Vlekke, Bernardus Hubertus Maria (1899-1970)

 
English | Nederlands

VLEKKE, Bernardus Hubertus Maria (1899-1970)

Vlekke, Bernardus Hubertus Maria, historicus (Stampersgat, gem. Oud- en Nieuw-Gastel 18-9-1899 - Waalre 3-7-1970). Zoon van Jan Frederik Vlekke, suikerfabrikant, en Maria Cornelia Braun. Gehuwd op 24-7-1935 met Caroline Paula Horsthemke. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Vlekke studeerde, na het behalen van het einddiploma gymnasium-A aan het Stedelijk Gymnasium te 's-Hertogenbosch, van 1918 tot 1921 Nederlandse letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1921 gaf hij Nederlands aan de r.k. HBS te Maastricht en vanaf 1926 eveneens geschiedenis na het behalen van zijn doctoraal geschiedenis aan de Roomsch-Katholieke Universiteit te Nijmegen. Vlekke ontpopte zich als een begaafd en bekwaam leraar, die zich inspande voor de brede algemene ontwikkeling van zijn leerlingen. Twee jaar na zijn promotie, bij prof. W.J.M. Mulder, te Nijmegen op het proefschrift Sint Servatius. De eerste Nederlandsche bisschop in historie en legende (Maastricht, 1935) werd Vlekke benoemd tot secretaris van het Nederlandsch Instituut voor geschiedkundig en kunsthistorisch onderzoek te Rome. Zijn besluit in juni 1940 als rijksambtenaar met het personeel van het Nederlands gezantschap na het verbreken van de diplomatieke betrekkingen Italië te verlaten had de goedkeuring van directeur G.J. Hoogewerff, met wie de verhouding overigens te wensen overliet. Met zijn echtgenote reisde hij naar de Verenigde Staten, waar hij behalve als medewerker van het pas opgerichte Nederlandsch Informatie Bureau te New York tevens verbonden werd aan de Harvard University te Cambridge (Mass.). Hij gaf cursussen in Nederlandse taal en geschiedenis, adviseerde de Widener Library bij het opbouwen van een collectie Neerlandica, hield veel voordrachten en was nauw betrokken bij de organisatie van de hulpactie voor Nederlandse bibliotheken. Ook in wetenschappelijk opzicht waren zijn Amerikaanse jaren zeer produktief, vooral door publikaties die het Amerikaanse publiek met Nederlandse geschiedenis vertrouwd konden maken. Na Nusantara. A history of the East Indian Archipelago (Cambridge, Mass., 1943) verschenen van zijn hand nog Evolution of the Dutch Nation (New York, 1945) en The Netherlands and the United States (Boston, 1945). Vooral zijn boek over de geschiedenis van Indonesië was een publikatie die zoveel indruk maakte, dat er niet alleen in 1945 een bekorte versie opnieuw in de Verenigde Staten verscheen, maar ook een vertaling in Nederland het licht zag (Roermond [etc.], 1947) en o.a. een bewerkte tweede druk van de Engelse tekst (The Hague [etc.], 1959). Ofschoon Vlekke geen koloniaal historicus was en door zijn verblijf in de Verenigde Staten in de keuze van relevante literatuur beperkt werd, legde zijn werk getuigenis af van een moderne en frisse kijk op die geschiedenis. Ongewoon was zijn meer Indonesië-centrische dan kolonialistische benadering. Vlekke vestigde meer dan gebruikelijk was de aandacht op de inheemse samenleving en de ontwikkelingen daarin en liet zich soms kritisch uit over de Nederlandse machtsontplooiing en de daarbij voorkomende misstanden. Vlekke had begrepen dat hij voor een Amerikaans publiek niet meer kon aankomen met een eenvoudige visie van een heldenverhaal van Nederlands kolonialisme of de slogan 'Daar werd wat groots verricht', maar tegelijkertijd wilde hij toch het belang en de betekenis van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië sine ira et studio schetsen. Juist in de periode van dekolonisatie na de bevrijding kreeg Vlekkes boek ook belang voor een Nederlands publiek.

