Telders, Benjamin Marius (1903-1945)

 
English | Nederlands

TELDERS, Benjamin Marius (1903-1945)

Telders, Benjamin Marius, rechtsgeleerde en politicus ('s-Gravenhage 19-3-1903 - Bergen-Belsen (Duitsland) 6-4-1945). Zoon van Wilhelm Albert Telders, advocaat en procureur, en Johanna Wilhelmina Vlielander Hein. /genealogie> afbeelding van Telders, Benjamin Marius

'Kan uw zoontje wel goed mee?', vroeg een moeder van een medeleerling op de lagere school enigszins meewarig toen zij het blijkbaar onnozele gezichtje van Ben Telders zag. Niet zonder reden bleef dit een vrolijke familieanekdote, want Telders was juist uitzonderlijk schrander en doorliep met groot gemak de lagere school en het gymnasium in Den Haag. Hij las altijd veel, ook als jongen, en toonde al vroeg belangstelling voor de wijsbegeerte - in de hoogste gymnasiumklassen volgde hij gretig de facultatieve lessen in de logica. Later zou Telders een overtuigd Hegeliaan worden, maar dan met een liberale openheid zoals die bij andere leden van het Bolland Genootschap voor Zuivere Rede - na zijn afstuderen werd Telders hiervan trouw lid - niet steeds werd aangetroffen.

De studiekeuze na het eindexamen in 1921 lag voor de hand. In de familietraditie van vaders- en moederszijde werd het: rechten in Leiden. En zoals te verwachten verliep deze studie vlot. Na het doctoraal examen in 1926 en een studieverblijf van negen maanden in Parijs promoveerde Telders op 6 mei 1927 op een volkenrechtelijk proefschrift bij W.J.M. van Eysinga als zijn Leidse promotor. De ondertitel van deze dissertatie, handelend over Staat en volkenrecht, gaf Telders' bedoelingen duidelijk weer: Proeve van rechtvaardiging van Hegel's volkenrechtsleer.

Na deze studie ging Telders als advocaat op het kantoor van zijn vader in Den Haag werken. In de praktijk werd hij o.a. een kenner van de aanwending van het octrooirecht. Hij was in 1933 een van de oprichters en daarna redacteuren van het Bijblad bij De Industriëele Eigendom (BIE). Eind 1938 verscheen het tweedelig werk Nederlandsch octrooirecht. Handboek voor de praktijk, samen met C. Croon vervaardigd, dat jarenlang het standaardwerk zou blijven en nog na de oorlog vele herdrukken beleefde.

Toch zou het 't volkenrecht worden waarin Telders op jonge leeftijd als hoogleraar in Leiden ging doceren. In 1931 werd hij tot buitengewoon hoogleraar in dat vak benoemd - hij hield daarnaast tot einde 1936 de advocatuur in Den Haag aan - en in 1937 tot gewoon hoogleraar, waarbij hem toen ook de Inleiding in de rechtswetenschap werd toevertrouwd. Op deze in het 'Land van Grotius' zo prestigieuze leerstoel viel Telders nu de tamelijk ondankbare taak toe als deskundige in vele krante- en tijdschriftartikelen het fiasco van de Volkenbond en het uiteenvallen van de internationale rechtsorde van de jaren '30 te analyseren. In zijn intreerede van 16 oktober 1931 over De juridieke waardeering van den oorlog klonk nog een gedempt optimistisch geluid door. Reeds in 1934 bepleitte hij een grondige hervorming van de Volkenbond (Verzamelde Geschriften (VG) IV, 100-107) en geloofde hij niet meer in succes voor het sanctiesysteem. In 1936 liet hij zich zeer kritisch uit over de economische sancties tegen Italië (VG IV, 110-117) en in 1938 sloot hij zich aan bij het besluit van de regering Nederland geheel te doen terugkeren tot de aloude neutraliteitspolitiek (VG IV, 138-146). Telders bleek in dit alles bovenal een practicus en realist met een open oog voor de politieke noodzakelijkheden en mogelijkheden van eigen land.

