Thiel, Johannes Hendrik (1896-1974)

 
English | Nederlands

THIEL, Johannes Hendrik (1896-1974)

Thiel, Johannes Hendrik, classicus en historicus (Amsterdam 27-1-1896 - Utrecht 19-5-1974). Zoon van Jan Hendrik Thiel, advocaat, en Thiska Wehrbein. Gehuwd op 13-4-1922 met Daniëlla Jacoba van der Harst. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Thiels levensloop lijkt uiterlijk weinig spectaculair. Na een gymnasiale opleiding te Haarlem, waar de jonge rector C. Spoelder wel de richting naar de oude talen heeft gewezen, volgde in 1914 een studie aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd - de Eerste Wereldoorlog - werd de historische belangstelling gewekt, die, samen met een van huis meegekregen juridische interesse, het wetenschappelijk leven van Thiel heeft bepaald. In 1920 werd het doctoraal examen afgelegd; er volgde een jaar studie in Berlijn en in 1921 de benoeming tot leraar in de oude talen aan het Haarlems gymnasium. Deze school diende hij tot zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis te Utrecht, welke functie hij op 21 januari 1946 aanvaardde met de opmerkelijke rede De oude geschiedenis en de archaeologie, waarin hij de eigen plaats van de historische aanpak verdedigde tegen de steeds professioneler wordende archeologie met haar grijpbare resultaten. Intussen was Thiel al in 1927 toegelaten als privaatdocent te Leiden in de Oude Geschiedenis en was hij vanwege het Leidsch Universiteits Fonds (LUF) in 1930 benoemd tot bijzonder hoogleraar in dat vak. Zonder enige twijfel was het zijn wens in Leiden het ordinariaat te verkrijgen, doch eerst crisisbezuinigingen en vervolgens de Tweede Wereldoorlog, waarin hij in 1942 met velen van zijn collega's ontslag nam, hebben dat verhinderd. Thiel heeft zich levenslang zeer met de Leidse universiteit verbonden gevoeld. Ten dele was dat omdat het LUF hem de gelegenheid geboden had zijn wetenschappelijke inzichten aan studenten te kunnen toetsen, ten dele ook wegens de zeer sterke band die het Leidse universitaire verzet tijdens de oorlog had gesmeed. Maar de zeer dringende wens van minister G. van der Leeuw van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen heeft hem de Utrechtse leerstoel van H. Bolkestein (overleden in 1942) bezorgd en niet de Leidse, die omstreeks dezelfde tijd vrijkwam. De Utrechtse leerstoel heeft hij bekleed tot zijn emeritaat in 1964.

Na zijn vertrek als hoogleraar, bij welke gelegenheid hij een helaas niet voor publikatie bestemde, zeer persoonlijke rede uitsprak en voor zijn leerlingen zelf zijn bibliografie liet verschijnen, zagen van zijn hand nog zeven artikelen en tien recensies het licht. In 1968 nam hij het besluit niet meer te publiceren; hij deed dat op een ogenblik dat zulks geenszins nodig was: hij accepteerde geen vermindering van de eigen kwaliteit, maar wist tegelijkertijd dat zijn manier van geschiedschrijven een zo persoonlijke inzet vergde als hij meende niet meer te kunnen opbrengen.