Toen Vlekke in 1944 naar het bevrijde Rome wilde terugkeren verzette Hoogewerff zich hiertegen, omdat Vlekke zich in de jaren 1937 tot 1940 niet goed van zijn taak zou hebben gekweten en in zijn optreden bruut en ontactisch zou zijn geweest. Zijn ontslag als secretaris begin 1946 wegens incompatibilité d'humeur was voor hem buitengewoon grievend, en begrijpelijkerwijs streefde hij daarna naar rehabilitatie door het verwerven van een academische functie. Pogingen voor hem met financiële steun van de regering een leerstoel aan een vooraanstaande Amerikaanse universiteit te stichten werden niet doorgezet. Ook zijn pogingen bij een Nederlandse universiteit een ordinariaat te verwerven mislukten, maar ten slotte volgde op 1 oktober 1947 zijn benoeming tot hoofd van de afdeling Publikaties en Onderzoek van het in 1946 opgerichte Nederlandsch Genootschap voor Internationale Zaken (NGIZ), waarvan Vlekke van mei 1948 tot september 1964 secretaris-generaal was. Aan deze functie was het hoofdredacteurschap van de Internationale Spectator verbonden.

Vlekkes benoeming bij het NGIZ betekende een belangrijke verandering in zijn wetenschappelijke activiteit: hij werd contemporanist en deskundige op het terrein van internationale betrekkingen zonder ooit overigens het historisch perspectief geheel uit het oog te verliezen. Voor die actuele internationale ontwikkelingen ging het daarbij zijns inziens om een voorlopige ordening, waarbij emotie plaats moest maken voor begrijpen, en het verwerven van inzicht in de standpunten en opvattingen van alle actores in de internationale politiek ging boven het insisteren bij de eigen opinies. Deze aanpak manifesteerde zich het eerst in zijn bijdragen aan de Internationale Spectator, waarin de Oost-Westbetrekkingen in zakelijke en historische analyses en niet in een op het eind jaren veertig en het begin jaren vijftig heersende angst voor het communisme en Koude-Oorlogstemming behandeld werden. In zijn Tweespalt der Wereldrijken. De tegenstelling tussen Oost en West in wezen en wording (Haarlem, 1953) demonstreerde Vlekke zijn meesterschap in wetenschappelijke analyse en internationale vraagstukken. Door zijn methode van werken werd de bestudering van de actuele internationale betrekkingen in Nederland uitgetild boven het gangbare niveau van ideologische vooringenomenheid. Vlekke maakte zich geen illusies over goed bedoelde, ongefundeerde ideeën en miskende allerminst de betekenis van de machtsfactor in de internationale politiek.

Vlekke wist door reorganisatie en bezuiniging het veel te groots opgezette NGIZ voor liquidatie te behoeden. Onder Vlekke werd het NGIZ door vele nieuwe activiteiten tot een instelling die, overeenkomstig haar doelstelling, wetenschappelijke en publieke belangstelling voor de internationale politiek en een meer actieve Nederlandse buitenlandse politiek wekte. Een echte manager was hij echter niet. Vanaf het midden van de jaren vijftig verminderden de aanvankelijk explosief toegenomen activiteiten van het NGIZ sterk en bij zijn afscheid in 1964 was de uitgave van de Internationale Spectator het enige dat nog overgebleven was.

