Vriesland, Victor Emanuel van (1892-1974)

 
English | Nederlands

VRIESLAND, Victor Emanuel van (1892-1974)

Vriesland, Victor Emanuel van, letterkundige (Haarlem 27-10-1892 - Amsterdam 29-10-1974). Zoon van Adolph Isidore van Vriesland, winkelier in manufacturen en koopman, en Duifje Schoolmeester. Gehuwd in 1917 met Marie Huguenon Dumittan. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (22-3-1931) gehuwd op 1-6-1938 met Antonia Wilhelmina van der Horst. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na echtscheiding (23-7-1946) gehuwd op 31-10-1946 met Anna Maria Gesina Baan. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (26-9-1951) gehuwd op 7-2-1952 met Adrienne Germaine Leonie Canivez, toneelspeelster. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Vriesland, Victor Emanuel van

Omringd door kinderjuffers en huisbedienden groeide Van Vriesland op in een milieu van nieuw verworven rijkdom, vanaf zijn zesde jaar in Den Haag. Hij bezocht het Openbaar Gymnasium - later Gymnasium Haganum genoemd - waar Martinus Nijhoff tot zijn klasgenoten behoorde. Een gemakkelijke leerling was hij allerminst; in de meeste vakken had hij tegenzin. Maar literatuur boeide hem van jongs af aan. Ten overstaan van zijn acht jaar oudere zuster reciteerde hij Franse verzen, en samen met 'Pom' Nijhoff proefde hij van zowat elk -isme dat in zwang was. De jonge heren waren dandy's. De school verliet hij voortijdig. Teneinde zich op een academische studie voor te bereiden nam hij privaatlessen bij de filosoof en classicus Johan Andréas dèr Mouw, als dichter bekend onder het pseudoniem Adwaita. De invloed die de 'sceptische stelselloosheid' van deze merkwaardige figuur op hem uitoefende, zou van diepgaande betekenis blijken te zijn. In zijn eerste gedichten, die in De Nieuwe Gids en De Beweging verschenen (1911/ 1912), streefde Van Vriesland ernaar poëzie en filosofie met elkaar te verzoenen. Hij werd daar toen later mede toe geïnspireerd door de voorbeelden van Albert Verwey en van Paul Valéry, de Franse schrijver die hij eens 'de rijpste loot van 't Europese denken' noemde. Na Dèr Mouws dood (1919) beheerde en bezorgde hij diens literaire nalatenschap.

In 1913 begaf hij zich naar Dijon om daar aan de universiteit Frans te studeren. Erg veel kwam er van de studie niet terecht, ook al niet door het uitbreken van de wereldoorlog. Binnen het jaar was hij weer terug - als wijnkenner. De Franse literatuur bleef hem evenwel hooglijk boeien. Om zijn levensonderhoud behoefde hij zich niet te bekommeren. Het ouderlijk vermogen stelde hem in staat zich geheel aan de letteren te wijden. Na enige omzwervingen vestigde hij zich in 1918 met zijn Zwitserse vrouw in Blaricum. Te midden van bevriende kunstenaars en bohémiens beleefde hij er aangename jaren, al zou hij later beweren geen moment van zijn leven gelukkig te zijn geweest. Inderdaad verrieden zijn verzen, hoe verstandelijk ze ook waren, van meet af aan vertwijfeling en angst voor de dood. In de novelle Het afscheid van de wereld in drie dagen (1926; later in verkorte vorm herdrukt) verwoordde hij dezelfde gevoelens.

Een ander thema in dit boek is de tegenstelling tussen joden en niet-joden. Van Vriesland was als jonge man overtuigd zionist en publiceerde in 1915 de brochure De cultureele nood-toestand van het Joodsche volk. Het dualisme van zijn denken - en bestaan - vond wellicht deels zijn oorsprong in de tweeheid die hij kenmerkend achtte voor de in ballingschap levende joodse mens. Aangezien hij een niet-joodse vrouw huwde trad hij in 1917 uit de Nederlandsche Zionisten Bond, om er pas enkele jaren voor zijn dood weer lid van te worden. 'Mijn enige positieve kant is eigenlijk alleen het zionisme' (Nieuw Israëlietisch Weekblad, 28-10-1972), zou hij nog aan het einde van zijn leven in een vraaggesprek verklaren. Hij was, naar eigen oordeel, geassimileerd maar geen assimilant geweest.

