Tendeloo, Henricus Jacobus Charles (1896-1984)

 
English | Nederlands

TENDELOO, Henricus Jacobus Charles (1896-1984)

Tendeloo, Henricus Jacobus Charles, scheikundige (Tebing Tinggi, Sumatra (Ned.-Indië) 20-7-1896 - Oosterbeek, gem. Renkum 6-7-1984). Zoon van Henricus Johannes Emile Tendeloo, resident Oostkust van Sumatra, en Jeanne Cornelie Stamm"ler. Gehuwd op 12-10-1926 met Marie Antoinette Grondhout. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na echtscheiding (27-4-1933) gehuwd op 22-5-1934 met Annie Joséphine de Groof. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Tendeloo ging, na het gymnasium te Leiden te hebben doorlopen, in 1916 wis- en natuurkunde studeren aan de Universiteit van Utrecht. Bij zijn kandidaatsexamen (1918) zag hij zich gedwongen door militaire dienst de studie en vervolgens een leraarsfunctie in wis- en schei- en plant- en dierkunde aan het Willem Lodewijk Gymnasium te Groningen te onderbreken. In 1920 werd de studie hervat, toen Tendeloo een assistentschap bij P. van Romburgh in de organische scheikunde kon vervullen. Het doctoraal examen scheikunde in 1922 kon gevolgd worden door een tweede assistentschap (1923-1925), nu in de fysische chemie bij H.R. Kruyt. Op 18 januari 1926 promoveerde Tendeloo in Utrecht cum laude op het proefschrift: Lading en hydratatie. Promotor was Kruyt, tot wiens colloïdchemische school Tendeloo was gaan behoren. In zijn proefschrift onderzocht hij lading en hydratatie van verschillende solen (arabische gom, zetmeel en agar) onder invloed van verschillende toegevoegde elektrolyten.

Na zijn promotie vond Tendeloo werk als scheikundige in het bedrijfsleven van 1925 tot 1928 bij de Lijm- en Gelatinefabriek te Delft en van 1928 tot 1931 bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij te Amsterdam. Maar daarna keerde hij weer tot het laboratoriumwerk bij het hoger onderwijs terug, toen de benoeming voor hem afkwam tot lector in de fysische en colloïdchemie aan de Landbouwhoogeschool te Wageningen. Op 2 februari van dat jaar hield Tendeloo zijn openbare les: Localisaties op grensvlakken. Bij dit Wageningse lectoraat kreeg Tendeloo vakken te doceren die tot dan toe aan de Landbouwhoogeschool nog niet onderwezen waren. Voor beginnende studenten gaf hij colleges analytische, anorganische en fysische chemie; voor gevorderde studenten colloïdchemie en onderwerpen uit de fysische scheikunde.

In zijn onderzoekingen paste Tendeloo de colloïdchemie toe op landbouwkundige vraagstukken, met speciale aandacht voor de ionenwisseling in de bodem en de ermee verband houdende elektrische bepalingsmethoden. Grond en melk werden bestudeerd, met vooral aandacht voor het mechanisme van de coagulatie (1931-1932). Vervolgens onderzocht hij het ontstaan van neerslagbanden van de bodem die op bepaalde diepten onder het oppervlak voorkomen en geïnterpreteerd werden als uitvlokkingsverschijnselen (1933-1934). Met A. Pasveer werd de inwerking van het labenzym op een calciumcaseïnesol viscosimetrisch bestudeerd. De stremming bleek een colloïdchemische coagulatie te zijn. Tendeloo zag spoedig in dat de meeste in de landbouw voorkomende systemen te gecompliceerd waren om theoretisch begrepen te kunnen worden. Daarom probeerde hij fundamentele studies van goed bekende systemen te gebruiken voor de verklaring van moeilijke landbouwkundige problemen. Dit leidde tot de bestudering van de uitwisselingscapaciteit van kleimineralen (met A.L.S. Bär, 1934-1936) en de titratie van humus en humushoudende grond (met C.A. Nierstrasz, 1935, en J.Th. Uges, 1936).

