Voorst tot Voorst, Jan Joseph Godfried baron van (1880-1963)

VOORST TOT VOORST, Jan Joseph Godfried baron van (1880-1963)

Voorst tot Voorst, Jan Joseph Godfried baron van, luitenant-generaal en commandant van het Veldleger (Kampen 29-12-1880 - Vierakker, gem. Warnsveld 11-11-1963). Zoon van Jan Joseph Godfried baron Van Voorst tot Voorst, officier en lid van de Eerste Kamer, en Anna Margaretha Elisabeth Maria Cremers. Gehuwd op 4-5-1911 met jkvr. Octavia Ottine van Nispen tot Pannerden. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 3 dochters geboren. Na haar overlijden (4-1-1947) gehuwd op 14-4-1948 met jkvr. Joanna Maria Alfrida Louisa Ruijs de Beerenbrouck. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Voorst tot Voorst, Jan Joseph Godfried baron van

Van Voorst tot Voorst was afkomstig uit een katholieke familie waaruit veel officieren zijn voortgekomen. Na te 's-Gravenhage particulier onderwijs te hebben genoten op het instituut van dr. J.W. Tesch werd hij in 1896 geplaatst op de Cadettenschool te Alkmaar. In 1898 volgde zijn toelating als cadet voor het Wapen der Infanterie bij de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Op 1 augustus 1901 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het Wapen der Infanterie en vervolgens geplaatst bij het 3e bataljon van het 4e Regiment Infanterie, dat te Haarlem was gelegerd. Hij volgde de gymnastiek- en schermcursus van vier maanden die werd gegeven aan de Normaal Schiet-School te 's-Gravenhage en ontwikkelde zich tot een zeer goed schermer.

Tijdens de spoorwegstakingen van 1903 maakte hij deel uit van het detachement dat het station van Haarlem beveiligde. In 1907 begon hij zijn studie aan de Hoogere Krijgsschool te 's-Gravenhage, maar hij moest die afbreken toen hij op 31 december 1907 werd aangesteld tot ordonnansofficier van koningin Wilhelmina. Na op 1 januari 1913 eervol uit deze functie te zijn ontheven vervolgde hij zijn studie aan de Hoogere Krijgsschool. Tijdens de mobilisatie van 1914 tot 1918 vervulde hij diverse commando's. In 1920 - hij was inmiddels kapitein - werd hij geplaatst bij de Generale Staf en benoemd tot hoofd van de Afdeeling IB van het ministerie van Oorlog. In deze functie herzag hij, op grond van de ervaringen opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, de reglementen en voorschriften. De ministerraad wees hem in 1926 aan om als deskundige van de landmacht deel te nemen aan de vergadering in mei te Genève van de Voorbereidende Commissie van de Ontwapeningsconferentie van de Volkenbond. Hij woonde als zodanig in 1926 en 1927 de vergaderingen bij. Ook was hij als Nederlandse deskundige in 1931 aanwezig bij de ontwapenings-conferentie in Genève. Van 1929 tot 1933 was hij hoofd van de Afdeeling Generale Staf van het departement van Defensie en als zodanig de naaste militaire adviseur van de minister. Op 25 augustus 1933 werd hij benoemd tot adjudant in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina, die grote waardering voor hem had. Inmiddels opgeklommen tot generaal-majoor, kreeg hij in 1934 van de regering de opdracht de woelingen in Amsterdam, ontstaan door verlaging van de steunnormen, te helpen beteugelen. Hij regelde in 1935 de inzet van Nederlandse troepen in het kader van de Volkenbond in het Saargebied toen daar een volksstemming werd gehouden.