Herhaalde malen heeft Thiel, onder meer in zijn lange toespraak tot de studenten aan het slot van zijn Utrechtse oratie, met klem verklaard dat de plaats van de historicus, van de geleerde in het algemeen, de studeerkamer was. Van Unnik (zie onder L) zegt: 'Zijn studeerkamer was hem de centrale werkplaats.' Dit beeld is juist, maar dient aangevuld: Thiel was tevens zeer betrokken bij de gebeurtenissen van de eigen tijd; vooral de opkomst van de totalitaire staten en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hebben hem zeer aangegrepen, en ook daarna hebben maatschappelijke en politieke gebeurtenissen hem nooit losgelaten. Een kamergeleerde van het ivoren-torentype is Thiel zeker niet geweest, wel een man die van mening was dat echt wetenschappelijk werk de persoonlijke en daarom eenzame inzet vereiste van een mens die na zorgvuldige analyse van het materiaal tot eigen, persoonlijke conclusies moest komen; in teamwork geloofde hij daarom ook niet. Een typisch voorbeeld van zijn houding tegenover de geschiedenis is te vinden in zijn biografie van Caesar (1962). Hij bericht dat het niet eenvoudig is over Caesar te schrijven: 'Zo ik iets verfoei, dan de dictatoren van welke signatuur ook.' En in een noot in hetzelfde boek, blz. 86, zegt hij: 'Het is zeer wel denkbaar, dat, als ik in Caesar's tijd had geleefd, ik één van zijn moordenaars zou zijn geworden, ondanks alles wat ik hiervóór geschreven heb om hem te geven wat hem toekomt.' Duidelijker dan zo had Thiel zijn wetenschappelijke opstelling niet kunnen weergeven. Persoonlijke betrokkenheid én afstandelijkheid achter het bureau kenmerken Thiels grote wetenschappelijke produktie.

De wetenschapsman achter het bureau, dat is één kant van Thiel, de docent is de andere. Thiel had - elke week weer - een zeer grote drempelvrees een collegezaal binnen te gaan; hij was zeer verlegen. Daar staat tegenover dat iedereen, zijn leerlingen van gymnasium en universiteit, vol lof, zelfs lyrisch zijn over zijn doceren. De tegenstelling is slechts schijnbaar en vloeit voort uit het feit dat doceren in zijn ogen betekende 'iets van jezelf geven', iets 'met mijn persoon betalen' (Lijst der geschriften..., 1964), wat juist voor een verlegen mens heel moeilijk moet zijn, zeker in het openbaar. Eenmaal over de drempel gaf hij uitstekend les of college en gaf hij zich ook volledig. Tegenover zichzelf en zijn leerlingen was hij veeleisend; bij onvoldoende inzet van de laatsten kon hij driftig uitvaren, maar haatdragend was hij niet en veruit de meesten kenden hem als een rustig man die hun toegewijd was. Zijn mening gaf hij in allerlei situaties, in vergaderingen, in recensies, onomwonden en dan had hij groot gezag.

Het wetenschappelijk werk van Thiel is in drie perioden te verdelen, een eerste van vooral rechtshistorisch werk op Grieks materiaal, een tweede waarin hij belangrijk biografisch werk verrichtte. Vooral Romeinse keizers werden toen onderwerp. Het probleem dat hem hierbij het meest trok was het feit dat de bronnen deze keizers of wel verguisden of wel te zeer bewonderden; hij probeerde, vaak met succes en met veel psychologisch inzicht, de ware figuren onder de bron vandaan te halen en hun een menselijk gezicht te geven. In de derde periode publiceerde hij standaardwerken op het terrein van de Romeinse zeegeschiedenis. Helaas is zijn handboek hierover met twee delen onvoltooid gebleven: Studies on the history of Roman sea-power in repubican times (1946) en A history of Roman sea-power before the second Punie war (1954). Intrigerend voor hem was de grote betekenis van de vloot bij de expansie van het rijk, dat in de eigen bronnen toch vooral als een landmacht werd beschouwd. Opvallend in deze werken is de gedegen aandacht voor technische details van de maritieme ontwikkeling.

Zijn gezag in wetenschappelijke kringen was groot. Wel lokte hij nu en dan kritiek uit door het maken van prikkelende opmerkingen, die echter juist altijd de bedoeling hadden te stimuleren tot verder onderzoek. De kwaliteit van zijn werk leidde ertoe dat hij in 1938 benoemd werd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

P: Lijst der geschriften van prof.dr. J.H. Thiel [Samengest. door J.H. Thiel] (Amsterdam, 1964).

L: W.C. van Unnik, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1976, 224-238; herdr. in Woorden gaan leven. Opstellen van en over Willem Cornelis van Unnik (1910-1978) [Onder red. van A.J. Bronkhorst et al.] (Kampen, 1979) 222-237.

F.W.N. Hugenholtz


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013