In het praktische werk van internationale onderhandelingen vielen de Leidse hoogleraar trouwens spoedig taken toe die hem met zijn snel begrip en grote juridische kennis goed lagen, al had hij wel moeite zich, gelovend in de redelijkheid van eigen verworven theoretisch inzicht, bij mislukkingen neer te leggen. Zo was hij reeds in 1931 een van de Nederlandse commissarissen in de Centrale Rijnvaart Commissie te Straatsburg geworden en was hij in 1936 en 1937 pleitbezorger voor de Nederlandse belangen in het geschil met België omtrent het gebruik van het Maaswater dat aan het Permanente Hof van Internationale Justitie in Den Haag was voorgelegd - de compromisuitspraak was voor hem een teleurstelling.

In 1933 was Telders inmiddels naar Leiden verhuisd, spoedig, als vrijgezel, wonend in een eigen groot huis aan het Rapenburg. In de kleine universitaire gemeenschap van Leiden werd hij een bekende figuur. Al uit de verte was hij gemakkelijk op straat te herkennen: 'zijn overjas, in de haast niet toegeknoopt, half achter hem aan fladderend en zijn ronde deukhoed lukraak op het hoofd geplant', zoals zijn vriend en collega R.P. Cleveringa het later zou beschrijven. Dagenlang liep hij eens met een veel te kleine hoed van zijn collega E.M. Meijers op het hoofd tot iemand hem daarop attendeerde (C.S. Telders 'Ben' in Levensbeschrijving van Prof.Mr. B.M. Telders, 31). In ruimer kring maakte hij wel eens een hooghartige indruk, zijn colleges waren vaak te vlug en daardoor moeilijk, en als examinator was hij gevreesd. Maar in kleine kring toonde hij zich een geestig causeur en vrolijk man, een gul gastheer ook. Hij gold terecht als een echte 'érudit', wijnkenner en gourmet, zeer belezen en met grote literaire belangstelling - niet voor niets eerde hij Louis Couperus, een oudoom in de familie. Voor eigen plezier speelde hij graag op zijn grote Bechstein-vleugel.

Telders had als deskundige van het volkenrecht ook veel belangstelling voor de internationale politiek in het algemeen. Sedert 1934 redacteur van De Gids publiceerde hij in dit tijdschrift actuele beschouwingen. Maar van 1938 af geraakte Telders ook onverwachts bij de landspolitiek betrokken. De Liberale Staatspartij "De Vrijheidsbond" werd na een verkiezingsnederlaag in 1937 enigszins gereorganiseerd: niet alleen was de naam van de partij tot die van Liberale Staatspartij bekort maar er werd ook gestreefd naar een aflossing van de wacht. Telders werd in oktober 1938, toen 35 jaar oud en tevoren bepaald geen actief partijlid, als opvolger van W.C. Wendelaar tot partijvoorzitter gekozen. Herhaaldelijk trad hij daarna, namens zijn partij, in het openbaar naar voren. Bijzonder scherp was zijn artikel in Het Liberale Weekblad van 2 december 1938, waarin hij na de pogrom van de Kristall-nacht in nazi-Duitsland (van 9 op 10 november) de reactie van de Nederlandse regering te lauw en te slap noemde en een royaler vluchtelingenbeleid bepleitte. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog schaarde Telders zich echter met volle overtuiging achter het regeringsbeleid Nederland strikte neutraliteit te doen betrachten.