Op 31 maart 1937 volgde Van Voorst tot Voorst luitenant-generaal jhr. W. Röell op als commandant van het Veldleger. Tevens werd hij commandant van de Vesting Holland en gouverneur van de residentie. In deze hoedanigheid kreeg luitenant-generaal Van Voorst tot Voorst de verantwoordelijkheid voor een leger dat bestond uit negen divisies en enkele zelfstandige brigades. In 1939 toonde hij zich een voorstander van de hardnekkige verdediging van de Grebbelinie, terwijl de opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaal I.H. Reynders, meer geporteerd was voor het verdedigen van de Vesting Holland. Ook met zijn instemming werd Reynders op 6 februari 1940 als opperbevelhebber opgevolgd door H.G. Winkelman. Op 10 mei 1940 was zijn hoofdkwartier gevestigd te Zeist. Toen hij op 13 mei besloot zijn troepen te doen terugtrekken op de Nieuwe Hollandsche Waterlinie, verplaatste hij dit hoofdkwartier naar Gouda. Op 14 mei, na het bombardement op Rotterdam, vroeg generaal Winkelman hoe hij over de situatie dacht. Van Voorst tot Voorst adviseerde de opperbevelhebber de wapens neer te leggen.

Na de capitulatie weigerde hij de door de Duitsers verlangde erewoordverklaring af te leggen. Vervolgens werd Van Voorst tot Voorst gevangen genomen (22 juli 1940) en naar Duitsland als krijgsgevangene afgevoerd (24 juli 1940). Eerst na de bevrijding in 1945 keerde hij naar Nederland terug. Hoewel hij geen commando kreeg in de nieuw gevormde landmacht bleef hij tot 1 februari 1947 de functie vervullen van gouverneur van de residentie. Hij was voorzitter van de Commissie Verantwoording Krijgsgevangen Officieren (1945-1946), de Commissie Militaire Onderscheidingen (1946- 1951) en de Commissie Waalbrug (1949-1951). Deze laatste commissie onderzocht welke de rol van Jan van Hoof was geweest bij het gespaard blijven van de Waalbrug te Nijmegen in september 1944. Ook vervulde hij andere maatschappelijke functies: o.a. was hij lid van de Hoge Raad van Adel (1947-1960) en commissaris van de verzekeringsmaatschappij 'De Olveh' (1932-1960).

Van Voorst tot Voorst publiceerde regelmatig over militaire onderwerpen in brochurevorm en in De Militaire Spectator, Haagsch Maandblad, Orgaan der Vereeniging tot Beoefening van de Krijgswetenschap, The Army Quarterly en het Journal des Débats. Onder het pseudoniem van kapitein Ronduit schreef hij 'De Manoeuvre om Limburg. (Eene studie over de strategische positie van Limburg) ', in De Militaire Spectator 88(1919) 489-511, en 'Nogmaals "De manoeuvre om Limburg in 1914", in Artilleristisch Tijdschrift 4 (1920) 417-452. Van bijzonder belang zijn de volgende publikaties die een goed inzicht geven in zijn eigen strategische opvattingen: Over Roermond! Een strategische studie ('s-Gravenhage, 1923) en De Duitsche herbewapening ('s-Gravenhage, 1936). Deze laatste publikatie verscheen met medeweten van de minister van Defensie ad interim, H. Colijn, en koningin Wilhelmina.

A: Documentatie Sectie Militaire Geschiedenis Koninklijke Landmacht map 34 B.

P: Bibliografie in onder L genoemd werk van Cornet en Langedijk, Leven en bedrijf... , 433-435.

L: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 ('s-Gravenhage, 1949) 1 abc; J.W.G. Cornet en D. Langedijk, Leven en bedrijf van de gouverneurs van de koninklijke residentie 's-Gravenhage ('s-Gravenhage 1963) met verwijzing naar interviews in De Linie, 30-4-1960 en Elsevier, 21-1-1961, katern 2, p. 9-10; J.J. Hooft van Huysduynen. Bijdrage tot een genealogie van het geslacht Van Voorst tot Voorst ('s-Gravenhage, [1968]); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1969, 1970) II, III, passim.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1557.

C.M. Schulten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013