Van 1951 tot 1954 was Vlekke tevens docent aan de Rijksuniversiteit te Leiden krachtens een leeropdracht van het Leids Universiteitsfonds (LUF) aangaande kennis van actuele vraagstukken der internationale politiek. Als rector van het Institute of Social Studies (1954/ 1955) bleek Vlekke niet over voldoende organisatorische talenten te beschikken om deze functie langer te ambiëren. Inmiddels was de in 1956 pas opgerichte bijzondere leerstoel vanwege het LUF voor de actuele internationale staatkunde te Leiden hem in het vooruitzicht gesteld. In september 1961 volgde zijn benoeming tot buitengewoon lector in de rechtenfaculteit, in mei 1962 tot buitengewoon hoogleraar in de internationale betrekkingen van de nieuwste tijd. Zijn lang gekoesterde hoop op een gewoon ordinariaat ging ten slotte om formele redenen niet in vervulling. In juni 1968 volgde ontslag wegens emeritaat. Tot zijn dood maakte hij deel uit van de examencommissie voor de Buitenlandse Dienst, waarvan hij sinds 1961 lid was.

Vlekke was een begaafd docent, die door zijn uitstekende, heldere voordracht en begrijpelijke uitleg als leraar in het middelbaar onderwijs en als universitair docent zijn gehoor boeide. Ondanks zijn charmante persoonlijkheid was hij te zeer individualist om zich bewust te zijn van de grote indruk die hij op anderen maakte. Uit de aanpak van de moeilijkheden die hij in zijn loopbaan ondervond, bleek dat Vlekke geen doortastend behartiger van eigen belangen was, doch wat hij ervoer als onbillijke behandeling liet diepe littekens achter. Zijn buitengewone intelligentie en brede kennis echter maakten het hem mogelijk gedurende zijn door de omstandigheden zo veelzijdige loopbaan telkenmale opnieuw zijn capaciteiten anders te richten en te ontplooien.

A: Archief O., K. & W., afd. Rijkspersoneel, dossier Vlekke in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage; dossier Vlekke in archief Leids Universiteitsfonds; gegevens over Vlekke in het archief van het Nederlandsch Instituut te Rome (dossier: correspondentie met ministerie O., K. & W. 1938-1944 en 1944- 1947).

P: Behalve reeds genoemde publikaties: artikelen in Internationale Spectator, Europa-Archiv en International Affairs. Verder o.a. " Van 't gruwelijck verraet, in den jare 1638 op Maestricht gepractiseert". Studies over de vestiging van het Staatsche gezag over Maastricht in de jaren 1632 tot 1639 (Antwerpen, 1938); 'Intrigues rondom het prinsdom Oranje (1612-1640)', in Mededeelingen van het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome 2e reeks 9 (1939) 57-82; 'Een kleinzoon van Willem den Zwijger als opperbevelhebber van het pauselijk leger', ibidem, 2e reeks 10 (1940) 59-105; met H. Beets, Hollanders who helped build America (New York City, 1942); 'Education in The Netherlands', in Encyclopedia of modern education. Ed. H.N. Rivlin (New York, 1943) 539-542; 'Historiography', in The contribution of Holland to the sciences. A symposium ed. by A.J. Barnouw and B. Landheer (New York, 1943) 95-109; drie bijdragen aan The Netherlands. Chapters by J.W. Albarda [et al.]. Ed. by B. Landheer (Berkeley [etc.], 1944); 'Education in The postwar Netherlands', in Educational Yearbook (New York, 1945); Over de studie der internationale staatkunde ('s-Gravenhage, 1956). Inaugurele rede Leiden; Indonesia in 1956. Political and economic aspects. A report prepared [by B. Kees and G. van Zuiden] (The Hague, 1957); Indonesia's struggle 1957-1958. A report... (The Hague, 1959); Ethical values in international decision-making. By B. Landheer, G.H.J. van der Molen, B.H.M. Vlekke [et al. The Hague, I960].

L: L.G.M. Jaquet, in Internationale Spectator 24 (1970) II, 1319-1321; H. Daalder, in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 85 (1970) 364-365; W. van Leur, 'Het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, 1945- 1964' [S.l.: s.n., 1984]. Doctoraal scriptie RU Utrecht in bibliotheek Instituut voor Geschiedenis.

A.E. Kersten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013