Vissering, Gerard (1865-1937)

 
English | Nederlands

VISSERING, Gerard (1865-1937)

Vissering, Gerard, bankier en publicist (Leiden 1-3-1865 - Bloemendaal 19-12-1937). Zoon van Simon Vissering, hoogleraar en minister van Financiën, en Grietje Corver. Gehuwd op 12-8-1891 met jkvr. Maria Adrienne Sandberg. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (5-3-1924) gehuwd op 6-9-1926 met Geertruida Cornelia Krayenhoff van de Leur. Uit dit huwelijk werd, behalve 1 jong overleden zoon, 1 dochter geboren.

Vissering stamde zowel van vaders- als moederszijde uit een doopsgezind milieu. Zijn vader was de vooraanstaande liberale econoom, in 1850 opvolger op Thorbeckes Leidse leerstoel, van 1879 tot 1881 minister van Financiën, lange tijd commissaris van De Nederlandsche Bank en bekend redacteur van De Gids. Voor Gerard, twaalfde en laatste kind, waren volop maatschappelijke perspectieven aanwezig, zodat hij na een rechtenstudie in Leiden (1884-1890) en enige jaren advocatuur te Amsterdam (1891-1895) koos voor het hoofdstedelijk bankwezen. Achtereenvolgens vervulde hij de functies van secretaris van de Vereeniging voor den Effectenhandel (1895-1897), directeur der Kas-Vereeniging (1897-1900) en directeur der Amsterdamsche Bank (1900-1906). Het getuigde van het welslagen van deze vormingsjaren dat Vissering hierna tot president der Javasche Bank, de centrale bank van Ned.-Indië, werd benoemd (1906-1912).

Met visie en voortvarendheid speelde Vissering als bankpresident in op de noodzaken en mogelijkheden die de destijds sterk groeiende Indische economie aan de Javasche Bank bood. Ten behoeve van het expanderend verkeer met het buitenland bewerkstelligde hij in 1908 een verruiming van het octrooi, die een verdere ontplooiing van het goudwisselstelsel betekende. Het actiever optreden op de wisselmarkt lokte veel kritiek uit, doch deze was ongegrond, daar de omvang der buitenlandse portefeuille binnen redelijke grenzen bleef en de klacht van andere banken, o.a. de Nederlandsche Handel-Maatschappij, uit onverhuld eigenbelang voortsproot. In samenhang met de onderwerping van grote gebieden aan het directe Nederlandse gezag en de erop volgende vlucht van het bedrijfsleven waren regionale muntzuiveringen noodzakelijk, die Vissering knap tot stand bracht: West-Borneo (1906) en Sumatra's Oostkust (1907-1908). Veelvuldig reizend in de Indische Archipel stichtte hij een achttal agentschappen van de Javasche Bank. Invoering van het giroverkeer bij deze en bestrijding van wantoestanden in de Indische effectenhandel completeren het beeld van Visserings eminente moderniserende arbeid ten behoeve der Indische economie.

Zijn allure en prestaties trokken ook internationaal de aandacht, vooral van het syndicaat der grote mogendheden (Engeland, Frankrijk, Duitsland, de VS), dat aan een grote lening voor China de eis van munthervorming in dit land verbond en daarvoor behoefte had aan een onafhankelijk adviseur. Het vond deze in Vissering, die in oktober 1911 door de Chinese regering werd benoemd tot adviseur in de rang van mandarijn van de tweede graad. De in 1912 in China uitgebroken revolutie verhinderde dat zijn voorstellen, neergelegd in het tweedelig rapport On Chinese Currency (Amsterdam, 1912-1914. 2 dl.), effectief werden. Aan Visserings loopbaan gaf dit adviseurschap een internationale dimensie. Tegen de Eerste Wereldoorlog was hij ook buiten de Nederlandse grenzen een bankier van gezag. Zijn benoeming tot president van De Nederlandsche Bank in 1912, als opvolger van N.P. van den Berg, vormde daarop een vanzelfsprekendheid.