In 1926 werd zijn vrouw ongeneeslijk geestesziek, en drie jaar later verloor hij het laatste restant van zijn erfdeel als gevolg van de beurskrach. Hij onderging zijn financiële debacle filosofisch. Voor het eerst zag hij zich nu genoodzaakt zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. In 1931 trad hij als redacteur kunst en letteren in vaste dienst bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) , waarvoor hij sinds 1930 de kroniek der poëzie verzorgde. De vaak erudiete en soms toonaangevende, met nauwkeurige omslachtigheid geformuleerde beschouwingen die hij voor de NRC en andere bladen schreef werden later in twee delen gebundeld tot Onderzoek en vertoog (1958). Zijn dichtwerk kwam door zijn journalistieke bedrijvigheid enigszins in het gedrang. Na Voorwaardelijk uitzicht (1929) publiceerde hij in de jaren dertig alleen nog de bundel Herhalingsoefeningen (1935). Zijn oorspronkelijk in het Duits geschreven toneelstuk De verloren zoon, opgevoerd door Het Schouwtooneel, was in 1930 als een baksteen gevallen. Maar in literaire kringen genoot Van Vriesland al geruime tijd bekendheid, niet het minst omdat hij immer actief was in de Vereniging van Letterkundigen en in het gezelligheidscircuit van - hoofstedelijke - cafés en de kunstenaarssociëteit 'De Kring', die hij mee had helpen oprichten. Gedurende 1934 en 1935 fungeerde hij als redacteur van Forum, waarvan hij de 'vorm-of-vent'-beginselen minder ernstig nam dan de oprichters van het blad, M. ter Braak en Ch.E. du Perron. Ook in andere letterkundige tijdschriften kwam men zijn naam regelmatig tegen.

Na een meningsverschil verliet hij de NRC, en hij werd in 1938 eindredacteur van De Groene Amsterdammer. Hij kwam al spoedig tot de ontdekking weinig geschikt te zijn voor deze tijdrovende baan en aanvaardde daarom dankbaar de opdracht van NV Uitgeverij De Spieghel te Amsterdam een uitvoerige bloemlezing van de Nederlandse poëzie samen te stellen. Dank zij zijn grote belezenheid verscheen De spiegel der Nederlandsche poëzie door alle eeuwen nog in het najaar van 1939. Het boek werd gunstig door de critici ontvangen, beleefde een aantal herdrukken en vormde een bron van inkomsten voor de samensteller.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog slaagde Van Vriesland er ternauwernood in aan de lange arm van de bezetter te ontkomen. Geholpen door zijn vrienden hield hij zich op verschillende adressen schuil. 'In de barre leproserie van mijn isolement lijd ik aan depressies', bekende hij in een van zijn brieven. De in zevenenzeventig paragrafen onder verdeelde wijsgerige studie Grondslag van verstandhouding, schreef hij, om geestelijk gezond te blijven, in de maanden september 1942 - januari 1943. Ze werd in 1946/1947 in beperkte oplage gedrukt. De beproevingen van de oorlog lieten hun spoor ook in zijn poëzie achter. Hij beklemtoonde na de bevrijding steeds de belangrijke rol die kunstenaars in het verzet hadden gespeeld. In zijn als brochure uitgegeven rede De onverzoenlijken (1954) waarschuwde hij tegen de gevaren van het neonazisme en de neiging om met betrekking tot de oorlog alles te vergeten en te vergeven.

In 1945 werd hij voorzitter van de Nederlandse afdeling van de PEN, een functie die hij tot 1969 zou uitoefenen. Van 1962 tot 1965 was hij tevens voorzitter van de internationale PEN. Hij ontbrak in geen enkel ander letterkundig bestuur, en geen literaire jury leek zonder zijn bezonken oordeel te kunnen. De voorzittershamer hanteerde hij vaardig, en door zijn gevatheid was hij een veelgevraagd spreker op feestelijke gebeurtenissen. Feesten vormden een vast bestanddeel van zijn leven. Politiek was hij niet echt geëngageerd, al koesterde hij sympathieën die ter linkerzijde lagen. In De Nieuwe Stem, een maandblad voor cultuur en politiek waarvan hij redactielid was en dat tijdens de koude oorlog tussen de Sovjetunie en de Verenigde Staten een omstreden 'derde weg' bepleitte, bepaalde hij zich vrijwel uitsluitend tot de cultuur.

Intussen vervolgde hij zijn werk aan De spiegel..., waarvan in 1953 en 1954 twee aanvullende delen over de twintigste eeuw verschenen. Hij liet bovendien andere bloemlezingen, zoals De vergetenen [1955] en De vernieuwing van de mens (1965), het licht zien, vertaalde en schreef veelvuldig inleidingen op het werk van collega-schrijvers. In 1968 bezorgde hij zijn Verzamelde gedichten. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag verscheen, bij wijze van testament en verrassend direct geschreven, zijn laatste bundel Bijbedoelingen (1972); uitgebreid met tien nagelaten gedichten (1975). Hij werd talrijke malen onderscheiden, bijvoorbeeld in 1954 met het eredoctoraat van de Rijksuniversiteit te Leiden en in 1960 met de P.C. Hooftprijs.

