Walsum, Gerard Ewout van (1900-1980)

 
English | Nederlands

WALSUM, Gerard Ewout van (1900-1980)

Walsum, Gerard Ewout van, politicus en burgemeester (Krimpen a/d IJssel 21-2-1900 - Rotterdam 27-7-1980). Zoon van Arie Adrianus van Walsum, rietmattenfabrikant, en Ariaantje van Cappellen. Gehuwd op 25-8-1926 met Jacoba Margaretha Quispel, juriste en letterkundige. Uit dit huwelijk werden, behalve 1 zoon die jong overleed, 2 zoons geboren. afbeelding van Walsum, Gerard Ewout van

Van Walsum kwam uit een hervormd gezin met politieke belangstelling: zijn vader was raadslid, later wethouder voor de Christelijk-Historische Unie (CHU) in Krimpen a/d IJssel. Hij bezocht het gymnasium met internaat te Zetten, vervolgens het christelijk "Marnix-Gymnasium" te Rotterdam en deed, om gezondheidsredenen achterop geraakt, staatsexamen-A in 1920. Hetzelfde jaar ging hij rechten studeren te Utrecht, waar hij in 1926 het doctoraal examen aflegde. In zijn studentenjaren werden veel duurzame contacten gelegd, o.a. met P. Lieftinck, mede-senator in het Utrechtsen Studenten-Corps (USC) en N. Stufkens, studiesecretaris van de Nederlandsche Christen-Studenten-vereeniging (NCSV), die in deze kring de theologie van Karl Barth introduceerde en daaruit de persoonlijke consequentie zou trekken door zich aan te sluiten bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Inmiddels was hij reeds in oktober 1925 in dienst getreden bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken Rotterdam, waar hij eerst meewerkte aan het gedenkboek dat bij het 150-jarig bestaan in 1928 uitkwam. Vanaf 1929 was hij als adjunct-secretaris, later secretaris naast de algemeen secretaris W.F. Lichtenauer, belast met het bijhouden van het Handelsregister tot hij in 1945 deze dienst verliet.

Sedert ongeveer 1930 was Van Walsum lid van de CHU. Binnen deze partij, principieel stoelend op christelijke beginselen, wilde men openheid behouden tegenover de ruimere maatschappij, in de hoop de natie te kunnen herkerstenen en door zich niet, zoals de antirevolutionairen, af te sluiten van andersdenkenden. Het in 1893 opgerichte dagblad De Nederlander, formeel losstaand van de CHU in eigen stichting, wilde de CHU-beginselen verbreiden. Van Walsum behoorde tot de vooruitstrevende jongeren in de partij. Zij hadden geen kans op een kamerzetel naast de behoudende leiders, zoals J.R. Slotemaker de Bruïne, D.J. de Geer, later H.W. Tilanus, maar ook naast minder conservatieve leden, zoals J.R. Snoeck Henkemans. Deze jonge intellectuelen, meest uit NCSV-kringen voortgekomen, zochten op Van Walsums initiatief elkaar op en organiseerden bijeenkomsten. Op conferenties in het centrum Landszegen van de Amsterdamsche Maatschappij voor Jonge Mannen (AMVJ) te Doorn (1930-1932), later in de Kring voor Christelijke Politiek (1932-1934), waartoe, behalve de genoemden, ook de missioloog-oecumenicus H. Kraemer en de latere staatssecretaris van Sociale Zaken A.A. van Rhijn behoorden, werd de mogelijkheid tot verbreiding van hun opvattingen onder ogen gezien.

