Winkel, Jan te (1847-1927)

 
English | Nederlands

WINKEL, Jan te (1847-1927)

Winkel, Jan te, literatuurhistoricus en taalgeleerde (Winkel, daarna gem. Niedorp 16-11-1847 - Amsterdam 31-5-1927). Zoon van Pierre Guillaume te Winkel, Nederlands-Hervormd predikant, en Catharina Maria Holmes. Gehuwd op 18-7-1878 met Johanna Cornelia Lodeesen. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Het gezin Te Winkel verhuisde achtereenvolgens naar Bennebroek en naar Rotterdam (1857), waar ds. Te Winkel zich tot de moderne richting in de Ned. Her v. Kerk uitsprak. Jan werd leerling van het Erasmiaansch Gymnasium. Hier ontbloeide ook zijn liefde voor het toneel, die hem, getuige o.a. een grote verzameling toneelspelen die hij aanlegde, nooit zou verlaten. Hij deed cum laude eindexamen in 1866, waarna hij zich te Leiden liet inschrijven als student in de theologie en in de letteren. De laatste studierichting was veiligheidshalve gekozen, voor het geval hij, als modernist - later zou hij spinozist worden - als predikant niet aan de slag zou komen, maar zij kreeg al snel zijn voorkeur.

Te Winkels Leidse studietijd werd geen succes. Wel was hij actief in disputen en als publicist, maar na een zeer matige propaedeuse in de theologie liet hij dit vak vallen, om uitsluitend verder te gaan in de letteren. Dit betekende tot na het kandidaats echter vooral: klassieke letteren, terwijl hij juist van en over de Nederlandse literatuur ongeveer alles las wat hij te pakken kon krijgen. Zelf schreef hij ook veel, meest gedichten; een klein deel publiceerde hij. De classicus C.G. Cobet, sleutelfiguur der faculteit, vond zijn kennis van en toeleg op het Grieks onvoldoende, en gaf hem een consilium abeundi. Te Winkels tegenzin tegen Cobet en diens uitsluitend tekstkritische benadering had kennelijk op zijn eerzucht en ambities de overhand gehad. Matthias de Vries, hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde te Leiden, vader van de moderne Nederlandse filologie, van wie Te Winkel in en buiten - o.a. in het dispuutgezelschap Lambert ten Kate - de collegezaal veel geleerd had, en voor wie hij een grote verering koesterde, beval hem bij zijn collega H.E. Moltzer te Groningen aan, waar hij opnieuw wilde beginnen. Hier slaagde Te Winkel in 1873 voor zijn kandidaats-, in 1875 voor zijn doctoraal examen. In 1877 promoveerde hij op Maerlants werken, beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw (Leiden, 1877).

De jonge geleerde bevond zich nu meteen in de voorste rangen der deskundigen op zijn vakgebied. In hetzelfde jaar werd hij tot leraar Nederlands, Latijn en vaderlandse geschiedenis aan het Stedelijk Gymnasium te Groningen benoemd, waar hij o.a. de latere hoogleraar J. Huizinga les gegeven heeft. Zowel voor als na zijn promotie verschenen er publikaties van zijn hand, o.a. tal van artikelen in de tijdschriften Taal en letteren en Noord en Zuid. Hij verzorgde tekstuitgaven, volgens de diplomatische methode, o.a. van Van Maerlants Roman van Torec (Leiden, 1875), de Roman van Moriaen (Groningen, 1878) en de Esopet (Groningen, 1881). De bekroning van dit alles was zijn benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde en het Oudgermaans aan de Universiteit van Amsterdam in 1892. Laatstgenoemd vak betekende het doceren van Gotisch, Angelsaksisch en Middelhoogduits, waarvan hij echter na enkele jaren verlost werd. Voortaan kon hij zich geheel wijden aan de Nederlandse taal- en letterkunde, sinds 1877 een zelfstandige academische studierichting. Vooral op het gebied van de literatuurgeschiedenis was hij actief.