Sinds zijn zevende jaar leed Van Vriesland aan astma, een kwaal waarover hij opmerkte dat ze 'een soort huisdier' was geworden. Aangezien hij bij voorkeur 's nachts werkte, stond hij zeer laat op, hetgeen hem de gelegenheid bood te koketteren met zijn luiheid. Levend van de pen en daardoor na 1929 niet echt bemiddeld, trachtte hij toch een aristocratische minachting voor geld aan de dag te leggen. Het aantal anekdotes dat over deze precieuze estheet de ronde deed was legio, terwijl hij er op zijn beurt van hield over andere literatoren een boekje open te doen. Aan Alfred Kossmann vertelde hij - oorspronkelijk voor de VARA-radio - zijn Herinneringen (1969), die zo kleurrijk waren dat het velen speet dat hij ervan afzag zijn memoires te schrijven. Ten slotte had hij een halve eeuw middenin de Nederlandse letteren gestaan, waar hij, mede op grond van zijn organisatorische en bestuurlijke activiteiten, groot gezag had verworven. Dat sommigen hem beschouwden als een ijdele en eerzuchtige mandarijn was, gelet op diezelfde activiteiten, bijna onvermijdelijk.

Het grote publiek leerde hem vooral kennen door de spitsvondige woordspelletjes die hij tijdens de jaren zestig samen met o.a. Hella Haasse en Godfried Bomans voor radio en televisie deed. In zijn laatste jaren liet hij zich gaarne ondervragen over zijn drinkgewoonten en zijn ideeën aangaande het vrouwelijk geslacht. Zelfs nam hij zitting in een jury die Miss Holland moest verkiezen. Met de jongere schrijvers onderhield hij nog maar weinig contact. Hij vond zichzelf 'afschuwelijk oud' geworden - zijn vrees voor de dood scheen lang overwonnen. 'Het wezen van het zijn is niets', filosofeerde hij in een van zijn laatste gedichten.

In de NOS-serie De onvergetelijken werd op 17 oktober 1971 een aflevering over Van Vriesland uitgezonden. Voor velen onvergetelijk was het de hoofdpersoon in beeld te zien verschijnen staande in de smalle glazen lift die hij in zijn huis aan de Weesperzijde te Amsterdam had laten aanbrengen, gelijk een reeds tijdens zijn leven gemummificeerde legende uit de literatuurgeschiedenis. Als bestuurder, bedisselaar en ordebewaarder van de Nederlandse letterkunde raakte hij op den duur bekender dan als dichter en essayist. Men versleet hem dikwijls voor een levensgenieter, maar zijn werk getuigde van 'desillusie van het levensverlangen, ontoereikendheid van het gevoel en moedeloosheid tegenover het lot'. Plechtstatig en ironisch tegelijk bewees hij de vaderlandse cultuur talrijke diensten. Zelf verwachtte hij dat hij alleen door sommige van zijn gedichten zou blijven voortleven.

A: Collectie-Van Vriesland in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Behalve de in de tekst genoemde werken: Herman Hana. Geschetst in zijn beteekenis als schakel naar een nieuwen tijd (Blaricum, 1920); De ring met de aquamarijn en andere verhalen (Amsterdam, 1939) en Het werkelijkheidsgehalte in de letterkunde (Amsterdam, 1962). Een bibliografie van zijn afzonderlijk verschenen werken tot en met 1967 werd, op steekkaarten, samengesteld door het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage. Zie voorts M.J.G. de Jong, 'Een lemma voor Victor van Vriesland', in Maatstaf 20 (1972-1973) 6 (oktober) 358-359.

L: G.H. 's-Gravesande, Sprekende schrijvers (Amsterdam, 1935) 140-157; 'Een interview met Victor E. van Vriesland', in Groninger Dagblad, 2-10-1937; Victor, het boek der vrienden [Onder red. van M. Vasalis et al.] (Amsterdam, 1947); Victor E. van Vriesland. Een karakteristiek [Door W. Brandt et al.] (Amsterdam, 1957); B. van Garrel, 'De laatste der lettres', in Haagse Post, 1-2-1969; 'Victor E. van Vriesland', in Maatstaf 20 (1972-1973) 6 (oktober) speciaal nummer; B. van Garrel en K. Schippers, 'Een namiddag met Victor E. van Vriesland', in Haagse Post, 2-3-1974; Adriaan van der Veen, 'Victor van Vriesland: verweer tegen 't leven', in NRC, 1-11-1974; K. Fens, 'Victor van Vriesland, een betrokken buitenstaander', in de Volkskrant, 2-11-1974; A. Kossmann, 'Van Vriesland, een bewonderde vriend', in het weekblad De Tijd, 8-11-1974; G. Komrij, 'Victor van Vriesland was meer dan hij deed', in Vrij Nederland, 9-11-1974; D. Kroon, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1974-1975, 98-109; J. Meijer, Victor Emanuel van Vriesland als zionist. Een vergeten hoofdstuk uit de geschiedenis van het joods nationalisme (Heemstede, 1976); idem, "Het ivoren aapje". J.A. Dèr Mouw en Victor van Vriesland (Heemstede, 1976); G.R. van der Meulen, 'De Hongaarse opstand van 1956 en de Nederlandse schrijvers', in Tijdschrift voor Geschiedenis 98 (1985) 191-214; D. Kroon, 'Leven en werk van Victor E. van Vriesland', in Bulletin 13 (1985) 123 (febr.) 2-12.

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 18218 [Victor van Vriesland in oktober 1967].

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013