Na zijn debuut op 15 april 1931, waarin Van Walsum een rede van de CHU-voorman B.F. de Savornin Lohman had gekritiseerd ('Het eigen recht der overheid'), werd Van Walsum in 1933 in de hoofdredactie van De Nederlander benoemd, weldra gevolgd door Lieftinck (intussen hoogleraar), Ph.J. Idenburg, C.L. Patijn (korte tijd), S. Rozemond (medewerker van Eykman) en F. de Graaf. Sindsdien hadden de progressieve krachten in de CHU, en vooral Van Walsum, de gelegenheid, vrijwel ongemoeid door het bestuur hun opvattingen onder de aandacht van de 7 à 8000 lezers van het blad te brengen, totdat het in 1941 werd opgeheven. Ook op conferenties, in brochures en bij spreekbeurten voor afdelingen van de CHU - in 1939 werd hij tot lid van de gemeenteraad van Rotterdam gekozen voor de Unie - zette Van Walsum zijn opvattingen ten aanzien van belangrijke kwesties uiteen: het sociale vraagstuk (bedrijfsorganisatie, medezeggenschap, geen klassenstrijd), de koloniale verhoudingen (geleidelijk zelfstandigheid), de internationale verhoudingen (kritiek op gemakkelijke rechtvaardiging van de oorlog). Zijn afwijzen van ieder christelijk imperialisme en van direct aan de bijbel ontleende vermeende oplossingen voor politieke, economische en sociale vragen leidde bij hem op den duur tot bezwaren tegen confessionele organisaties. Tegenover de zg. antithese tussen christenen en niet-christenen verdedigde hij het standpunt dat een christen in persoonlijke verantwoordelijkheid geroepen was, zich samen met niet-christenen in te zetten voor een rechtvaardige maatschappij. Ook hierin is Barth zijn leidsman geweest.

In de bezettingstijd bleef Van Walsum nog enige tijd politiek actief in de door de bezetter toegelaten CHU: eerst als secretaris, daarna als contactman in het aanvankelijk nog openlijk bijeenkomend Politiek Convent en in de min of meer informele zg. Club-Scholten van protestants-christelijke intellectuelen, waarin de hoogleraar P. Scholten en J.A.H.J.S. Bruins Slot een grote rol speelden.

Daarnaast had hij zitting in de Sectie Kerk en Samenleving van de Raad voor de Inwendige Zending van de Nederlandse Hervormde Kerk, die zich in de oorlog opnieuw bewust was geworden van haar opdracht ten aanzien van overheid en samenleving. In de illegale brochure Om Neerlands toekomst [Amsterdam, 1943] zou hij voor een vernieuwing in nationaal-christelijke zin pleiten. Hoewel de Nederlandsche Unie hem aanvankelijk bij haar oprichting in juni 1940 wel aansprak om haar programma van nationale eenheid en vernieuwing (lid werd hij niet), nam Van Walsum in 1941 toch afstand van deze beweging. Hij adviseerde de CHU-leden hetzelfde te doen, aangezien van een verwezenlijking van een partij die op zou komen voor nationale en christelijke waarden onder de bezetter geen sprake bleek te kunnen zijn.

Na de bevrijding was Van Walsum medeoprichter van de Nederlandse Volksbeweging (NVB), die de vorming van een brede volkspartij op personalistisch-socialistische basis tot doel had. Hij maakte deel uit van de Nationale Adviescommissie. Voor de CHU bedankte hij, al nam hij zijn zetel in de (eerst tijdelijke) gemeenteraad van Rotterdam vanaf november 1945 nog tot september 1946 in. Met de geestverwanten die samen De Nederlander hadden geredigeerd zette hij op 14 mei 1945 de krant onder de naam De Nieuwe Nederlander voort, met instemming van de commissarissen, maar tot ongenoegen van het CHU-bestuur. Het werk van de politieke commissie van de NVB resulteerde begin 1946 in de oprichting van de Partij van de Arbeid (PVDA), waarop, naast de oud-SDAP'ers J.J. Vorrink, J. Burger, W. Thomassen en W. Banning, ook Van Walsum zijn stempel heeft gedrukt. De CHU bleek echter in grote meerderheid niet met de NVB of Van Walsums streven mee te willen gaan, de CHU en de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) handhaafden hun bestaan en namen aan de verkiezingen in 1946 opnieuw deel, de Katholieke Volkspartij (KVP) werd globaal de voortzetting van de oude Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP). De 'doorbraak' van christenen naar niet-confessionele partijen was kwantitatief niet gelukt. In 1947 zou De Nieuwe Nederlander, waarvan Van Walsum directeur en hoofdredacteur was gebleven, ten onder gaan.