Te Winkels werkzaamheid in zowel de taalkunde als de letterkunde berustte op de basis van de historische benadering, die in de academische bedrijvigheid op deze gebieden in de 19e en voor een groot deel nog in de 20ste eeuw bijna het monopolie bezat. Zij had geleid tot de eerste wetenschappelijk aanpak, onder sterke invloed van Duitse geleerden. De theoretische grondslag was die van het 19e-eeuwse positivisme. Voor de Grundriss der germanischen Philologie. Hrsg. von H. Paul 2e dr. (Strassburg, 1891) verzorgde Te Winkel het gedeelte Geschichte der Niederländischen Sprache. Deze bijdrage verscheen in vertaling als Geschiedenis der Nederlandsche taal (Culemborg, 1901), gevolgd door de, in weerwil van de titel, meer algemeen taalhistorische Inleiding tot de geschiedenis der Nederlandsche taal (Culemborg, [1905]); vooral het eerste werk, nieuw in zijn soort en veel realia bevattend, heeft indertijd in een behoefte voorzien. Met zijn op enquêtemateriaal gebaseerde eerste twee afleveringen van De Noordnederlandsche tongvallen. Atlas van taalkaarten met tekst (Leiden, [1901]) gaf Te Winkel een belangrijke impuls aan de in Nederland doodgelopen dialectstudie.

Zijn grootste liefde lag echter bij de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Afzonderlijke studies op dit gebied zijn o.a. die over Mr. Joan Blasius als vertegenwoordiger van de romantische richting onzer letterkunde in de 17e eeuw (Haarlem, 1882) en over Vondel als treurspeldichter (Haarlem, 1882). Te Winkel liet zich bij zijn literairhistorisch werk leiden door het uitgangspunt dat eigen of eigentijdse esthetische waardering der kunstwerken, als te veranderlijk en niet wetenschappelijk te funderen, niet ter zake deden. Hij zette zich met deze opvatting af tegen W.J.A. Jonckbloet, schrijver van het eerste wetenschappelijke handboek over de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (Groningen, 1868-1872. 2 dl.; 4e dr. 1888-1892. 6 dl.), die uitging van een vooropgesteld esthetisch normenstelsel, en, later, tegen G. Kalff, die in zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (Groningen, 1906-1912. 7 dl.) persoonlijke esthetisch-kritische voorkeuren liet meespreken. De geschiedschrijver der letterkunde diende, aldus Te Winkel, wel inlevingsvermogen voor literaire kunst te bezitten, maar moest zich verder beperken tot een onpartijdige, objectieve, exact-feitelijke beschrijving, vergelijking en klassificering der literaire werken, hun verband met tijd en plaats van ontstaan, de verklaring van hun onderlinge samenhang en de ontwikkeling van het een uit het ander, zoals een natuurkundige de verschijnselen en hun causale samenhang, een bioloog de evolutie der levende wezens trachtte te achterhalen. Dit neemt niet weg dat Te Winkel in zijn literairhistorisch werk her en der blijk geeft van waardering en afkeer, wanneer zijn bloed kruipt waar het niet gaan kan. Werk met verheven ideeën of waaruit veel te leren valt, en vooral in verzen geschreven, geniet zijn voorkeur. Literaire kunst is voor hem bovenal sociaal, en nationaal. Zijn negatieve oordeel betreft dan ook vooral de meer persoonlijk gekleurde literatuur, bijv. middeleeuwse mystiek, de gevoelige romantiek en het individualisme van de 80'ers. Hij besefte echter in zijn behandeling van de laatsten, in de 1e druk van De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (Haarlem, 1908-1921. 5 dl.), te ver van zijn beginselen te zijn afgedwaald. In zijn magnum opus, de 2e dr. van De ontwikkelingsgang... (Haarlem, 1922-1927. 7 dl.), liet hij het stuk over de 80'ers dan ook weg. Dit levenswerk laat duidelijk de nadelige gevolgen van Te Winkels opvattingen over taak en werkwijze van de literatuurhistoricus - het volledigst beschreven door hemzelf in de 'Inleiding', in het eerste deel - zien: een zekere onpersoonlijke vlakheid van de tekst, verwijlen bij de buitenkant der werken, een zucht naar volledigheid en een verregaande afdaling in details. Zijn opvattingen waren door de jaren heen vrij constant gebleven, en zijn meesterwerk was dientengevolge al bij zijn verschijnen verouderd als geschiedwerk. Als naslagwerk is het echter tot nu toe ongeëvenaard en onmisbaar.

