Tindal, jhr. Hendrik Pieter (1852-1902)

 
English | Nederlands

TINDAL, jhr. Hendrik Pieter (1852-1902)

Tindal, jhr. Hendrik Pieter (Henry), publicist en ondernemer ('s-Gravenhage 27-6-1852 - St. Petersburg (Rusland) 31-1-1902). Zoon van jhr. Willem Frederik Tindal, beroepsmilitair, en Maria van der Vliet. Gehuwd op 19-5-1885 met Jacoba Johanna van Hoey Smith. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren.

In navolging van zijn vader, grootvader en andere familieleden koos Tindal het beroep van militair. Hij was naar een kostschool gezonden nadat zijn moeder in 1864 was gestorven en zijn vader - majoor bij de dragonders en kamerheer i.b.d. - enkele maanden later onder mysterieuze omstandigheden oneervol was ontslagen en naar het buitenland vertrokken. In 1869 werd Henry ingeschreven op de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Tindal vertrok in 1873 als tweede luitenant naar Atjeh en in 1875 werd hij benoemd tot ridder vierde klasse der MWO. Drie jaar later keerde hij naar Nederland terug. In 1883 verliet Tindal als kapitein de militaire dienst; hij trouwde twee jaar daarna met de weduwe van de commissionair en financier Willem Borski jr., Jacqueline van Hoey Smith.

Tindal heeft bekendheid gekregen door zijn scherpe kritiek op allerlei aangelegenheden, zijn bemoeiingen met de pers en zijn industriële projecten. Hij wendde zich negen keer met een rekest tot het parlement, schreef in een zeer directe en openhartige stijl talrijke open brieven, artikelen en brochures, en hield diverse redevoeringen. Hij heeft zich vooral beziggehouden met militair-strategische onderwerpen, alsmede met staatsrechtelijke zaken, zoals de invloed van de hofhouding op het beleid van de regering en de formatie van het kabinet-Van Tienhoven, voorts met het werkloosheidsvraagstuk en het herstel van het gezantschap bij het Vaticaan.

In een geschrift. Nederland in gevaar. Geen sensatie-roman, maar werkelijkheid, dat in 1888 verscheen, wees Tindal op het dreigende gevaar van een onverhoedse aanval door Duitsland, waartegen de Hollandse waterlinie weinig zou kunnen uitrichten. Bovendien bestond de kans dat Den Haag vanuit zee zou worden beschoten. Hij betwijfelde of de residentie als open stad kon worden beschouwd en achtte het zeer wel mogelijk dat de aanvaller zich er niets van zou aantrekken als dat toch het geval was. Over de volkenrechtelijke aspecten van deze kwestie ontstond een heftige discussie; diverse bekende rechtsgeleerden schaarden zich aan Tindals kant. Nog groter opzien baarde op 25 september 1890 in het dagblad De Amsterdammer zijn open brief 'Aan het Nederlandsche volk', waarin hij stelde dat Willem III niet meer bij machte was de staatszaken te behartigen en het kabinet naliet de bij de grondwet voorgeschreven maatregelen te nemen. Tindal vestigde opnieuw de aandacht op zich toen hij in 1891 en 1892 de bemoeienissen van de hofhouding met de benoeming van de commandant van het regiment grenadiers en jagers aan de kaak stelde en aantoonde dat regentes Emma de neiging had meer naar de officieren van haar Militaire Huis te luisteren dan naar de ministers van haar regering.

Tindal had een tomeloze energie en was recht door zee, ijdel en zelfingenomen. Het laatste bleek ook uit zijn publikaties, die nogal gelijkhebberig van toon waren. Aanvankelijk vond hij een ruim gehoor, maar langzamerhand liet men hem praten, ook de pers. Om toch toegang tot de media te hebben participeerde hij in enkele periodieken en stichtte hij kranten. Zo verwierf hij in de tweede helft van de jaren tachtig een meerderheidsbelang bij het dagblad De Amsterdammer. Als complement op De Amsterdammer, een avondblad, lanceerde hij in 1893 het ochtendblad De Telegraaf. Deze krant was ook bedoeld om het Algemeen Handelsblad, dat hem altijd óf genegeerd óf gekritiseerd had, te bestrijden. Uit het zetsel van De Amsterdammer en De Telegraaf werd De Courant samengesteld; dit blad was voor 'het volk'. Deze kranten, alsmede andere bladen die Tindal had overgenomen (onder meer Algemeen Belang en Geïllustreerd Politie-nieuws), werden vervaardigd in een eigen drukkerij in Amsterdam. In diezelfde tijd was hij medeëigenaar van zuivelfabrieken in Kampen en Vreeland geworden. Tindal is ook intensief betrokken geweest bij de pogingen water door middel van ozon te zuiveren, een procédé dat grote technische problemen opleverde. Nabij Alphen aan den Rijn werd een proefbedrijf gesticht, en toen het erop leek dat men succes had kwamen er ook proefbedrijven bij Blankenberg en Parijs.

Al deze activiteiten verslonden kapitalen, en in de tweede helft van de jaren negentig geraakte Tindal in financiële moeilijkheden. Om de proefnemingen in de ozonisatiebedrijven te kunnen voortzetten deed hij een toenemend beroep op het vermogen van zijn vrouw en onttrok hij geld aan de andere ondernemingen, wat merkbaar was aan zijn kranten, die duidelijk verschraalden. Omdat hij van zijn medewerkers geen kritiek duldde was hij op het laatst alleen door jaknikkers omringd, hetgeen de bedrijfsvoering van zijn ondernemingen evenmin ten goede kwam. In 1898 werd hij in Parijs wegens wisselruiterij bij verstek veroordeeld en in 1901 in Nederland failliet verklaard. Zijn schulden beliepen toen ruim 1 miljoen gulden. Dit weerhield hem er niet van met het ozonproject door te gaan. Tijdens een bezoek in januari 1902 aan St. Petersburg, waar hij een waterzuiveringsinstallatie hoopte te verkopen, werd hij ziek. Hij stierf in de toenmalige Russische hoofdstad.

P: Een lijst van publikaties is opgenomen in het onder L vermelde boek van Scheffer.

L: G.J.W. Koolemans Beijnen, 'Jhr. Hendrik Pieter Tindal', in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden, 1921) V, kol. 931-933; M.W.F. Treub, Herinneringen en overpeinzingen (Haarlem, 1931) 112-116; H.J. Scheffer, Henry Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes (Bussum, 1976).

H.J. Scheffer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013