De oprichting van de PVDA in begin 1946 beantwoordde ook naar het oordeel van Van Walsum aan de idealen die de NVB had nagestreefd: de partij wilde in haar streven naar een rechtvaardige samenleving een plaats inruimen aan van elkaar verschillende en onderling sterk variërende levensbeschouwingen en daarmee de vooroorlogse verzuiling doorbreken. Om de interne levensbeschouwelijke verscheidenheid de vrijheid te geven werden binnen de partij zogenaamde werkgemeenschappen voor aanhangers van resp. de katholieke, protestantse en humanistische levensovertuiging opgericht. Van de protestantse werkgemeenschap was Van Walsum van 1946 tot 1962 voorzitter. In deze werkgemeenschap (waarvan J.H. Scheps secretaris was), maar ook in de werkgroepen Kerk en Overheid en Kerk en Samenleving van de Ned. Herv. Kerk, evenals in het Interkerkelijk Overleg in Radio-aangelegenheden (IKOR), hield hij zich tot 1967 intens bezig met pogingen vragen aangaande evangelie en samenleving of Kerk en Staat te beantwoorden. In het hoofdbestuur van de PVDA had hij tot 1964 zitting, hij was lid van de Tweede Kamer van 1946 tot 1948, van de Provinciale Staten van Zuid-Holland van 1946 tot 1950, van de Eerste Kamer van 1948 tot 1955 en van de Rotterdamse gemeenteraad van 1946 tot 1948, waarvan één jaar als wethouder van Onderwijs en Volksontwikkeling.

Na een korte ambtsperiode als burgemeester van Delft (1948-1952) stelde Van Walsum zich desgevraagd beschikbaar voor Rotterdam, nadat hij zich van de steun van K.P. van der Mandele, voorzitter van de Kamer van Koophandel, had vergewist. Het gelukte hem daar vele en velerlei krachten te bundelen tot gezamenlijke voortgezette inspanning voor de onder zijn voorganger P.J. Oud begonnen opbouw van de geschonden stad. In het college van B & W stond Rotterdams belang steeds bovenaan, boven partijbelangen. Vooral de ontwikkeling van havens kwam daarbij sterk naar voren. In vruchtbare samenwerking tussen bestuur en bedrijfsleven, o.a. in het Comité Rotterdam, kwamen grootscheepse voorzieningen, zoals Botlek en Europoort, de luchthaven Zestienhoven, de metro, en enkele nieuwe en uitgestrekte woonwijken tot stand. Maar ook de formatie van het Openbaar lichaam Rijnmond en de vorming van wijkraden (decentralisatie) werden door hem gestimuleerd. Andere vraagstukken rondom het bestuur van een grote stad hadden eveneens zijn levendige belangstelling. Voor het tot stand komen van de Erasmus Universiteit heeft hij met succes geijverd. Aan werkzaamheden van representatieve aard had zijn echtgenote een belangrijk aandeel, waarvoor de waardering bleek bij het afscheid dat hun beiden in 1965 werd aangeboden.