Van tal van geleerde genootschappen was Te Winkel lid, o.a. van de Koninklijke Vlaamsche Academie en van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Hij spande zich in voor het behoud van het Spinozahuis in Rijnsburg, was enthousiast bestuurder van de Anthropologische Vereeniging, de Vereeniging "Het Nederlandse lied", het Vondelmuseum en het Bilderdijkmuseum. Als lid van de staatsexamencommissie MO-Nederlands kreeg hij de naam uitsluitend feitjes te vragen ('Kent ge nog meer letterkundigen wier vader apotheker was?'); inzicht kon men, aldus zijn redenering, van MO-kandidaten niet verwachten. Verdedigers van de Nederlandse taal en cultuur in het buitenland konden op zijn steun rekenen. Op de Taal- en Letterkundige Congressen in Noord en Zuid was hij steevast actief. Aan een feestmaal van de Koninklijke Vlaamsche Academie in 1911 stak hij een pleidooi af voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. In het Algemeen Nederlandsch Verbond bekleedde hij diverse bestuursfuncties. In de brochure Waar het om gaat in Zuid-Afrika (Haarlem, 1899), uit het jaar waarin de tweede Boerenoorlog uitbrak, riep hij op tot steun aan de Zuidafrikaanders, omdat door hun overwinning het Nederlands een wereldtaal zou kunnen worden.

Zijn afscheid als hoogleraar werd een jaar uitgesteld wegens politiek en ander geharrewar over zijn opvolging. Hij werd ten slotte in 1919 opgevolgd door J. Prinsen J.Lzn., wiens theorie en vooral praktijk der literatuurgeschiedschrijving hemelsbreed verschilden van de zijne.

A: Zie J.J.M. Bos en N.J.P. van der Lof, Inventaris van het archief van prof.dr. Jan te Winkel ('s-Gravenhage, 1984). Dit archief is aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage met o.m. veel (ongepubliceerd) eigen literair werk, proza, poëzie en toneelstukken. Te Winkels bibliotheek werd in 1928 geveild door het antiquariaat Beijers te Utrecht. Voor de toneelstukken daaruit zie: Catalogus der verzameling tooneelstukken uit de nalatenschap van prof.dr. J. te Winkel (Utrecht, 1938). Deze verzameling bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht.

P: De belangrijkste werken zijn hierboven vermeld. De eerste druk van De ontwikkelingsgang... (Haarlem, 1908-1921. 5 dl.), zonder notenapparaat, werd voorafgegaan door de Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (Haarlem, 1887) I, dat echter in de middeleeuwen bleef steken. Zie voor Te Winkels bibliografie: D. Fuldauer, in Het Boek 6 (1917) 330-342 en 359-368; 16 (1927) 83-85.

L: C.G.N. de Vooys, 'Hardnekkige eenzijdigheid', in De Beweging 15 (1919) II, 360-373; F.H. Fischer, in Groot-Nederland 25 (1927) 97-98; A. Kluyver, in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 1927-1928, 1-23; A.G. van Hamel, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afgestorven medeleden 1927-1928, 146-167; F. Baur, 'De literatuur, haar historiographie en methodes', in Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden. Onder red. van F. Baur [et al.] ('s-Hertogenbosch [etc.], 1939) I, VII-CXVI; G. Brom, Geschiedschrijvers van ome letterkunde (Amsterdam, [1944]); J. Huizinga, 'Mijn weg tot de historie', in Verzameld werk (Haarlem, 1948) I, 15; G. Karsten, 100 jaar Nederlandse philologie. M. de Vries en zijn school (Leiden, 1949); Historische letterkunde. Facetten van beoefening. Onder red. van M. Spies (Groningen, 1984); J. Noordegraaf. Norm, geest en geschiedenis. Nederlandse taalkunde in de negentiende eeuw ([S.l., 1985).

M.C.A. van der Heijden


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013