Urlus, Jakob (1867-1935)

 
English | Nederlands

URLUS, Jakob (1867-1935)

Urlus, Jakob (Jacques), opera- en concertzanger (Hergenrath (Duitsland) 9-1-1867 - Noordwijk 6-6-1935). Zoon van Franz Joseph Urlus, ijzergieter, en Anna Maria Smarius. Gehuwd op 7-6-1893 met Hendrica Johanna Jacobs. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren.

afbeelding van Urlus, Jakob

Jacques Urlus werd in het Duitse plaatsje Hergenrath (bij Aken) geboren uit Nederlandse ouders. Toen hij een jaar oud was verhuisde het gezin Urlus naar Tilburg, waar hij de Fraterschool bezocht, voor zover hij daartoe in de gelegenheid was, omdat zijn hulp thuis in het kinderrijke gezin dikwijls vereist was. Evenals zijn vader, die vaak opera-uitvoeringen bezocht, hield Jacques van zingen: hij zong dikwijls op school en als koorknaap in de kerk. Toen hij zestien jaar oud was verhuisde de familie andermaal, nu naar Utrecht, waar hij, evenals zijn vader, metaalarbeider was. In deze stad werd Jacques lid van enige koorverenigingen en het koor van de Augustijnerkerk. Dat hij nooit contributie betaalde werd door de vingers gezien, omdat men graag profiteerde van zijn robuuste tenorstem. Op 23-jarige leeftijd vroeg hij voor het eerst geld voor een solistisch optreden: van de Vereeniging voor Kerkzang ontving hij 15,- voor de vertolking van Lobgesang. Gaandeweg kreeg hij echter als zanger plaatselijke bekendheid en durfde hij hogere honoraria te bedingen.

Via kennissen kwam Urlus in contact met J.G. de Groot, directeur van de Hollandsche Opera in Amsterdam, die hem adviseerde zanglessen te nemen. Na een kortstondige zangstudie bij Hugo Nolthenius kreeg hij een engagement bij de nieuw opgerichte Nederlandsche Opera van Cornelis van der Linden. Urlus verhuisde toen naar Amsterdam, waar hij op 24 september 1894 in de Stadsschouwburg debuteerde als 'Beppo' in Paljas van R. Leoncavallo. Succes verwierf hij al met zijn volgende rol van 'Joseph' in de gelijknamige opera van E.N. Méhul. Hij zette zijn zangstudie voort bij Anton Averkamp, en later ontving hij nog enige tijd dramatische scholing van Cornelie van Zanten. Verder muzikaal onderricht heeft Urlus niet gehad; zijn stem bleek van nature geschikt voor operazang. Ofschoon hij al spoedig aanlokkelijke contracten uit België en Duitsland aangeboden kreeg, bleef hij de Nederlandsche Opera nog enige jaren trouw. In 1896 kreeg hij daar, tijdens ziekte van heldentenor Désiré Pauwels, plotseling de kans te schitteren in de titelrol van Tannhäuser. Na Pauwels' vertrek, kort daarna, nam Urlus zijn plaats in.

Ondanks de steeds hogere gages die Van der Linden hem betaalde, vertrok Urlus in de zomer van 1900 naar Leipzig. Hier bleef hij tot 1914 aan de Opera verbonden. Vooral in deze periode heeft Urlus zich - als autodidact - ontpopt als een bekwaam dramatisch kunstenaar. Bovendien bouwde hij een repertoire op, dat ten slotte 67 partijen van zeer verschillend karakter omvatte, uit zowel de Franse, Italiaanse als Duitse operaliteratuur. Toch zou hij zich later vrijwel beperken tot het vertolken van rollen uit Wagneropera's, omdat deze hem vocaal en dramatisch 'op het lijf geschreven waren'.

Naast zijn vaste optredens in Leipzig vervulde hij steeds meer gastrollen. In 1910 trad hij voor het eerst op in Londen, waar hij onder leiding van Bruno Walter 'Tristan' in Covent Garden zong; dit gastoptreden werd van 1911 tot 1914 herhaald. In 1911 en 1912 werd hij geëngageerd om in Bayreuth bij de Festspiele te zingen; hier debuteerde hij in de rol van 'Siegmund'. Voorts maakte Urlus in 1912 tweemaal een concertreis naar Boston en New York (VS). Daarna ging hij opnieuw naar New York, om als Wagnertenor bij de Metropolitan Opera Company te zingen onder leiding van Arturo Toscanini; zijn eerste optreden, als 'Tristan', had plaats op 8 februari 1913. Ook hier oogstte hij veel succes en hij sloot een contract af om tot 1919 jaarlijks te gasteren in perioden dat de vermaarde tenor Enrico Caruso afwezig zou zijn. Door oorlogshandelingen op zee moest hij echter na 1917 verstek laten gaan. Daarenboven trad hij meestentijds in de zomermaanden ook nog op als gast bij verscheidene andere Europese operagezelschappen.