Nadien bleef Van Walsum zijn krachten geven aan zaken van algemeen belang, voor een deel als voortzetting van hetgeen hij reeds naast zijn burgemeesterschap had behartigd: als voorzitter of lid van de Staatscommissie Erediensten (afkoopregeling van de kerken). Stichting Televisie Nederland, Commissie Rijksuniversiteit Rotterdam, Commissie Achtste Medische Faculteit, Stichting Vluchtelingenhulp Biafra. Desgevraagd trad hij op als adviseur van leden van het Koninklijk Huis. Met het optreden van Nieuw Links (1966) en in de latere jaren zestig voelde hij zich inmiddels steeds meer vervreemd van de koers van de PVDA. Zijn bezwaren daartegen waren de volgende. Bij de bovendrijvende stroom werd nauwelijks verband tussen geloof en politiek gezien; buitenparlementaire pressie werd te gemakkelijk geaccepteerd; polarisatie werd bevorderd wanneer het tot vergroting van macht kon leiden; vrijheid ging te zeer de richting van totale ongebondenheid; en de partij oefende een te grote dwang uit op haar leden die belangrijke functies in het staatkundig bestel bekleedden. In 1972 bedankte hij als lid in een uitvoerig schrijven, dat werd gepubliceerd in het maandblad Socialisme en Democratie 3 (1973) 128-142. Hij trad tot geen andere partij toe, al bleef hij tot zijn dood de politieke ontwikkelingen volgen.

Van Walsum is wel gekarakteriseerd als regent. Hij was dat in de zin van een echte bestuurder, bereid om de gemeenschap te dienen, verantwoordelijkheid te nemen, hem verleend gezag uit te oefenen. Door sommigen werd dit autocratisch gevonden, maar evenwichtigheid, zorgvuldigheid, gevoel voor decorum, integriteit, visie en vasthoudendheid maakten hem bij een meerderheid van de Rotterdamse burgerij zeer gezien. Hij stemde zijn politieke beslissingen af op een toekomstverwachting en stond kritisch tegenover het historisch gewordene ondanks alle begrip voor traditie.

A: Archieven van G.E. van Walsum en J.M. van Walsum-Quispel in Gemeentearchief Rotterdam. Inventaris samengesteld door H. ten Boom.

P: Behalve in de tekst genoemde publikaties: De corporatieve gedachte ('s-Gravenhage, 1934); Het isolement van "het christelijke volksdeel" ('s-Gravenhage, 1938). Tijdseinen: 5; De voorgeschiedenis van "De Nieuwe Nederlander" [S.l., ca. 1946]; 'Waarom ik socialist werd en nog ben', in Doorbraak 8 (1955) 4 (november) 1-2. Maandblad van de Prot. Christ. Werkgemeenschap in de PVDA; Het televisievraagstuk in ruimer verband (Assen, 1963); Rotterdam Europoort 1945-1970. Onder red. van G.E. van Walsum (Rotterdam, 1972). Zie verder inventaris archief p. 80.

L: J.M. van Walsum-Quispel, Twee ambtswoningen. Burgemeestersvrouw in Delft en Rotterdam (Wageningen, [1968]); Twaalf over drie. J.H. Scheps in gesprek met: H. Algra... G.E. van Walsum PVDA... (Apeldoorn, [1972]) 269-293; J.G. Toebes, 'Doorbraakgedachten binnen de CHU. Het optreden van Mr. G.E. van Walsum en de "Nederlander"-groep tussen 1933 en 1945' (Nijmegen, 1973). Doctoraal scriptie afd. Gesch. KU (archief-Van Walsum 557); Jan Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volksbeweging (NVB) (Deventer, 1978); M.T.C. Blom en A.C.M. Peek, 'De Protestants-Christelijke Werkgemeenschap in de Partij van de Arbeid 1946-1956' (Utrecht, 1979). Doctoraal scriptie afd. Gesch. RU Utrecht (archief-Van Walsum 568); necrologieën van J.H. Scheps, W. Drees en Bertus Schmidt in resp. Het Parool, 29-7-1980; NRC , 29-7-1980 en 1-8-1980; J. Zeelenberg, in Rotterdams Jaarboekje 8e reeks 9 (1981) 123-136; J. Wieten, Dagblad en doorbraak. De Nederlander en De Nieuwe Nederlander (Kampen, 1986). Dissertatie Universiteit van Amsterdam.

I: Twaalf over drie. J.H. Scheps in gesprek met: H. Algra... G.E. van Walsum PVDA... (Apeldoorn, [1972]) 268.

H. ten Boom


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013