De Duitse aanval op Nederland in mei 1940 was voor Telders toch nog een onverwachte slag, al geraakte hij niet in verwarring. Van den beginne af aan trok hij een duidelijke lijn: bereidheid tot samenwerking met en gehoorzaamheid aan de Duitse bezetter, mits deze zich hield aan alle internationale regels en normen en de Nederlandse bevolking de vrijheid liet eigen overtuigingen en tradities te behouden. In een reeks van vier artikelen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van juni 1940 (VG IV, 301-309 en 318-324), waarvoor achteraf de redactie nog door de Presseabteilung van de bezetter op de vingers werd getikt, zette hij uiteen waaraan de Nederlanders zich onder dergelijke omstandigheden te houden hadden, maar meteen ook welke grenzen aan de bevoegdheden van de Duitsers dienden te worden gesteld. Zou de bezetter die grenzen overschrijden dan hadden bijv. ambtenaren het recht medewerking te weigeren. Toen zulke schendingen inderdaad plaatsvonden was Telders de opsteller van een via de nog aanwezige Amerikaanse consul op 15 oktober 1940 aan de Nederlandse regering gezonden nota. Zeer openhartig waren de artikelen die Telders met volle ondertekening van zijn naam aan Het Liberale Weekblad bijdroeg: openlijk trouw belijdend aan het Huis van Oranje, bundeling der democratische partijen met behoud van verscheidenheid bepleitend (VG V, 209-211) en heel kritisch het plotseling populair geworden corporatieve stelsel van Portugal verwerpend (VG V, 246-254). In een rede die hij op 14 september 1940 gehouden zou hebben indien de Duitsers de openbare vergadering niet op het laatst verboden hadden, maar die in druk een wijde verbreiding kreeg (samen met H.B. Wiardi Beekman en P. Scholten Den Vaderlant Ghetrouwe (1940); Telders' rede ook in VG V, 259-270), legde hij er nogmaals de nadruk op dat Nederland 'een land van democratie, vrijheid en recht' wilde blijven.

Maar Telders weerde zich niet alleen in het geschreven woord. Hij nam actief deel aan het beraad van het Politiek Convent, waarin twaalf vertegenwoordigers van de zes grote democratische partijen zitting hadden en in juni 1940 reeds geregeld bijeenkwamen om een gezamenlijk standpunt tegenover de bezetter in te nemen. In juli werd een manifest opgesteld dat een soort gefedereerde Unie van de bestaande democratische partijen aan de bevolking zou presenteren. Maar het voornemen daarin voorwaarden op te nemen, zoals de terugkeer van Oranje en het behoud van de geestelijke vrijheid, stuitte al meteen bij de bezetter op scherpe afwijzing. Toen zich, langs het Convent heen, toch De Nederlandsche Unie als nieuwe partij aandiende (einde juli 1940), terwijl daarbij van dergelijke prealabele voorwaarden geen sprake was, was Telders een der Nederlandse politici die uitdrukkelijk van dit initiatief afstand namen. Hij ried zijn liberale aanhangers vooralsnog afwachtend toe te zien (VG V, 229-233 en 234-241). Zijn partijbestuur sloot zich hierbij aan.

De eerste Duitse maatregelen tegen de joden zouden in Telders een moedig en fel tegenstander ontmoeten. De zg. Ariërverklaring, die de Nederlandse ambtenaren in oktober 1940 ter ondertekening werd voorgelegd - waarmee degenen die zulk een verklaring niet konden tekenen als 'jood' te boek kwamen te staan - dreef Telders tot protest en verzet. Zo zond hij een brief aan de Hoge Raad met het dringend verzoek met weigering van ondertekening het goede voorbeeld te geven (VG IV, 363-364), wist hij zijn Leidse collegae tot een protestschrijven te brengen aan Curatoren met het verzoek dit aan de wnd. secretaris-generaal voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen door te zenden (VG IV, 373-375) en stelde hij een tekst van protest op voor het Politiek Convent gericht aan jhr. A.M. Snouck Hurgronje, voorzitter van het College van secretarissen-generaal (VG IV, 365-369). Maar concreet en direct resultaat leverde dit alles niet op: de Hoge Raad bleef zwijgen, het departement voerde uit wat bevolen werd en Telders' poging om althans in Leiden een minimaal aantal van 25 hoogleraren tot weigeren van ondertekening te krijgen faalde. Zelf tekende hij ten slotte met bloedend hart en met toevoeging van een protestschrijven.

De gevreesde gevolgen lieten niet lang op zich wachten. Toen hem het bericht bereikte dat joodse ambtenaren ontslagen zouden worden droeg hij zorg voor een georganiseerd protest in Leiden. Cleveringa protesteerde als decaan van de juridische faculteit openlijk in een rede in het bijzonder tegen het ontslag van collega Meijers. Telders had tevoren de Leidse studenten gewaarschuwd en steunde het plan om na die rede tot een staking over te gaan (26 november 1940). Cleveringa en Telders hadden beiden de consequenties bewust onder ogen gezien. Die lieten niet lang op zich wachten: de universiteit werd gesloten en Cleveringa gearresteerd. Voor Telders volgde alles iets later, al voorzag iedereen dat hij niet lang nog in vrijheid zou blijven - aan 'onderduiken' dacht hij of Cleveringa nog niet. Na een verhoor op 11 december moest hij zich op 18 december opnieuw melden en geraakte hij in gevangenschap.