Vanaf 1934 besteedde Tendeloo met zijn leerlingen veel aandacht aan het onderzoek van adsorptie-elektroden, die in de landbouwscheikunde van groot belang zijn voor het bepalen van andere ionen dan waterstof, in het bijzonder het calciumion. Elektrodenmaterialen van velerlei soort werden in de onderzoekingen betrokken, waaronder met A.J. Zwart Voorspuij de glaselektrode (1942-1943). De potentiometrische onderzoekingen aan glas voerden tot een lange reeks van studies over de bestudering van het elektrodegedrag van plantenwortels. Het doel was het gedrag na te gaan van plantenwortels tegenover de ionen in de omgevende voedingsoplossing. Een van Tendeloos laatste onderzoekingen leidde tot een glassamenstelling die, als glaselektrode gebruikt, specifiek bleek te reageren op éénwaardige kationen (met A. Emans, mej. I. Kateman en mej. F.H. van der Voort, 1962). Behalve de publikaties die van deze en dergelijke onderzoekingen verslag deden, schreef Tendeloo ook enige leerboeken zoals Kolloidchemie (1944) en Grondslagen der psysische chemie (1955).

Tendeloos positie in Wageningen kreeg door al deze onderzoekingen en zijn onderwijs ook de verdiende erkenning. De aanvaarding van de buitengewone leerstoel in de fysische en colloïdchemie volgde met zijn intreerede op 31 mei 1937 over Deel en geheel. Zoals voor zovelen hadden de oorlogsjaren voor Tendeloo inmiddels, althans enigszins, een onderbreking van het dagelijkse werk en zijn loopbaan betekend. Na de arrestatie (juli 1941) en het ontslag (januari 1942) van zijn collega S.C.J. Olivier had Tendeloo diens colleges scheikunde waargenomen, en zelf was hij van juli 1942 tot april 1943 als gijzelaar in Haren en St. Michielsgestel geïnterneerd geweest.

In 1945, toen Tendeloo ook directeur van het proefstation van de aardappelverwerking van de Nederlandse Centrale Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) in Groningen werd, volgde voor hem een gewoon hoogleraarschap. Tijdens zijn Wageningse rectoraat in het studiejaar 1950/1951 hielp Tendeloo eraan mee de basis te leggen voor de nieuwe behuizing van de technologische en scheikundige afdelingen van de Landbouwhogeschool op het toen juist verworven terrein op De Dreijen.

Tendeloo hield zich niet alleen bezig met wetenschappelijk werk. Buiten de hogeschool was Tendeloo ook organisatorisch en maatschappelijk een actief man: gemeenteraadslid voor de Vrijzinnig-Democratische Bond van 1939 tot 1941 en na 1945 voor de Partij van de Arbeid, en van 1939 af achtereenvolgens bestuurslid en voorzitter (1946; 1950-1952) van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV). Zijn verdiensten vonden erkenning in een koninklijke onderscheiding en erelidmaatschap van de KNCV (1961).

Tendeloo was een man met een rustige en inlevende oordeelsvorming. Bij zijn afscheid als Wagenings hoogleraar op 5 oktober 1962, zouden twee van zijn leerlingen, F.W. Broekman en G.J. Vervelde, opmerken dat voor Tendeloo wetenschap geen einddoel betekende, maar bovenal een werkwijze inhield om op ordelijke en logische wijze in het onderzoek en bij het experiment nieuwe mogelijkheden te scheppen of oude te verbeteren. In het wetenschappelijke werk en onderwijs lette hij in eerste plaats op de mens en streefde hij ernaar morele en maatschappelijke normen ook daarbij hoog te houden.

A: Archiefstukken in het archief van de Landbouwhogeschool te Wageningen.

P: Bibliografie in Chemisch Weekblad 58 (1962) 491-492.

L: F.W. Broekman en G.J. Vervelde, 'Bij het afscheid van Professor Dr. H.J.C. Tendeloo', in Chemisch Weekblad 58 (1962) 489-490; idem, in Wagenings Hogeschoolblad, 14-8-1984.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013