De tot oktober 1931 durende ambtsperiode van Vissering kenmerkte zich door problemen als geen van zijn voorgangers had ervaren. Zij waren van structurele en conjuncturele aard, zowel politiek als economisch. Vanuit nationaal gezichtspunt bevond Nederland zich sedert 1890 in een fase van versnelde economische groei, die in alle delen der volkshuishouding tot herstructurering aanleiding gaf, o.a. in het bankwezen met een omstreeks 1900 aanvangende concentratiebeweging. Internationaal hechter verbonden met de wereldeconomie onderging het land veel scherper dan tevoren de wendingen in de internationale economische conjunctuur. Na de stabiele economische verhoudingen onder vigeur van de gouden standaard der vooroorlogse periode brachten de jaren sinds 1914 een ongekende ontwrichting en na 1918 slechts een gedeeltelijk herstel, ook van de gouden standaard. De voortdurende economische instabiliteit, versterkt door de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, mondde ten slotte uit in de depressie der jaren '30. In deze omstandigheden moest Vissering de moeilijke opgave vervullen aan De Nederlandsche Bank leiding te geven en van daaruit mede aan 's lands economie in het algemeen en het bankwezen in het bijzonder.

Met grote toewijding heeft hij zich van deze taak gekweten. In een economisch (en politiek) veel minder voorspelbaar geworden wereld waren daarbij fouten onvermijdelijk en kritiek hierop een normaal uitvloeisel. Aan de omvangrijke monetaire maatregelen van de in 1914 noodzakelijke oorlogseconomie gaf hij voortvarend medewerking en uitvoering. Na de oorlog riep hij in zijn woning te Amsterdam een aantal internationale persoonlijkheden bijeen uit Engeland, Frankrijk, de VS, Zwitserland en de Scandinavische landen, onder wie J.M. Keynes, teneinde het economisch herstel van Europa te bespreken (oktober 1919). Het daaruit voortspruitend 'Memorandum' (zie voor Engelse vert. G. Vissering, Over den internationalen financieelen en economischen toestand (Amsterdam [etc.], 1920) 96-102) lag ten grondslag aan de eerste naoorlogse internationale financiële en economische conferentie van Brussel (sept.-okt. 1920), waarvan Vissering vice-president was. Hij nam vervolgens deel aan een soortgelijke conferentie te Genua (april-mei 1922), de bankiersconferentie te Parijs (juni 1922), de internationale commissie van deskundigen voor de stabilisering van de Duitse mark (okt.-nov. 1922), bracht te zamen met prof. E.W. Kemmerer advies uit aan de regering der Unie van Zuid-Afrika over het herstel van de gouden standaard (winter 1924-1925) en aan de Turkse regering voor de regeling van het munt- en bankwezen (juni 1928). In mei 1931 volgde nog zijn benoeming tot lid van de Raad van Bestuur van de in dit jaar opgerichte Bank voor Internationale Betalingen.

Het internationale aspect was meer dan ooit met het nationale verbonden. De structurele lijn uit het verleden die De Nederlandsche Bank door de bankconcentratie deed evolueren naar de functie van bankers' bank werd in Visserings periode krachtig doorgetrokken. In het bankwezen in het algemeen stimuleerde hij de moderne ontwikkeling van het giroverkeer. Geënt op de naoorlogse verhoudingen was de door hem bevorderde groei van het internationaal acceptkrediet te Amsterdam en het versterkt accent op de buitenlandse wisselportefeuille van De Nederlandsche Bank. In de bezwering van de dreigende bancaire crisis der jaren '20 had Vissering als bankpresident een werkzaam aandeel, evenals in het herstel van de gouden standaard in Nederland (1925). Zonder kritiek bleef zijn beleid niet, getuige het zg. 'Manifest der veertien' van 15 mei 1920 ( Economisch-Statistische Berichten 1920 I, 431-432), waartegen in het als bijval voor Vissering te beschouwen zg. 'Manifest der zeventien' van 23 mei 1920 (ibidem, 498) protest oprees. Had het eerstgenoemde gewezen op de gevaren van de vergrote geldcirculatie en de noodzaak van herstel der gouden standaard, het tweede waarschuwde tegen het deflatiegevaar bij geforceerde vermindering der geldcirculatie en het inopportune van het herstel der gouden standaard.

