Haarlem, [1938]), waarin hij zijn politieke ideeën ontvouwde. Menno ter Braak bleek als recensent gecharmeerd van Tas' denkbeelden omtrent de vorming van een intellectuele elite (Verzameld Werk 2e dr. (Amsterdam, 1980) VII, 74-80). In 1938 begon Eddy du Perron met De Nieuwe Kern samen te werken, en tijdens de bezetting zou het tijdschrift nog, in het kielzog van het letterkundig tijdschrift Forum, als het ware postuum aandacht trekken in clandestiene discussies van progressieve intellectuelen.

De Duitse inval in mei 1940 had ook voor Tas uiteraard ingrijpende gevolgen. Tas moest onderduiken, van april 1942 af wegens zijn joods uiterlijk zelfs geheel verdwijnen - dank zij de hulp van zijn vriendin verbleef hij heimelijk bij haar thuis in Amsterdam. Toch onderhield hij toen nog relaties met de illegaliteit, o.a. via de hispanist Johan Brouwer, die door de Duitsers terechtgesteld zou worden, en later met de Parool-groep. Enige door hem geschreven brochures verschenen in de illegale reeks 'De nieuwe vrijheid' in 1944 en begin 1945. Ook had hij reeds onder pseudoniem F. van Warmelen De grenzen van het Machiavellisme ('s-Gravenhage, 1941) gepubliceerd.

Tas verwachtte inmiddels veel van een politiek vernieuwd Nederland na de bevrijding. Hij werd met andere 'politiek daklozen' lid van de in februari 1946 opgerichte Partij van de Arbeid (PVDA) en was van 1946 tot 1948 lid van de Amsterdamse gemeenteraad, waar hij aanvankelijk binnen zijn PVDA-fractie door fel anticommunisme uit de toon viel. De verkiezingsnederlaag van de PVDA in 1946, maar vooral de Indonesiëpolitiek vervreemdden Tas echter van zijn partij, al bleef hij nog jarenlang lid. Een vaster en zekerder bestaan dan in de politiek vond Tas intussen sedert begin 1946 als redacteur-buitenland bij het dagblad Het Parool te Amsterdam. In de krant profileerde hij zich spoedig met zijn levendige commentaren als een fel criticus van de machtspolitiek van de Sovjetunie en van het Nederlandse Indonesiëbeleid, daarmee mede richting en toon van het dagblad in de eerste jaren van zijn legaal bestaan bepalend.

In 1948, waarschijnlijk ook uit teleurstelling over de politieke toestand in Nederland, aanvaardde Tas het aanbod om voor Het Parool, met Parijs als standplaats, reizend correspondent te worden. Sindsdien publiceerde hij niet alleen vele beschouwingen over politieke ontwikkelingen in Europa bezien van Frankrijk uit, maar ook over die welke hij, soms ter plaatse, meemaakte bij de dekolonisatie van landen in Afrika en Zuidoost-Azië. Op zijn reizen slaagde hij er o.a. in vooraanstaande nationalisten te benaderen en goed te leren kennen, zoals de Tunesier Bourguiba en de Algerijnen Ben Bella en Boumendjel. Een weliswaar inmiddels verouderd, maar daarom des te interessanter overzicht van de politieke toestand van de wereld dat Tas onder de titel van De koude vrede (Amsterdam, 1954) het licht deed zien, werd misschien wel zijn beste boek.

In de jaren '60 geraakte Tas hevig verontrust over de politieke ontwikkelingen in West-Europa. Hij gruwde van het toenemend anti-Amerikanisme en van de groeiende populariteit van vulgair-marxistische ideeën. Hij zag met lede ogen aan hoe in Nederland - want al woonde hij er reeds lang niet meer, hij bleef meelevend toeschouwer - binnen 'zijn' PVDA Nieuw Links aan invloed won. Graag werd Tas lid van de partij der Democratisch Socialisten 1970 (DS '70), die zich uit afkeer van Nieuw Links van de PVDA had afgesplitst, en publiceerde hij in het DS '70-gezinde weekblad Accent. Bij Het Parool was hij juist in 1970 met pensioen gegaan, en dat gaf hem de volle vrijheid andere media te zoeken. Opzienbarender voor een groot publiek waren intussen in diezelfde tijd Tas' optredens als wekelijks politiek commentator voor de televisie bij de bepaald niet socialistisch gezinde Televisie en Radio Omroep Stichting (TROS). Openlijk en onbeschroomd liet hij zich daarbij afkeurend uit over wat hij beschouwde als de morele en politieke verloedering van Nederland. Dit televisieoptreden zou niet lang duren: de TROS-leiding poogde hem met zachte drang te matigen, en Tas trok zich in 1971 terug.

Daarna werd het stil rondom Tas. Het overlijden van deze politieke non-conformist zou slechts door een enkele vriend en krant worden opgemerkt. Niet alleen als tijdsbeeld behoudt het oeuvre echter zijn waarde. Uit alles blijkt nog steeds een felle levendigheid van geest, een door emotie en overtuiging eerlijk uitgesproken mening, en een van eruditie getuigende openheid voor cultuur - naast politiek schreef hij ook over toneel, literatuur en geschiedenis. Want naar zijn overtuiging kon politiek alleen begrepen worden in haar culturele bedding. Tas had avant la lettre het volste begrip voor 'politieke cultuur'.

P: Behalve de in de tekst genoemde boeken: talrijke bijdragen in krant en tijdschrift, alsmede vele brochures en o.a. De tweede wereldvrede ('s-Gravenhage, 1945); Een critische periode [betreft E. du Perron en M. ter Braak] (Amsterdam, [1946]); Johan Brouwer, outsider en bezieler ('s-Gravenhage, 1946); De illusie van de ondergang. Wereldtragedie en wereldbeschouwing (Amsterdam, 1946); Analyse van een charme (Amsterdam, 1948) [toneelbeschouwingen] ; De onderontwikkelde vrijheid. Indonesia toen en nu [Baarn, 1973], ook in Engelse uitgave, 1974.

L: Igor Cornelissen, 'De verwondering van Sal Tas', in Vrij Nederland, 16-1-1971; J. de Kadt, Politieke herinneringen van een randfiguur (Amsterdam, 1976); idem, 'Sal Tas. Betekenis en waarde van Sal Tas', in Tirade 20 (1976) 412-428; J. de Graaf, ' De dood van Sal Tas', in Het Parool, 22-7-1976; A.A. Spijkerboer, De Nieuwe Kern en Karl Barth (Kampen, 1979). Proefschrift Utrecht; De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië. Bronnenpublikatie. Samengest. en bew. door R.C. Kwantes (Groningen, 1981-1982) 3e en 4e stuk; Josine W.L. Meijer, 'Sal Tas en zijn werk', in Tirade 29 (1985) 578-591; M. Eekman, Herman Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen (Amsterdam, 1987).

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013