Na 1917 heeft Urlus, die door zijn gemaakte fortuin een onafhankelijke positie had verworven, geen nieuwe contracten voor langere duur meer afgesloten; voortaan accepteerde hij uitsluitend gastrollen. Behalve in andere Europese landen was hij in Nederland bij verschillende operagezelschappen een graag geziene gast. Van 1918 tot 1920 trad hij op in Scandinavië en in 1921 opnieuw in Londen. Door de slechte economische en politieke situatie verliet hij Duitsland na de Kapp-Lüttwitz-Putsch in maart 1920. Hij vestigde zich toen in Noordwijk aan Zee en later in Hilversum. In 1923/1924 maakte hij - deel uitmakend van een Duits operagezelschap - wederom een tournee naar Amerika. Andere hoogtepunten waren 31 gastvoorstellingen bij de Berliner Staatsoper in de winter 1926/1927, talrijke optredens in het Théâtre Royal de la Monnaie te Brussel tussen 1911 en 1931 en optredens in het Gran Teatro del Liceo te Barcelona in 1930. In 1931, kort voordat zijn gezondheid achteruitging, vond Urlus' laatste grote optreden plaats bij de Amsterdamse Wagnervereeniging, een instelling waarvoor hij in de loop der jaren veel tenorrollen gezongen had; hij besloot zijn loopbaan daar met zijn beroemdste creatie: 'Tristan'.

Behalve als heldentenor in opera's verwierf Urlus faam als concertzanger, waartoe hij door zijn muzikaliteit, beschaafde voordracht en lyrische stem bij uitstek geschikt was. Vóór de eeuwwisseling trad hij enige tijd op in het vocaal kwartet van Joh. M. Messchaert. In het voorjaar van 1900 gaf hij gehoor aan een uitnodiging van Willem Mengelberg om, begeleid door het Concertgebouworkest, de rol van Evangelist te vervullen in de Matthäus-Passion; dit heeft hij daarna tot 1914 ieder jaar gedaan. Ook heeft Urlus in Beethovens Negende Symfonie gezongen. Wereldroem zou hij echter verwerven met zijn briljante vertolking van Mahlers Lied von der Erde, dat hij vanaf 1917 vele malen ten gehore heeft gebracht. Toen Nederland in mei 1920, op initiatief van Mengelberg, Mahler op grootse wijze herdacht, was Urlus ook van de partij - hij had Mahler in zijn Leipziger tijd persoonlijk leren kennen - om mee te zingen in Das klagende Lied, Achtste Symfonie en Lieder eines fahrenden Gesellen. Reeds vanaf 1903 werd Urlus' stem, zowel in Europa als in Amerika, op grammofoonplaten vastgelegd, en ook heeft hij later nog voor de radio gezongen. Tot het einde van zijn zangersloopbaan is zijn stem opvallend fris en helder gebleven.

P: Mijn loopbaan (Amsterdam, [1929]), eerder als feuilleton verschenen in Algemeen Handelsblad, av. 21-12-1928 t/m 28-3-1929.

L: H.W. de Ronde, 'Jac. Urlus', in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 20 (1910) 39 (januari-juni) 175-181; S. Bottenheim, 'Jac. Urlus, 1894-1919', in Eigen Haard 45 (1919) 641; Annelèn [= Hélène van Meekren en Anna Holdert-Zuikerberg], 'Van Mensch en Ding. Jacques Urlus', in Algemeen Handelsblad, av. 30-6-1923; N. van Harpen, Menschen die ik gekend heb (Rotterdam, 1928) 55-59; C. van Wessem, in De Groene Amsterdammer, 15-6-1935; R. Celletti, Le grandi voci. Met discografie van Th. Kaufmann (Rome, [1964]) kol. 874 - kol. 876; Rutger Schoute, 'Jacques Urlus (1867-1935)', in Preludium 40 (1981) 3 (november) 10-11; S.A.M. Bottenheim, De opera in Nederland 2e herz. dr. (Leiden, 1983).

I: Website Cantabile-subito. A site for collectors of great singers of the past: http://www.cantabile-subito.de/Tenors/Urlus__Jacques/hauptteil_urlus__jacques.html [4-3-2007] [Urlus in de titelrol van de opera 'Lohengrin' van Richard Wagner].

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013