Een grotere dreiging, die tijdens de stijgende conjunctuur in de tweede helft der jaren '20 verborgen bleef, school in de goudwisselpolitiek. Zij trad pas aan de dag na de in 1929 ingetreden depressie. Omdat de buitenlandse wisselportefeuille van De Nederlandsche Bank voor een belangrijk deel in ponden sterling luidde, zouden een verlaten van de gouden standaard door Engeland en een daarmee samenhangende depreciatie van het pond een ernstig verlies voor de centrale bank ten gevolge hebben. Dit gevaar werd aan de oude Turfmarkt onderkend, doch De Nederlandsche Bank mocht vertrouwen op uitspraken van de Bank of England dat haar pondenportefeuille geen gevaar liep. Toen Engeland in september 1931 de gouden standaard verliet, kwam de Bank of England evenwel de op zich genomen verplichting niet na, noch overigens ten aanzien van andere landen. Met de gouden standaard was tevens een morele verlaten. Het aanzienlijk verlies voor De Nederlandsche Bank is Vissering sedertdien ten onrechte nagehouden. Dit gebeuren en zijn geschokte gezondheid noopten hem in oktober 1931 tot aftreden. De Nederlandsche Bank trok zich in hoofdzaak terug van het terrein der buitenlandse wisselpolitiek.

Als bankier met allure en visie behoorde Vissering destijds tot de generatie van ondernemers die wij kunnen aanduiden als de 'empire-builders'. Mannen als C.J.K. van Aalst, F.H. Fentener van Vlissingen, A.F. Philips, A. Plesman en F.G. Waller maakten daar op hun terrein eveneens deel van uit. Zij vormden de wegbereiders van het moderne bedrijfsleven in Nederland, liberaal georiënteerde, energieke stichters en leiders van zakelijke imperia, doordrongen van vooruitgangsgevoel, met een internationaal open blik, veelal nauw verbonden aan het koloniaal bezit en het verwante Zuid-Afrika, belangstellend in en bevorderend werkzaam voor algemeen belang, wetenschap en schone kunsten. Voor het algemeen belang stond bij Vissering de Zuiderzee-Vereeniging centraal, die hij o.a. als secretaris (1901-1906) en voorzitter (1913-1934) heeft gediend. Passief als kunstgevoelig man, vooral voor beeldende kunsten en muziek, betoonde hij zich daarentegen bijzonder actief op wetenschappelijk terrein, vooral van de monetaire economie en het bankwezen. Sinds 1917 was hij dan ook lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Zijn indrukwekkende bibliografie bevat naast wetenschappelijke bijdragen vele levendige commentaren op de gebeurtenissen van de dag. Zijn schrijverschap vond eveneens uitdrukking in (nog niet gepubliceerde) dagboeken, reisbeschrijvingen en brieven. Een persoonlijke behoefte tot rekenschap ging hierbij gepaard aan een ietwat didactische aandrang tot uitleg aan de samenleving. In afzondering was Vissering een ongemeen harde werker, daarnaast onttrok hij zich niet aan het sociale leven, ietwat dominerend en met een bij zijn generatie passend gevoel voor eigenwaarde. In zijn jonge jaren was hij een geducht roeier en schaatser; op latere leeftijd bleef hij beoefenaar van de zeilsport.

A: Collectie-Vissering in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; voorts veel materiaal in archief van De Nederlandsche Bank, Amsterdam, en archief van de Indonesische Overzeese Bank, Amsterdam.

P: A.M. van de Waal, Lijst van de verzamelde geschriften en redevoeringen van G. Vissering (Amsterdam, 1935).

L: C.J. Pekelharing, in Eigen Haard 38 (1912) 693-694; G.W.J. Bruins, in Grotius annuaire international pour l'année 1929, 1-6; H. Wortman, in De Ingenieur 53 (1938) A 23-A 25; D. van Blom, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen 1937-38, 201-210; R.S. Sayers, The Bank of England 1891-1944 (Cambridge [etc.], 1976. 3 dl.) II, 414-415.

Joh. de Vries


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013