Veenendaal [sr.], Augustus Johannes (1899-1985)

 
English | Nederlands

VEENENDAAL [SR.], Augustus Johannes (1899-1985)

Veenendaal [sr.], Augustus Johannes, directeur van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis (Soest 14-11-1899 - 's-Gravenhage 23-1-1985). Zoon van Cornelis Willem Veenendaal, behanger en stoffeerder, en Petronella Cornelia Sloot. Gehuwd op 26-8-1931 met Maria Petronella Slagter, onderwijzeres. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Hoewel het in het milieu van Veenendaal ongebruikelijk was om te studeren maakten zijn ouders op instigatie van D. Wouters, hoofd van de normaalschool te Baarn, hierin voor hem een uitzondering. Hij behaalde achtereenvolgens in 1918 en 1921 de akten voor onderwijzer en hoofdonderwijzer. Vervolgens diende hij gedurende zeven jaar in verschillende plaatsen het christelijk lager onderwijs. In 1925 behaalde hij het staatsexamen gymnasium, waarna hij aan de Rijksuniversiteit Utrecht Nederlands en geschiedenis ging studeren. Uit deze studieperiode dateert zijn toenemende belangstelling voor het werk van P.C.A. Geyl, ofschoon zijn leermeester G.W. Kernkamp weinig van Geyls geprononceerde Vlaams-nationalistische sympathieën moest hebben. In 1931 studeerde hij cum laude af mede dank zij een scriptie op een met Geyls visie samenhangend onderwerp.

Na de voltooiing van zijn studie vond hij, ondanks de ongunstige tijdsomstandigheden, aan het Christelijk Lyceum te Haarlem een werkkring. In deze tijd begon hij het onderzoek voor zijn dissertatie over de Spaanse Successieoorlog, waarop hij in 1945 als eerste naoorlogse promovendus cum laude bij Geyl promoveerde. Dit was te meer een prestatie omdat hij tijdens de oorlog actief lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers in het ongewapend verzet was geweest. Op 1 mei 1949 werd Veenendaal onderdirecteur van het Bureau voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, waarbij hem het directeurschap al in het vooruitzicht werd gesteld. Dit zou hij vanaf 1951 bekleden. Zijn veelomvattende functie impliceerde wel dat hij zich voorlopig minder aan de creatieve zijde van de geschiedschrijving kon wijden. Hierdoor verschenen er, in plaats van het vervolg op zijn dissertatie, veel later enkele artikelen. Binnen het Bureau bezorgde hij eerst een kleine bronnenuitgave van het hem door zijn dissertatie bekende dagboek van Gisbert Cuper, en vervolgens wijdde hij zich tot aan zijn pensioen in 1964 aan de voortzetting en voltooiing van de door S.P. Haak begonnen uitgave van de papieren van Johan van Oldenbarnevelt. Op grond van de daarbij opgedane ervaringen ontwikkelde hij samen met de voorzitter van de Rijkscommissie, prof. P.J. van Winter, nieuwe grondslagen voor het uitgeven van bronnen. Hiervan legt het artikel 'Enkele aspecten van het uitgeven van historische teksten' (Nederlands archievenblad 63 (1958-1959) 25-35) duidelijk getuigenis af.

Hij herstelde door het aankopen van microfilms een traditie van de Rijkscommissie: het opsporen van voor de Nederlandse geschiedenis belangrijke buitenlandse archivalia. Samen met prof. Van Winter bracht hij het jarenlang slepende geschil met prof. F.C. Gerretson over de uitgave van de briefwisseling van Groen van Prinsterer tot een oplossing. In een met koningin Wilhelmina gerezen conflict had hij minder succes. Zij weigerde toestemming te geven voor het verschijnen van een door C. Smit bewerkt deel van de buitenlandse politiek van Nederland, waarin de kwestie van het al of niet continueren van prins Hendriks Duitse nationaliteit behandeld werd.

In binnen- en buitenlandse kringen genoot Veenendaal waardering, terwijl aan zijn oordeel veel waarde werd gehecht. Toen de hoogleraren Gerretson en Geyl in de pers een polemiek voerden over de rechtmatigheid van Maurits' veroordeling van Van Oldenbarnevelt, consulteerden zij hem. Evenals Geyl koos Veenendaal hierin partij voor laatstgenoemde. Hij droeg ook veel bij aan de totstandkoming van de biografie van J. den Tex over Van Oldenbarnevelt. Wegens diens subjectieve interpretaties had Veenendaal naast bewondering ook de nodige bedenkingen tegen dit standaardwerk. Zijn consciëntieuze en bedaarde karakter maakte hem geschikt voor zowel de functie van directeur als die van bewerker van bronnenuitgaven. De waardering hiervoor bleek te meer uit zijn benoeming tot lid van de Rijkscommissie in 1966, waar hij tot 1975 deel van uitmaakte.

Veenendaal was zijn leven lang lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Verder maakte hij deel uit van het Gezelschap van christelijke historici. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was hij lid van de Christelijk-Historische Unie om vervolgens sympathisant van de Partij van de Arbeid te worden, welke partij hij naderhand verwisselde voor Democratische Socialisten '70.

A: Het archief van dr. A.J. Veenendaal sr., 1901-1983 (1985) en Het Archief van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar voorgangers (1910-1949) in het Rijksarchief in Zuid-Holland in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Recentere deel berust bij het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis.

P: Bibliografie samengest. door J.G. Smit, in Jaarverslag 1981 [van de] Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, 31 -38.

L: Het Vaderland, 11-11-1964 n.a.v. pensionering; Bron en publikatie. Voordrachten en opstellen over de ontsluiting van geschiedkundige bronnen, uitgegeven bij het 75-jarig bestaan van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis. Onder red. van K. Kooijmans [et al.] ('s-Gravenhage, 1985); H.J.Ph.G. Kaajan, 'Inleiding', in Het archief van dr. A.J. Veenendaal sr., 1901-1983 (1985) ('s-Gravenhage, 1986) I-XVI. Inventarisreeks Rijksarchieven in Holland: nr. 44; [A.Th. van Deursen], in Jaarverslag 1985 [van de] Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, 3.

H.J.Ph.G. Kaajan


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013