Veenendaal, Willem Cornelis van (1903-1965)

 
English | Nederlands

VEENENDAAL, Willem Cornelis van (1903-1965)

Veenendaal, Willem Cornelis van, verkeersvlieger (Utrecht 28-10-1903 - Athene 2-5-1965). Zoon van Anthonie Wilhelmus van Veenendaal, chef de bureau der Nederlandse Spoorwegen, en Wilhelmina Helena Kok. Gehuwd op 5-3-1931 met Elsa Muller. Na echtscheiding (28-12-1935) gehuwd op 24-11-1936 met Levina Maria den Ottolander. Uit beide huwelijken werden geen kinderen geboren. Uit een relatie met Maria Steenema werd 1 dochter geboren. afbeelding van Veenendaal, Willem Cornelis van

Van Veenendaal vervulde, na de middelbare school op het St. Ignatiuscollege te Amsterdam te hebben doorlopen, gedurende enige tijd functies in het verzekeringswezen en de journalistiek. In 1923 kwam hij als dienstplichtige in militaire dienst en ontving zijn opleiding tot reserveofficier bij het 16e Regiment Infanterie te Amersfoort. Na zijn bevordering, in 1924, werd hij 2e luitenant bij het 13e Regiment Infanterie te Maastricht. Op 17 mei 1926 werd hij echter overgeplaatst naar de vliegersopleiding te Soesterberg, waar hij op 13 oktober 1926 het FAI-vliegbrevet haalde en in 1927 het Groot Militair Brevet. Eerst was hij bij de Luchtvaartafdeeling van het leger (Mitrailleur- en Bomvliegtuigafdeeling), maar nog in 1927 ging Van Veenendaal met zes andere legervliegers naar de Marine Luchtvaartdienst over, die toen gebrek aan vliegers had. Hier diende hij als officier-vlieger tot per 1 mei 1929 aan deze militaire periode een einde kwam en Van Veenendaal, zoals zo vele militaire vliegers uit die periode, de overstap naar de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) maakte.

Aanvankelijk vloog Van Veenendaal voor de KLM op de Europese lijnen, om op 22 januari 1931, als tweede piloot bij de bekende Evert van Dijk, zijn eerste vlucht naar Indië te beginnen, de 27e Indiëvlucht voor de KLM. Ook op deze, de belangrijkste lijn van de KLM uit de vooroorlogse periode was Van Veenendaal sindsdien regelmatig te vinden. Opzienbarende vluchten, zoals die van de 'Pelikaan' (Smirnoff) of de 'Uiver' (Parmentier), werden door Van Veenendaal niet gemaakt. Dat hij toch tot de bekendste vooroorlogse vliegers van de KLM behoorde, dankte hij in belangrijke mate aan het feit dat hij in diverse boeken verslag wist te doen van zijn belevenissen in de lucht. Met Adriaan Viruly was hij waarschijnlijk de bekendste vlieger-schrijver uit die tijd in Nederland. Behalve over vliegen schreef Van Veenendaal trouwens wel meer, onder andere over zijn geliefde hengelsport en ook reisverhalen. Later beschreef hij in een aantal boeken ook de vroege tijd van de verkeersvliegerij en zijn herinneringen aan vliegers (van de KLM en andere) die hij in die tijd had gekend.

Ten tijde van de Duitse inval in 1940 bevond Van Veenendaal zich in Nederland. Aangezien van hogerhand was verboden de nog vlieggerede KLM-vliegtuigen van Schiphol naar Engeland over te vliegen, kwam toen, althans voorlopig, een einde aan zijn vliegend bestaan. Hij stond nu op wachtgeld, hield lezingen in den lande en aanvaardde ten slotte nog een functie bij de Amstel-brouwerij. In 1941 was hij met andere vliegers door de Duitsers korte tijd geïnterneerd te Schoorl. In het najaar van 1944 wist hij de grote rivieren over te steken naar het toen reeds bevrijde deel van Nederland. Vandaar ging hij naar Engeland, waar hij uiteindelijk bij het KLM-bedrijf in Bristol, toen onder leiding van Viruly, belandde. In augustus 1945 keerde Van Veenendaal in Nederland terug.

Na de oorlog hervatte hij zijn normale werkzaamheden als KLM-vlieger. De derde naoorlogse vlucht op de Indiëlijn werd door hem uitgevoerd. In 1949 werd hij geplaatst bij de afdeling speciale vluchten van de KLM, waarvoor hij nog vele en uiteenlopende - van VIP-transport tot dierenvervoer - vluchten uitvoerde. Na 17.477 vlieguren te hebben volbracht verliet hij in 1954 de KLM.

Het afscheid van de KLM betekende nog niet het afscheid van de luchtvaart. Per 1 mei 1954 trad hij bij de Koninklijke Luchtmacht in dienst als hoofd van de Luchtmachtvoorlichtingsdienst, een functie waarvoor zijn organisatorische en propagandische kwaliteiten hem bijzonder geschikt maakten. Hij vervulde deze functie tot 1 september 1957. Daarna leefde hij grotendeels in Griekenland, waar hij op 2 mei 1965 overleed. Op 6 mei werd hij, overeenkomstig zijn wens, op het eiland Spetsae begraven.

Willem van Veenendaal behoorde tot die generatie KLM-vliegers die, met name op de Indiëlijn, de nationale luchtvaartmaatschappijen hebben grootgemaakt. Hoewel hij zelf geen opzienbarende en tot de verbeelding sprekende vluchten heeft gemaakt (althans niet voor het brede publiek) wist hij door zijn welversneden pen en zijn sprekerstalent een belangrijke bijdrage te leveren aan de luchtvaartgezindheid van het Nederlandse volk.

P: Cockpit... (Amsterdam, [1934]); Gestroomlijnde zotheid (Amsterdam, 1936); Luchtcamera (Amsterdam, [1941]); met H. Bakker, Vliegersvrouwen (Zaandijk, 1947); Het loze vissertje (Utrecht [etc.], 1952); Tussen hemel en aarde (Utrecht [etc.], 1955); Gevleugelde herinneringen (Rotterdam, [1958]); Vlucht naar paal 5.8 '58 (Amsterdam, [1958]); Vissen en visverhalen (Eindhoven, [I960]); met A. Viruly, 't Begon op Parijs (Utrecht, 1961); Elke dag een zondag... in Griekenland (Amsterdam, [1963]); Ze vlogen als vogels (Amersfoort, [1964]); Voor dag en dauw (Amersfoort, [1964]).

L: Wm. Teuben, 'Willem van Veenendaal startte voor zijn laatste vlucht', in Avia 14 (1965) 273; Algemeen Handelsblad, 3-5-1965.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1504.

H.J. Hazewinkel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 11-11-2015