Daarmee was voor Telders een lange lijdensweg begonnen. Een verblijf in de gevangenis van Scheveningen van 18 december 1940 tot 28 juni 1941 was nog dragelijk. Maar het lot in het concentratiekamp van Buchenwald was veel moeilijker te ondergaan: hij verrichtte er aanvankelijk zware lichamelijke arbeid, leed ernstige honger en sloeg zich er later alleen doorheen toen hem lichtere corvées als kousenstopper en tolk-vertaler toevielen. Het kamp bij Vught, waarheen hij in januari 1944 werd gebracht, was vergelijkenderwijs een paradijs: hij ontmoette er vrienden en collegae en slaagde erin via buitenwerk bij Philips tijdelijk een studieopdracht te krijgen. Zo kon hij zich opnieuw aan zijn oude liefde voor het octrooirecht wijden - een tweede druk van zijn handboek maakte hij gereed en zelfs stuurde hij nog een polemisch artikel in voor het BIE 12 (1944) 75-79, dat hij met gevoel voor zwarte humor onder het pseudoniem van Mr.Ir. P. Veldkamp publiceerde. Bij de ineenstorting van het Duitse front in het westen behoorde Telders tot de ongelukkigen die naar Duitsland werden getransporteerd. In het kamp Sachsenhausen kwam hij op 9 september 1944 terecht. Hier kreeg hij, geholpen door anderen, werk bij de kampregistratie, waar hij er o.a. toe kon bijdragen dat bepaalde medegevangenen administratief 'zoek' raakten en daardoor niet werden geëxecuteerd. Gedurende heel die lange tijd had Telders zijn levensmoed en veerkracht behouden. Maar toen hij was overgebracht naar het overvolle en hongerende kamp van Bergen-Belsen (februari 1945) volgden ook voor Telders verschrikkelijke maanden. Vlektyphus velde hem negen dagen voordat dit kamp eindelijk werd bevrijd.

A: Juridische adversaria, collegeaantekeningen etc. in de Leidse Universiteitsbibliotheek, waar zich ook enige brieven in het archief van De Gids bevinden.

P: Verzamelde geschriften ('s-Gravenhage, 1947-1949. 6 dl.).

L: R.P. Cleveringa, in De Gids 108 (1945) II, 49-67; W.J.M. van Eysinga, in Grotius annuaire international 1940-1946, 22-28; N. Rost, Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid (Amsterdam, [1948]) 14-21; R.P. Cleveringa en W. Nijhoff, in De Gids 113 (1950) I, 321-331; Volkenrechtelijke opstellen. Ter ere van de hoogleraren B.M. Telders... (Zwolle, 1957) 131-132 en 275-276: H.J.L. Vonhoff, De zindelijke burgerheren. Een halve eeuw liberalisme (Baarn, 1965); Levensbeschrijving van prof.mr. B.M. Telders. Door C.S. Telders, A.W. Abspoel, L. Erades [et al.] ('s-Gravenhage, 1972); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1972) IV, passim; P.J. Idenburg, De Leidse universiteit 1928-1946. Vernieuwing en verzet (Leiden, 1978); Gedenkschriften van Prof.Mr. R.P. Cleveringa betreffende zijn gevangenschap in 1940-1941 en 1944. Uitg. door L.E. van Holk en I. Schöffer (Leiden, 1984); N.H.M. Roos, 'Benjamin Marius Telders (1903-1945)', in Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop, m.m.v. C.H.N. Kwanten (Zwolle, 1987) 386-390.

I: Website Rijksuniversiteit Leiden: http://www.teldersdispuut.leidenuniv.nl/index.php3?c=13 [26-6-2007].

I. Schöffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013